Afscheid

Hij moest wennen aan de nieuwe situatie, het kostte hem veel moeite haar te vinden. Maar hij kon nog niet weg.
Suzanne stond op de brug in het stadspark, het plekje waar hij haar voor het eerst had gekust. Ze staarde over het water, met vochtige ogen en een foto van hem in haar hand. “Ik mis je, Rob.”
“Ik ben niet weg, Suus,” fluisterde hij. “Ik ben bij je.”
Haar snikken stopte.
“Het doet zo ontzettend veel pijn.”
“Dat weet ik, lieverd. Maar denk je eens in: jij en ik hebben meer liefgehad dan anderen in een heel leven. Daar kunnen we wel drie levens lang op teren.”
Het verdriet in haar ogen begon plaats te maken voor berusting.
“Ga verder met je leven, Suus. Ik laat je gaan, laat mij dan ook gaan. We zien elkaar terug.”
Suzanne veegde een traan weg, rechtte haar rug en liep het park uit. Achter haar dwarrelde de foto de brug af en werd meegenomen door het water.
Rob vertrok via een andere brug.

Advertenties

Loterij

“Sinds jaar en dag koop ik loten. Vroeger hele loten, maar nu eenvijfde. Het moet natuurlijk wel leuk blijven. En ja, ik win wel eens wat. Soms een eigen geldje, soms iets meer. Zo werkt dat met een loterij. Je moet het gevoel houden dat je kans maakt op die grote klapper. Maar dat is slechts voor een enkeling weggelegd. Ik ben niet in de wieg gelegd voor miljonair.”
“En hoe is het met de liefde?”
Het was even stil.
“Ik koop geen loten meer.”

Afspraakje

“En, hoe ging je date?”
“We hadden een tafeltje voor twee bemachtigd op het dakterras van De Witte Duif, met een magnifiek uitzicht over het havengebied. Alles was perfect: het eten, de sfeer… en zij. Het leek alsof ze zo was weggelopen van de Oscar-uitreikingen. Bij het kaarslicht kreeg haar blanke huid een warme, zijdezachte gloed. Ik heb amper iets van de haven gezien. We hadden niet alleen hetzelfde gevoel voor humor, maar ook spiritueel bevonden we ons op hetzelfde niveau. Een zeldzame ervaring.”
“En verder?”
“Ik bracht haar thuis en ze vroeg me binnen. We dronken een heerlijke Chardonnay op de bank en terwijl de kamer zich vulde met de geur van Patchoeli wierook zag ik hoe de vlammen van de open haard dansten in haar reebruine ogen. ‘The eyes are the windows of the soul’ is geen loze frase, het is waar. Zij keek in mijn ziel en ik in de hare.”
Er viel een korte stilte.
“Ze wilde dat ik bleef slapen. Voor ik het wist lagen we naakt tegen elkaar aan, voelden we elkaars lichaamswarmte. Intimiteit in zijn puurste vorm, ontdaan van al het materiële. Kwetsbaar, maar van een onbeschrijflijke schoonheid.”
“En toen? Wat gebeurde er toen?”
“Ik probeer het nog te bevatten. Ineens verscheen er een blik in haar ogen…”
“Van overgave?”
“Geen idee. Maar voor ik het wist werd ik betast, kreeg ik last van onvrijwillige zwellingen en was het onhandig friemelen, zweten, plakken en knoeien. Ik was zo bekaf dat ik in slaap ben gevallen in een besmeurd bed.”
“Bah.”
“Mensen hebben een vreemde opvatting van liefde en romantiek. Wat een knoeiboel was dat. Ik zal blij zijn als onze observatie van deze soort voltooid is en ik weer terug in mijn eigen lijf thuis op Proxima Yuri zit.”

Eindelijk thuis

Mijn bijdrage aan de Editio Debutantenschrijfwedstrijd 2017-2018.
Stemmen op dit verhaal (graag) kan HIER.

“Hebben ze jou niet verteld dat het gevaarlijk is om te appen tijdens het oversteken?” zei Albert terwijl hij met zijn collega en een dertigtal voetgangers de drukke uitvalsweg overstak.
Edwin keek even op van zijn telefoon om te kijken of hij nog in de goede richting liep. “Ik heb toch nog niemand omver gelopen?”
Plotseling stopte hij.
“Hebben ze jou niet verteld dat het gevaarlijk is om midden op straat stil te staan?” zei Albert.
Edwin sloeg tegen zijn voorhoofd. “Ik ben vergeten de resultaten van de Brugman-account op de mail te zetten. Die moeten ze morgenochtend om acht uur hebben.”
“En nu?” Albert bleef naast hem staan. Geïrriteerde voetgangers werkten zich langs hen.
“Ik ga nog even terug. Het kantoor is nog wel een half uurtje open.” Edwin verdween in de tegemoetkomende stroom voetgangers.
Albert vervolgde zijn weg. Toen klonk het piepen van banden op asfalt, gevolgd door een doffe klap. Geschrokken keek hij om en zag hoe een menigte zich begon te verzamelen rond de plaats van het ongeval. Tumult ontstond rond de onthutste bestuurder die zijn auto uit kwam. Beschuldigingen en constateringen vlogen over en weer.
“Het licht stond nota bene op rood.”
“Die auto kwam uit het niets. En hij reed veel te hard.”
“Hoe is het met hem?”
“Volgens mij is hij bewusteloos. Of dood. Zo’n klap kan toch niemand overleven?”
De schrik sloeg Albert om het hart. Het besef dat zijn collega en vriend voortijdig uit het leven was weggerukt benam hem de adem. En toen hij aan de overkant van de straat, voorbij de menigte, Edwins rossige krullen zag, voelde hij een misplaatste opluchting; zijn vriend was ongedeerd, maar er was onder zijn neus wel iemand anders het slachtoffer geworden van een aanrijding. Zijn gedachten gingen alle kanten op. Wat nu als hij zelf op dat moment op die plaats was geweest? Dat híj nu zwaar gewond op het asfalt lag? Of erger…
Hij moest naar huis, bijkomen van de schrik. Hij moest Marry geruststellen dat hij ongedeerd was. Zichzelf geruststellen. Hier kon hij toch niets betekenen, hij zou alleen maar in de weg lopen. En hij voelde zich niet goed. Het hele voorval had hem zo aangegrepen dat hij er duizelig van was.
Thuisgekomen liet hij zijn tas in de gang vallen en schuifelde de kamer in, waar hij zich, met zijn jas nog aan, op de bank liet zakken. Hij keek op de klok. Marry zou zo thuiskomen, ze was met Janine op stap geweest.
Albert wist niet meer hoelang hij had zitten piekeren, toen hij werd opgeschrikt door de bel.
Op dat moment kwam Marry via de achterdeur de keuken binnen. “Ik doe wel open,” riep ze het huis in.
Ze opende de deur en hij hoorde Edwins stem. Even was het stil, maar toen Marry in een onbedaarlijk, hartverscheurend snikken uitbarstte, drong de afschuwelijke waarheid tot Albert door. Veel tijd om het onvermijdelijke te accepteren kreeg hij niet; terwijl hij werd overspoeld door gevoelens van sereniteit en berusting verschenen ze om hem heen: oom Bert, die twaalf jaar geleden was gestorven, zijn oudere broer Evert, die aan een slopende ziekte bezweek toen Albert zeven was, en zelfs zijn opa en oma, die al zo lang dood waren dat hij bijna vergeten was hoe ze er uit zagen.
Terwijl ze hem verwelkomden met hun liefdevolle energie en geruststelden met het vertrouwde gevoel van hun aanwezigheid, begon hij zijn grip te verliezen op de wereld die hij eigenlijk al verlaten had.
Alleen zijn liefde voor Marry stond een volledige transitie in de weg; hij kon haar niet zomaar in de steek laten. Maar hij had haar wereld al verlaten, er was geen weg terug. Ze was sterk genoeg om er mee te leren leven en wanneer ook haar tijd gekomen was, zou hij haar terugzien. Dan kon hij haar verwelkomen, geruststellen en omringen met de oneindige liefde die hij nu voelde.

Niet als in de film

Sinds ze de film ‘From Here to Eternity’ hadden gezien, stond het bovenaan hun romantische verlanglijstje: de liefde bedrijven in de branding.
De laatste dagjesmensen verlieten het naakstrand, eindelijk waren ze alleen. Met hun naakte lijven dicht bij elkaar lagen ze op het plaid en fluisterden elkaar ‘sweet nothings’ toe in het licht van de dalende zon. Geholpen door de meegebrachte liflafjes en gekoelde Prosecco kwamen ze al gauw in de stemming. Hand in hand liepen ze naar de waterlijn.

Dat was eens, maar nooit meer. Het zoute water dat zijn maag vulde had de smaak van Prosecco al gauw verdrongen en nadat de krab hem in zijn scrotum had gegrepen kon hij dagenlang niet zitten. Zij had de schelpafdrukken nog dagenlang in haar onderrug staan en liep lange tijd rond met een schrale doos van het zand dat hij bij haar binnen had gebracht.
De volgende keer nemen ze de lift.

Science fiction

Omdat mijn verblijf op de planeet Relatie niet meer gewenst is, besluit ik weer een kijkje te nemen op Venus. Ik ben er wel eens eerder geweest, heel lang geleden. Daar leven bevallige schepsels die zelfs de meest evenwichtige man met een enkel woord, gebaar of glimlach het hoofd op hol kunnen brengen. Die je in een staat van euforie weten te brengen zodat je jezelf dingen ziet doen die je niet voor mogelijk hield. Een ervaring die ik op mijn laatste planeet al lang niet meer heb gehad.
Bijna was ik vergeten hoe gevoelig mijn instrumenten zijn voor de valse signalen die van deze planeet komen, hoe gevaarlijk een wereld als deze kan zijn voor een naïeve sukkelaar als ik.
Gelukkig slaag ik er in mijn koers aan te passen voordat de aantrekkingskracht van deze verraderlijke planeet me in haar greep krijgt. Ik wil immers niet nogmaals landen in het Moeras der Teleurstellingen of het Sleurgebergte, verdwalen in de grotten van Betutteling of op de eindeloze vlakte van de Burgerlijkheid.

Ik vlieg solo verder. Er komt vast wel iets spannends op mijn pad, zelfs in de uitgestrekte ruimte die voor me ligt. Misschien leidt mijn op goed geluk ingelegde koers mij wel naar de planeet waar volgens de overlevering wezens leven als op Venus, maar met eerlijke, ondubbelzinnige bedoelingen. Een planeet waarvan wordt beweerd dat de steden welluidende namen dragen zoals Kameraadschap, Oprechtheid, Optimisme en Vrijheid.

NGC6960 witches broom

Ik maak een tussenstop bij ruimtestation Jupiter om mijn hormonen te laten neutraliseren om onderweg geen last te hebben van stoorsignalen. Omdat niemand de exacte locatie van de mythische planeet kent is het raadzaam om in hibernatie te gaan voor de mogelijk lange reis, maar ik doe het niet. Ik wil niet mijn halve leven wegslapen als er zo veel te ontdekken is. De planeet is niet mijn doel, maar de reis.
Ik wil de ongerepte schoonheid van de kosmos beleven. Genieten van de ruimte, van de duizenden sterren die als hoopgevende lichtjes aan het uitspansel staan en van de kleurrijke planeten en gasnevels. Planeten bezoeken waarvan de atmosfeer aangenaam genoeg is om er enige tijd te willen vertoeven.

En wie weet wip ik onderweg naar dit hemelse lichaam nog even aan bij de planeet Onenightstand. Maar die zal zich waarschijnlijk ook niet in mijn deel van het universum bevinden.