Klaar

Met verzamelde moed en kracht duwde hij de punt van het gekartelde vleesmes tussen zijn ribben. De pijn die zijn borstkas vulde, stond niet in verhouding tot het overweldigende gevoel van opluchting dat hij weldra van alles verlost zou zijn. Verlost van een hoofd vol onrust, van een liefdeloos leven, van een lijf dat nooit had of was bemind.
Vastberaden dreef hij het mes in zijn verdorde hart, een hart waarin hij nooit een vrouw had toegelaten, een hart dat geen ware liefde had gekend.
Hij zeeg ineen op de stoel en met een laatste krachtsinspanning trok hij het mes uit de wond, zodat zijn bloed vrij kon stromen. Als een ultieme aderlating nam het bloed al zijn ellende en liefdeloosheid mee. Eindelijk was hij gelukkig.

Advertenties