Sterfbed

“Wat was het mooiste moment van je leven, opa?” vroeg Jonas, terwijl ze om hem heen stonden.
Het uitgemergelde lichaam van de oude man ging bijna verloren in het grote ziekenhuisbed. Met zijn vaalgrijze ogen doorzocht hij bijna een eeuw aan herinneringen en er verscheen een blos op zijn gerimpelde wangen. “Je oma was het mooiste meisje dat ik ooit gezien had,” sprak hij, amper hoorbaar. “Een engel op aarde.” Hij haalde langzaam en diep adem. “We waren voor het eerst samen op vakantie. We stonden op een berg die uitzicht bood over half Frankrijk.”
Op dat moment schoot hij in een onbedaarlijke hoestbui. Een verpleegster snelde te hulp.
“Opa heeft rust nodig, Jonas.” José maakte aanstalten tussen haar zoon en het bed te stappen, om de zuster te helpen. Haar vader te helpen.
De oude man herstelde zich en hief zijn knokige hand. “Het is wel goed.” Hij raspte zijn keel en mijmerde verder. “Margje – je oma – maakte haar blonde, golvende haar los en kwam voor me staan. Ik verdronk in haar blauwe ogen. ‘Met jou wil ik heel oud worden, Albert,’ zei ze. Vanaf dat moment was ik de gelukkigste man van de wereld.”
De stilte in de ziekenhuiskamer was voelbaar.
“En nu mag ik weer naar haar toe.”

Raar

“Hebben opa’s en oma’s ook een papa en een mama?” vroeg ik toen ik nog een broekie was.
“Nee,” zei mijn opa met een strak gezicht. “Opa’s en oma’s worden door een ezel achter de dijk gescheten.”
“Dat is toch raar?”
Opa keek me aan alsof hij water zag branden. “Weet je wat raar is? Het woordje ‘raar’. Zeg dat maar eens twintig keer achter elkaar. Dát is raar.”
Raar schijnt een generatie over te slaan. Ik ben blij dat ik een rare opa had. Het lijkt me raar om gewoon te zijn.