Vuurwerk

De brand, begonnen in het magazijn aan de achterzijde van het pand, zette de blinde muur van het aangrenzende gebouw in een oranjerode gloed. Oplaaiende vlammen en schaduwen van de bedrijvigheid in de steeg erachter toverden het gebouw om in een psychedelische achtergrondprojectie van een jaren zeventig popgroep.
Staande in de deuropening aan de voorzijde van het pand werd zijn aandacht opgeëist door het schouwspel dat zich binnen afspeelde: langs het plafond dansten kleine vlammen hem in een hypnotiserend ballet enthousiast tegemoet, en dichter bij de grond tuimelden vuurbollen over elkaar heen, op weg naar de zuurstofrijke buitenlucht achter hem. Terwijl het vuur hem begon in te sluiten, de hete lucht aan zijn luchtwegen vrat en zijn ogen brandden van de rook, dwong hij zichzelf nog iets langer van het moment te genieten. Het had hem genoeg moeite gekost dit vurige crescendo te componeren.
Het was een gebruikelijke verzekeringsfraudefik voor een vastgoedbeheerder, al was in dit werk nooit sprake van routine. Een klus die vroeg om maximale schade, met minimale kans op slachtoffers. Hij verstond zijn vak en dus zou ook deze brand op een ongeluk lijken. Hij zou rijkelijk beloond worden van het opgestreken verzekeringsgeld, maar dat was niet zijn drijfveer. Zijn beloning was een zitplaats op de eerste rij van de voorstelling die hijzelf had geregisseerd; een muziekstuk dat alleen voor zijn oren eenmalig werd opgevoerd, een schilderij dat na voltooiing werd vernietigd, zodat geen andere ogen het konden bezoedelen. Hij was de ultieme kunstenaar, en zijn vloek was dat niemand zijn werk ooit op waarde zou schatten.
Plotseling werd hij opgeschrikt uit zijn euforie.
“Verburgt! Sta niet te dromen, man,” brulde zijn commandant. “Pak die spuit en versla dat beest voordat we de hele klerezooi hier op ons kop krijgen.”

Advertenties