Vrienden voor het leven

Ik heb ze zestien jaar niet gezien, Wouter en Chantal. We waren ooit hele goede vrienden, deden alles samen. Maar we groeiden uit elkaar, gingen onze eigen weg. Zonder wrok of haatgevoelens.
Ik ga op Chantals uitnodiging in, omdat ik wil weten hoe het met ze gaat. Ze wonen nog in hetzelfde huis, al is het een en ander aan de inrichting veranderd. We keuvelen over vroeger en de sfeer is ontspannen, vertrouwd. We zijn ouder geworden, maar nauwelijks veranderd. Herinneringen worden aangehaald en zestien jaar verdwijnen als sneeuw voor de zon.
“Hé, gratenkut,” roept Wouter ineens de keuken in. “Breng eens een biertje.”
“Doe het zelf, apenneuker,” echoot Chantal. “Ik ben je zoldersnol niet.”
Een korte scheldkanonnade volgt en ook al proef ik geen agressie, toch kan ik mijn plaatsvervangende schaamte niet onderdrukken.
Wouter staat op. “Ik ga naar buiten, greppeldel. Een sigaretje roken.”
“Doe dat, mislukte kontenbonker.”
“Gaat dat altijd zo tussen jullie?” vraag ik Chantal, als Wouter in de tuin staat.
“Het is niet wat het lijkt, Simon. Wouter heeft kanker.”
“Kut. Is het een hersentumor, dat ie daarom zulke grove taal uitkraamt?”
“Nee, alvleesklierkanker. Binnen twee maanden is ie weg.”
Ik zak onderuit en probeer het te bevatten. “Maar dat schelden?”
Chantal haalt haar schouders op. “Dat is een afleidingsmanoeuvre, een uitlaatklep. Voor ons allebei.”
Op dat moment komt Wouter binnen. Ik zie het in zijn ogen: hij weet dat ik het weet.
Ik verman me en hijs mezelf op uit de bank. “Hé, kankerlijer. Wanneer zijn we van je af?”
Hij komt voor me staan, legt zijn handen op mijn schouders en lacht me ontspannen toe. “Over een paar maanden ben ik wormenvoer, bokkenlul. Dan ben je eindelijk van me af.”
“Moeten we nog zo lang wachten?” lach ik geforceerd het brok in mijn keel weg.
Wouter slaat zijn armen om me heen, drukt me stevig tegen zich aan en fluistert: “Man, wat ben ik blij je weer te zien.”
En terwijl we elkaar minutenlang in stilte omhelzen, weet ik waarom ik hier ben.

Advertenties