Theekransje

Sinds ik mezelf schrijver durf te noemen verbaas ik mij geregeld over de ongelijke verdeling van de seksen in Nederland Schrijversland; vrouwen zijn veruit in de meerderheid. Mijn gevoel zegt dat dat een scheef beeld van de werkelijkheid is, al heb ik nog geen bewijs van het tegendeel kunnen vinden. Zijn vrouwelijke concullega’s op een breder vlak bezig met ‘het schrijver zijn’ of zijn mannelijke schrijvers introverter? Ik vermoed het laatste, al zijn de tekenen van de eerste stelling overduidelijk.
Vrouwelijke schrijvers houden zich in kuddes op en de mannelijke soort is een solitair schrijfdier. Op foto’s van workshops of schrijfretraites schitteren mannen door afwezigheid, waardoor ik mij niet aan een theekransjesgevoel kan onttrekken. Want het is vooral errug gezellig, zo’n schrijfclubje. We publiceren een boek of twee, beginnen een uitgeverijtje en geven een workshopje, waarbij we elkaar feliciteren met het auteursschap.
Nu is de gunfactor bij mij in ruime mate aanwezig, maar ik heb mijn twijfels of de lezer hier van profiteert; de energie die in deze festiviteiten wordt gestoken kan in veel gevallen beter worden gebruikt om de kwaliteit van het geschrevene te verbeteren. Want dat is de kern van schrijven. Toch?

Levensbehoefte

André stormt binnen, klapt zijn laptop open op tafel en hangt zijn jas over de stoel. Hij ploft neer en trommelt met zijn vingers op het tafelblad. “Kom op…”
“Wat is er met hem?” zegt Frits. “Hij lijkt wel verslaafd of zo.”
Onno denkt na. “Ja, zo zou je het wel kunnen noemen.”
“Is ie gameverslaafd, sociale media, of gewoon computerverslaafd?”
“Eerder Word-verslaafd.”
“Hoe bedoel je?”
“Hij is schrijver. Als hij niet op tijd iets van zich af kan schrijven krijgt hij last van literaire obstipatie.”
“Nou, en? Wat dan nog?”
“Dan ontploft zijn cerebellum creativum.”
“Gatver.”