Rampdag

Hij schrikt wakker en zit meteen rechtop in bed: hij heeft de wekker niet gehoord.
In zestien jaar tijd is hij nog nooit te laat op zijn werk gekomen en heeft dus naar zichzelf een reputatie hoog te houden. Gedreven door plichtsbesef kleedt hij zich gehaast aan en propt een ontbijt naar binnen.
In een poging een nieuw record ‘verloren tijd inhalen’ te vestigen stoort hij zich nu eens niet aan verschillende sokken, stoppels of slechte adem. Hij werkt immers niet op een advocatenkantoor.
Het is akelig stil buiten, de zon komt net op en er hangt een vermoeden van mist in de straat. Nog een beetje duizelig twijfelt hij of hij misschien nog in bed ligt en post-apocalyptische dromen droomt.
De eerste meevaller van de dag – de bus die hem met geopende deur opwacht – kan zijn unheimliches gefuhl nog niet wegnemen. Hij stapt in.
“U bent vroeg uit de veren op deze zondagmorgen,” zegt de buschauffeur vriendelijk.
Hij staart de lege bus in. “Kut.”

Advertenties