De techniek staat (er) voor niets

Mijn plaatselijke supermarkt heeft een muntgeldautomaat bij de kassa: aan de bovenkant gaat muntgeld erin en aan de onderkant komt het eruit. Omdat ik altijd met plastic betaal heb ik nooit langer dan vijf seconden stilgestaan bij de functie – of het nut – van deze contraptie. Is dit nu een geldtelmachine, een muntjesreiniger of is het klinkende munt brakende ding een poging van de supermarktketen om in dit dorp op zondag leven in de brouwerij te brengen?
Ondanks dat er nog zelden harde valuta door mijn handen gaat, is mijn portemonnee als gevolg van een wonderbaarlijke muntvermenigvuldiging gezwollen tot onpraktische proporties.
Eenmaal bij de kassa krijg ik een epifanie: zou dit apparaat mij de verlossing kunnen brengen waarnaar ik zo naarstig op zoek ben? Mag ik eindelijk begrijpen waarom deze schepping op aarde is gezet? Hoopvol en opgelucht neem ik bij het afrekenen van mijn boodschappen afscheid van het kleingeld dat zo lang mijn kontzak heeft geteisterd. Het leven heeft weer zin. Mijn portemonnee is dunner, past weer achterin mijn strakke jeans. Zou technologie dan toch ons leven aangenamer kunnen maken?
Als ik het eindbedrag wil pinnen, klinkt het RATEL, RATEL–DE–RATEL. Als een grote, smalende grimas presenteert het bakje van de automaat mij het muntgeld waarvan ik dacht te zijn verlost. Tot op de stuiver. Lekker puh.

Ik staar naar de handvol munten; gooi ik onder luid gegodver de nog geen anderhalve euro aan messing en koper zo ver mogelijk de winkel in of stop ik het terug waar het vandaan komt? Gelaten druip ik af met dezelfde bult in mijn achterzak als waar ik mee binnenkwam. Nog steeds weet ik niet waar het apparaat voor dient.
Ik kijk nog even om; ik zou zweren dat het ding zijn tong naar me uitstak.

Advertenties