Limbo

Ik lig uitgeteld op bed, na een lange, enerverende werkweek. Mijn ogen voelen zwaar, ik wil het hele weekend slapen.
Dan voel ik haar hand langs mijn been. Het matras zakt in onder haar gewicht als ze op de rand van het bed gaat zitten. Ze legt haar hand op mijn borst en buigt over me heen. Ik voel de warmte van haar gezicht en ruik haar parfum als ze niemendalletjes in mijn oor fluistert. Mijn hart maakt een vreugdesprongetje. De energie die ze uitstraalt verkwikt, mijn vermoeidheid maakt plaats voor verlangen. Ik voel weer dat ik leef. Ik sla mijn armen om haar heen, ze rolt over me naar de lege plek. Ik begraaf mijn gezicht in haar haar.

Ik word wakker naast een onbeslapen plek. Ik pak mijn telefoon: het is zaterdagmiddag, vier uur. Ik hijs me in mijn kamerjas en slippers en zit even later met mijn koffie en croissant aan de eettafel, zoals ik al duizend keer deed.
Haar urn staat al acht jaar op dezelfde plek en ik mis haar nog elke dag, maar ik ben doodongelukkig omdat ze mij niet los kan laten.

Oom Roel

Een kerstverhaal, geschreven naar aanleiding van een opdracht in de Facebookgroep ‘Korte Verhalen en Gedichten’: schrijf een verhaal van maximaal 700 woorden, over een kerstdiner en een geheim. Het verhaal liet zich echter niet vangen in 700 woorden.

“Dag, meneer de Gier.”
“Jezus.”
“Bijna goed. Ik ben het, Roel.”
Edwin riep de gang in. “Hé Rian, raadt eens wie er op de stoep staat. Mijn broertje.”
“Hij blijft toch wel eten?” klonk vanuit de keuken. “Ik heb toch weer teveel gemaakt.”
“Je vindt het toch niet erg dat ik op eerste Kerstdag onaangekondigd op je stoep sta?” zei Roel.
“Natuurlijk niet, man. Kom binnen.”
Ze liepen de woonkamer in. “Hé jongens, kijk eens wat ik op de stoep gevonden heb.”
“Oom Roel!” Remco en Fleur sprongen op en verwelkomden hem met een dikke knuffel.

Met zijn zilver-met-paarse versiering schitterde de blauwspar op een prominente plaats in de woonkamer en de geur van zijn groen vermengde zich met het aroma van wildbraad, stoofperen en andere kleurige gerechten die de kersttafel sierden.
De kinderen hingen aan Roels lippen terwijl hij verhaalde over de landen waar hij als freelance journalist geweest was: Ivoorkust, Nicaragua, Jemen.
“Jij komt op plaatsen waar mensen nog nooit van gehoord hebben,” zei Edwin.
“Ach, het brengt brood op de plank,” zei Roel. “En het is beter dan vakken vullen bij de buurtsuper.” Met zijn wijnglas in zijn hand wees hij naar zijn broer. “Maar jij beleeft het mooiste avontuur.”
“Ik?” Verbaasd rechtte Edwin zijn rug.
“Het is helemaal niet zo vanzelfsprekend dat je in één mensenleven je zielsverwant al vindt. Veel mensen nemen genoegen met een zeven, omdat ze een solitair bestaan niet aan kunnen. Maar jullie…” vervolgde hij, terwijl hij van Edwin naar Rianne wees, “zijn star crossed souls. Dat voel ik. En daarom hebben jullie zulke mooie kinderen.” Roel zakte achterover in zijn stoel en gaf de kinderen een gulle knipoog.
“Je gaat toch niet sentimenteel worden, hè?” zei Edwin.
“Ik prijs me gelukkig dat ik even bij je gezin mag horen.” Roel hief zijn glas en nam een slok Merlot.

“Je kan blijven slapen, hoor,”zei Edwin, met de deurknop in zijn hand. “Geen probleem.”
“Nee, ik moet weer weg. ‘Roeland, de razende reporter’, hè?”
“Pas goed op jezelf,” zei Edwin met een vermanende wijsvinger.
Roel gaf een knipoog, maakte een pistoolgebaar met wijsvinger en duim en verdween in de nacht.
Toen de kinderen naar bed waren voegde Rianne zich bij Edwin in de keuken. Hij staarde met een lege blik voor zich uit en zijn armen hingen loom langs zijn lichaam. Zijn telefoon plofte op de grond.
“Wat is er?”
“Ik moet naar het ziekenhuis. Roel is dood.” Hij keek haar ontredderd aan. “Hij is vanmorgen vroeg overleden.”

Rond de receptiebalie hing een sfeer van dagelijkse bedrijvigheid. Niemand leek Edwins aanwezigheid op te merken, op één vrouw na.
“Meneer de Gier?” Ze stak haar hand uit. “Ik ben Alma Janssen. U had mij aan de telefoon.”
“O, ja.” Verdoofd schudde hij haar hand.
Ze nam hem mee naar een klein kantoor. “Wilt u iets drinken? Koffie, of een glas water?”
“Nee. Het gaat wel. Wat is er gebeurd?”
“Uw broer is overleden aan de gevolgen van een onbekend virus dat hij in het buitenland heeft opgedaan.”
“Een virus?“
“Hij heeft geen pijn geleden.”
“Maar hoe kan hij vanochtend zijn overleden?” Edwin begreep hoe absurd het zou klinken als hij haar probeerde uit te leggen wat hij zelf niet eens begreep.
“Ik begrijp uw verwarring. Dat is heel normaal in zo’n situatie. Wilt u hem nog zien?”
“Ja,” hoorde hij zichzelf zeggen.
“Ik heb nog met uw broer gesproken voor hij stierf,” zei Alma, terwijl ze door de ziekenhuisgangen liepen. “Het was heel opmerkelijk. Veel mensen zijn bang voor de dood, vechten ertegen, maar hij niet. Hij vond dat hij een mooi leven had gehad.”
“Ja, dat klinkt wel als mijn broer.”
“Er was maar één ding dat hij heel graag had willen meemaken.”
“Wat was dat?”
“Deel uitmaken van een liefdevol gezin.”
Het mortuarium was een ruimte die was ingericht op functionaliteit: roestvrijstalen tafels en opbergkasten, tegelwerk en afvoergoten voor zaken waar men liever niet aan wilde denken. In het bleekwitte tl-licht stond een ontleedtafel waarop een lichaam onder een laken lag: Roel.
Edwin had dit tafereel gezien in misdaadseries, maar had nooit verwacht er zelf mee geconfronteerd te worden. De geur van formaldehyde prikkelde zijn neus en teisterde zijn maag terwijl hij schoorvoetend naar de tafel liep.
Naast de tafel wachtte een magere man in een groene labjas. Een type dat Roel gekscherend ‘Magere Hein’ zou hebben genoemd.
Edwin voelde zich zo leeg als het omhulsel dat voor hem lag; de essentie van wat zijn broer was, was al verdwenen. Er restte slechts een tevreden, bijna geruststellende glimlach om de bleke lippen. Het is goed zo.

Afscheid

Hij moest wennen aan de nieuwe situatie, het kostte hem veel moeite haar te vinden. Maar hij kon nog niet weg.
Suzanne stond op de brug in het stadspark, het plekje waar hij haar voor het eerst had gekust. Ze staarde over het water, met vochtige ogen en een foto van hem in haar hand. “Ik mis je, Rob.”
“Ik ben niet weg, Suus,” fluisterde hij. “Ik ben bij je.”
Haar snikken stopte.
“Het doet zo ontzettend veel pijn.”
“Dat weet ik, lieverd. Maar denk je eens in: jij en ik hebben meer liefgehad dan anderen in een heel leven. Daar kunnen we wel drie levens lang op teren.”
Het verdriet in haar ogen begon plaats te maken voor berusting.
“Ga verder met je leven, Suus. Ik laat je gaan, laat mij dan ook gaan. We zien elkaar terug.”
Suzanne veegde een traan weg, rechtte haar rug en liep het park uit. Achter haar dwarrelde de foto de brug af en werd meegenomen door het water.
Rob vertrok via een andere brug.

Afspraakje

“En, hoe ging je date?”
“We hadden een tafeltje voor twee bemachtigd op het dakterras van De Witte Duif, met een magnifiek uitzicht over het havengebied. Alles was perfect: het eten, de sfeer… en zij. Het leek alsof ze zo was weggelopen van de Oscar-uitreikingen. Bij het kaarslicht kreeg haar blanke huid een warme, zijdezachte gloed. Ik heb amper iets van de haven gezien. We hadden niet alleen hetzelfde gevoel voor humor, maar ook spiritueel bevonden we ons op hetzelfde niveau. Een zeldzame ervaring.”
“En verder?”
“Ik bracht haar thuis en ze vroeg me binnen. We dronken een heerlijke Chardonnay op de bank en terwijl de kamer zich vulde met de geur van Patchoeli wierook zag ik hoe de vlammen van de open haard dansten in haar reebruine ogen. ‘The eyes are the windows of the soul’ is geen loze frase, het is waar. Zij keek in mijn ziel en ik in de hare.”
Er viel een korte stilte.
“Ze wilde dat ik bleef slapen. Voor ik het wist lagen we naakt tegen elkaar aan, voelden we elkaars lichaamswarmte. Intimiteit in zijn puurste vorm, ontdaan van al het materiële. Kwetsbaar, maar van een onbeschrijflijke schoonheid.”
“En toen? Wat gebeurde er toen?”
“Ik probeer het nog te bevatten. Ineens verscheen er een blik in haar ogen…”
“Van overgave?”
“Geen idee. Maar voor ik het wist werd ik betast, kreeg ik last van onvrijwillige zwellingen en was het onhandig friemelen, zweten, plakken en knoeien. Ik was zo bekaf dat ik in slaap ben gevallen in een besmeurd bed.”
“Bah.”
“Mensen hebben een vreemde opvatting van liefde en romantiek. Wat een knoeiboel was dat. Ik zal blij zijn als onze observatie van deze soort voltooid is en ik weer terug in mijn eigen lijf thuis op Proxima Yuri zit.”

Eindelijk thuis

Mijn bijdrage aan de Editio Debutantenschrijfwedstrijd 2017-2018.
Stemmen op dit verhaal (graag) kan HIER.

“Hebben ze jou niet verteld dat het gevaarlijk is om te appen tijdens het oversteken?” zei Albert terwijl hij met zijn collega en een dertigtal voetgangers de drukke uitvalsweg overstak.
Edwin keek even op van zijn telefoon om te kijken of hij nog in de goede richting liep. “Ik heb toch nog niemand omver gelopen?”
Plotseling stopte hij.
“Hebben ze jou niet verteld dat het gevaarlijk is om midden op straat stil te staan?” zei Albert.
Edwin sloeg tegen zijn voorhoofd. “Ik ben vergeten de resultaten van de Brugman-account op de mail te zetten. Die moeten ze morgenochtend om acht uur hebben.”
“En nu?” Albert bleef naast hem staan. Geïrriteerde voetgangers werkten zich langs hen.
“Ik ga nog even terug. Het kantoor is nog wel een half uurtje open.” Edwin verdween in de tegemoetkomende stroom voetgangers.
Albert vervolgde zijn weg. Toen klonk het piepen van banden op asfalt, gevolgd door een doffe klap. Geschrokken keek hij om en zag hoe een menigte zich begon te verzamelen rond de plaats van het ongeval. Tumult ontstond rond de onthutste bestuurder die zijn auto uit kwam. Beschuldigingen en constateringen vlogen over en weer.
“Het licht stond nota bene op rood.”
“Die auto kwam uit het niets. En hij reed veel te hard.”
“Hoe is het met hem?”
“Volgens mij is hij bewusteloos. Of dood. Zo’n klap kan toch niemand overleven?”
De schrik sloeg Albert om het hart. Het besef dat zijn collega en vriend voortijdig uit het leven was weggerukt benam hem de adem. En toen hij aan de overkant van de straat, voorbij de menigte, Edwins rossige krullen zag, voelde hij een misplaatste opluchting; zijn vriend was ongedeerd, maar er was onder zijn neus wel iemand anders het slachtoffer geworden van een aanrijding. Zijn gedachten gingen alle kanten op. Wat nu als hij zelf op dat moment op die plaats was geweest? Dat híj nu zwaar gewond op het asfalt lag? Of erger…
Hij moest naar huis, bijkomen van de schrik. Hij moest Marry geruststellen dat hij ongedeerd was. Zichzelf geruststellen. Hier kon hij toch niets betekenen, hij zou alleen maar in de weg lopen. En hij voelde zich niet goed. Het hele voorval had hem zo aangegrepen dat hij er duizelig van was.
Thuisgekomen liet hij zijn tas in de gang vallen en schuifelde de kamer in, waar hij zich, met zijn jas nog aan, op de bank liet zakken. Hij keek op de klok. Marry zou zo thuiskomen, ze was met Janine op stap geweest.
Albert wist niet meer hoelang hij had zitten piekeren, toen hij werd opgeschrikt door de bel.
Op dat moment kwam Marry via de achterdeur de keuken binnen. “Ik doe wel open,” riep ze het huis in.
Ze opende de deur en hij hoorde Edwins stem. Even was het stil, maar toen Marry in een onbedaarlijk, hartverscheurend snikken uitbarstte, drong de afschuwelijke waarheid tot Albert door. Veel tijd om het onvermijdelijke te accepteren kreeg hij niet; terwijl hij werd overspoeld door gevoelens van sereniteit en berusting verschenen ze om hem heen: oom Bert, die twaalf jaar geleden was gestorven, zijn oudere broer Evert, die aan een slopende ziekte bezweek toen Albert zeven was, en zelfs zijn opa en oma, die al zo lang dood waren dat hij bijna vergeten was hoe ze er uit zagen.
Terwijl ze hem verwelkomden met hun liefdevolle energie en geruststelden met het vertrouwde gevoel van hun aanwezigheid, begon hij zijn grip te verliezen op de wereld die hij eigenlijk al verlaten had.
Alleen zijn liefde voor Marry stond een volledige transitie in de weg; hij kon haar niet zomaar in de steek laten. Maar hij had haar wereld al verlaten, er was geen weg terug. Ze was sterk genoeg om er mee te leren leven en wanneer ook haar tijd gekomen was, zou hij haar terugzien. Dan kon hij haar verwelkomen, geruststellen en omringen met de oneindige liefde die hij nu voelde.

Niet als in de film

Sinds ze de film ‘From Here to Eternity’ hadden gezien, stond het bovenaan hun romantische verlanglijstje: de liefde bedrijven in de branding.
De laatste dagjesmensen verlieten het naakstrand, eindelijk waren ze alleen. Met hun naakte lijven dicht bij elkaar lagen ze op het plaid en fluisterden elkaar ‘sweet nothings’ toe in het licht van de dalende zon. Geholpen door de meegebrachte liflafjes en gekoelde Prosecco kwamen ze al gauw in de stemming. Hand in hand liepen ze naar de waterlijn.

Dat was eens, maar nooit meer. Het zoute water dat zijn maag vulde had de smaak van Prosecco al gauw verdrongen en nadat de krab hem in zijn scrotum had gegrepen kon hij dagenlang niet zitten. Zij had de schelpafdrukken nog dagenlang in haar onderrug staan en liep lange tijd rond met een schrale doos van het zand dat hij bij haar binnen had gebracht.
De volgende keer nemen ze de lift.