Slecht

Winfield Creek ligt er loom bij in de namiddagzon. Tuimelkruid rolt door de hoofdstraat, het stadje is op sterven na dood. Het kraken van Zebediah Jones’ schommelstoel verstoort de regelmaat van de piepende waterpomp. Hij spuugt een fluim pruimtabaksap over het hek van zijn veranda.
Hoeven klossen dof door de hoofdstraat, meer stof waait op.
In de saloon is de opwinding ver te zoeken. One Eyed Pete probeert tevergeefs iets melodieus uit de ontstemde piano te halen. Barman Dan poetst whiskyglazen.
Laarshakken klinken hol op de houten veranda, sporen rinkelen mee op het ritme. De piano zwijgt. Mac Moody, Billy Two Guns en Mad Jack Trullo laten hun speelkaarten zakken. Alle ogen zijn op de entree gericht.
De klapdeuren zwaaien onder protest open, een forse gestalte blokkeert het schamele zonlicht. De vreemdeling stapt verder, gevolgd door een kleine zandstorm.
Barman Dan poetst glazen. “Wat zal het zijn, vreemdeling? We hebben whisky… en whisky.”
Met een bonk belandt de Colt Peacekeeper op de bar; de man in het zwart laat zijn hand op de revolver rusten. “Whisky. Een dubbele.” Zijn gezicht staat op onweer. Hij neemt het hem toegeschoven glas tussen duim en wijsvinger, keilt het goedje in een keer in zijn keelgat en poot het glas terug op de bar. De stilte die volgt is te snijden.
“Kut!”
“Check the gate.” De regie-assistente springt op van haar klapstoeltje, het script dubbelgevouwen in haar hand.
“Niks gate-check,” zegt de regisseur. “Wie riep er ‘cut’?”
“Ik riep ‘kut’,” zegt de man in het zwart. “Wat is dit voor een waardeloos script? Het staat bol van de clichés. Wie schrijft zulke pulp? Daar kan ik toch niet mee werken?”
Na drie pogingen slaagt de acteur erin de dummy in de holster te steken en beent de set af. “Ik ga een latte macchiato drinken in mijn trailer. En laat iemand alsjeblieft die stomme klapdeurtjes smeren.”

Advertenties

Het interview

Ik hoef mijn opdrachtgever niet te smeken om dit interview te mogen doen. Gerard Tetteroo, de man die Tetteroo Vastgoed groot heeft gemaakt en zich na zijn ongeval als succesvol schrijver heeft ontpopt, wil voor mij een uitzondering maken.
Dit interview wordt mijn Mount Everest, mijn Broadway-debuut. Mijn eidetisch geheugen geeft me een voorsprong op andere journalisten: zonder blocnote of memorecorder neemt men je eerder in vertrouwen. En dat brengt me op plaatsen waar mijn concullega’s niet komen.

Als ik via de als bosweg vermomde oprijlaan op de achterkant van het landhuis aanrijd, heb ik niet de indruk dat ik me op de Utrechtse Heuvelrug bevind: alles is even vlak als bij mij in de straat. Ik laat mezelf binnen via de zij-ingang en tref Gerard Tetteroo in de enorme, landelijk ingerichte keuken. Hij is een fit ogende, goed geklede bijna-vijftiger, niets aan zijn uiterlijk verraadt de noodzaak zich in een rolstoel te verplaatsen.
“Aha, Thomas Naber, de integere journalist. Als er al zoiets bestaat.”
“Gerard Tetteroo, grootindustrieel en succesvol schrijver,” kaats ik terug.
“Houd het maar op schrijver, dat andere was in mijn vorige leven.” Hij rolt behendig om het kookeiland heen en reikt me zijn pezige hand. “Kon je het makkelijk vinden?”.
Een weinig inspirerende openingszin van een man met zijn reputatie, maar ik schud zijn hand en speel het beleefdheidsspelletje mee. “Niet echt. Met name de laatste kilometers was mijn navigatiesysteem het spoor bijster.”
“Mooi zo.” Hij glimlacht tevreden. “Kom verder.” Hij rijdt voor me uit door een gang waar dertien-in-een-dozijn ‘Aangeboden door het personeel’–plaquettes hangen. Het is alsof hij ogen in zijn rug heeft: “Relikwieën uit het verleden. Ik moest die troep ergens laten.”
Even later sta ik midden in de woonkamer. Sinatra klinkt zacht uit de luidsprekers. Vóór mij strekt een groen dal zich kilometers in de verte uit.
“Een mens zou kunnen wennen aan zo’n uitzicht,” zeg ik met gespeelde nuchterheid.
“Een mens kan blasé doen over veel dingen, maar niet over zo’n uitzicht. Het is nederigmakend.”
“Nederigmakend. Dat was het woord waar ik naar zocht.”
“Je weet dat ik niet van journalisten houd, maar jouw werk is anders. Daarom ben je hier. Toch had je hier niet gestaan als ik niet eerst je antecedenten had nagetrokken.” Hij wijst naar de bar. “Doe mij een flinke Glenfiddich met ijs, en neem zelf ook wat lekkers. Ik drink niet graag alleen.”
Ik schenk zijn glas halfvol, graai in de ijsemmer en verwen mezelf ook met de warmende gloed van de 26 jaar oude whisky.
Als ik hem zijn glas aanreik steekt hij van wal. “Toen ik nog directeur was van Tetteroo Vastgoed, genoot ik aanzien van mijn werknemers en zakenrelaties. Maar dat was een bijwerking. Ze bogen als knipmessen omdat ik macht had.”
“Klinkt logisch.” Ik laat me in het leer zakken, nip van het fruitige bouquet en neem het uitzicht in mij op; dit moet een van de mooiste woonlocaties in Nederland zijn.
“We krijgen niet door het het leven toebedeeld wat we niet aan kunnen.”
“Hoe bedoel je?”
“Ik zag je wel kijken naar mijn rolstoel.”
“Dat is een normale reactie, toch? Als je peentjeshaar had gehad, had het me ook moeite gekost dat te negeren.”
Hij neemt een slok van zijn whisky alsof het appelsap is en staart met me mee naar buiten. “Dit is mijn nieuwe leven. In mijn vorige leven deed ik waar andere mensen alleen maar van dromen: catamaranzeilen rond Liberty Island, deltavliegen langs de Victoria watervallen, bungeejumpen van de Millau-brug.”
“Mag je daar vanaf springen, dan?” vraag ik me hardop af.
“Als je genoeg geld meebrengt, mag je alles. Het is overigens wel een hele mooie plek om je leven te beëindigen.”
“Maar jij hebt het overleefd.”
“Ja en nee. Mijn oude leven hield daar op.”
When I was thirty-five, it was a very good year…‘ doorbreekt Frank de stilte.
“Ik zie het niet als een straf, maar als een teken van boven. Het Universum vond blijkbaar dat ik aan een nieuwe uitdaging toe was.”
“Het universum?”
“Noem het hoe je wilt. God, Allah, De Grote Baas. Iemand besloot dat dit moest gebeuren.”
“Ik wist niet dat je een religieuze inslag had.”
“Het begint te komen.” Hij staart in zijn glas. “Gandhi had gelijk, weet je dat?”
“Gandhi?”
“Je kan iemand ketenen, martelen, kreupelen, zijn lichaam afnemen, maar zijn geest kan je niet opsluiten.”
“Ik geloof dat ik je even niet kan volgen.”
“Als industriemagnaat heb ik veel van de wereld gezien, maar vanuit mijn rolstoel zie ik veel meer. De verbeeldingskracht van een schrijver is namelijk grenzenloos. Als ik dat wil, bezoek ik andere tijden, andere werelden. Andere dimensies.” Hij kijkt me aan en even zie ik de dromer in hem. “Weet je, Thomas. Ze zeggen wel eens ‘the sky is the limit’, maar wie dat zegt, is geen schrijver.”
Dan schiet hij weer in zijn rol. “Bovendien is de beloning voor een schrijver hoger. Ik heb respect van mijn lezers. Ik inspireer ze, meer dan ik mijn personeel ooit heb geïnspireerd.” Hij pauzeert even. “Ik zou bijna zeggen dat die dwarslaesie het beste is dat me is overkomen.”
Ik zie de reden van zijn plotselinge zakelijke houding: de vrouw die binnenkomt begint medicijnen te rangschikken op de dichtstbijzijnde tafel.
“Wilma. Mijn kwelgeest, mijn folteraar. Mijn demon.”
“Ja, ik hou ook van jou, lieverd.”
Gerard kijkt me gelaten aan. “Dit is waar mijn avonturen me gebracht hebben: drie maal daags een zetpil. Dus daar is het gat van de deur, meneer de journalist. Maak er een mooi artikel van. Break a leg.”
“Nee, bedankt. Ik ben nog niet klaar met dit leven.”
Ik begeef me naar de achterdeur, Gerard rijdt een stukje met me mee. Ik stap naar buiten, de deur nog in mijn hand.
“Thomas?”
Ik draai me om.
“Wees geen vreemde. Je weet nu waar ik woon.”