Schrijver of echtgenoot

Ze was bezig in de keuken en zag hem de trap op gaan. “Wat ga je doen? Het eten is bijna klaar.”
“Even een verhaal uitwerken. Begin maar zonder mij.”
“Een verhaal uitwerken? Bas moet straks naar hockey en Sterre naar ballet. Kan je het niet gewoon opschrijven?”
“Zo werkt het niet. Ik moet dit verhaal nu uitwerken, voor het een andere schrijver vindt. Ik vraag jou toch ook niet te wachten met het kopen van die afgeprijsde schoenen tot mijn salaris gestort is?”
“Dat is anders.”
“Dat is het zeker. Dat zijn maar schoenen. Dit is een verhaal.”