Oom Roel

Een kerstverhaal, geschreven naar aanleiding van een opdracht in de Facebookgroep ‘Korte Verhalen en Gedichten’: schrijf een verhaal van maximaal 700 woorden, over een kerstdiner en een geheim. Het verhaal liet zich echter niet vangen in 700 woorden.

“Dag, meneer de Gier.”
“Jezus.”
“Bijna goed. Ik ben het, Roel.”
Edwin riep de gang in. “Hé Rian, raadt eens wie er op de stoep staat. Mijn broertje.”
“Hij blijft toch wel eten?” klonk vanuit de keuken. “Ik heb toch weer teveel gemaakt.”
“Je vindt het toch niet erg dat ik op eerste Kerstdag onaangekondigd op je stoep sta?” zei Roel.
“Natuurlijk niet, man. Kom binnen.”
Ze liepen de woonkamer in. “Hé jongens, kijk eens wat ik op de stoep gevonden heb.”
“Oom Roel!” Remco en Fleur sprongen op en verwelkomden hem met een dikke knuffel.

Met zijn zilver-met-paarse versiering schitterde de blauwspar op een prominente plaats in de woonkamer en de geur van zijn groen vermengde zich met het aroma van wildbraad, stoofperen en andere kleurige gerechten die de kersttafel sierden.
De kinderen hingen aan Roels lippen terwijl hij verhaalde over de landen waar hij als freelance journalist geweest was: Ivoorkust, Nicaragua, Jemen.
“Jij komt op plaatsen waar mensen nog nooit van gehoord hebben,” zei Edwin.
“Ach, het brengt brood op de plank,” zei Roel. “En het is beter dan vakken vullen bij de buurtsuper.” Met zijn wijnglas in zijn hand wees hij naar zijn broer. “Maar jij beleeft het mooiste avontuur.”
“Ik?” Verbaasd rechtte Edwin zijn rug.
“Het is helemaal niet zo vanzelfsprekend dat je in één mensenleven je zielsverwant al vindt. Veel mensen nemen genoegen met een zeven, omdat ze een solitair bestaan niet aan kunnen. Maar jullie…” vervolgde hij, terwijl hij van Edwin naar Rianne wees, “zijn star crossed souls. Dat voel ik. En daarom hebben jullie zulke mooie kinderen.” Roel zakte achterover in zijn stoel en gaf de kinderen een gulle knipoog.
“Je gaat toch niet sentimenteel worden, hè?” zei Edwin.
“Ik prijs me gelukkig dat ik even bij je gezin mag horen.” Roel hief zijn glas en nam een slok Merlot.

“Je kan blijven slapen, hoor,”zei Edwin, met de deurknop in zijn hand. “Geen probleem.”
“Nee, ik moet weer weg. ‘Roeland, de razende reporter’, hè?”
“Pas goed op jezelf,” zei Edwin met een vermanende wijsvinger.
Roel gaf een knipoog, maakte een pistoolgebaar met wijsvinger en duim en verdween in de nacht.
Toen de kinderen naar bed waren voegde Rianne zich bij Edwin in de keuken. Hij staarde met een lege blik voor zich uit en zijn armen hingen loom langs zijn lichaam. Zijn telefoon plofte op de grond.
“Wat is er?”
“Ik moet naar het ziekenhuis. Roel is dood.” Hij keek haar ontredderd aan. “Hij is vanmorgen vroeg overleden.”

Rond de receptiebalie hing een sfeer van dagelijkse bedrijvigheid. Niemand leek Edwins aanwezigheid op te merken, op één vrouw na.
“Meneer de Gier?” Ze stak haar hand uit. “Ik ben Alma Janssen. U had mij aan de telefoon.”
“O, ja.” Verdoofd schudde hij haar hand.
Ze nam hem mee naar een klein kantoor. “Wilt u iets drinken? Koffie, of een glas water?”
“Nee. Het gaat wel. Wat is er gebeurd?”
“Uw broer is overleden aan de gevolgen van een onbekend virus dat hij in het buitenland heeft opgedaan.”
“Een virus?“
“Hij heeft geen pijn geleden.”
“Maar hoe kan hij vanochtend zijn overleden?” Edwin begreep hoe absurd het zou klinken als hij haar probeerde uit te leggen wat hij zelf niet eens begreep.
“Ik begrijp uw verwarring. Dat is heel normaal in zo’n situatie. Wilt u hem nog zien?”
“Ja,” hoorde hij zichzelf zeggen.
“Ik heb nog met uw broer gesproken voor hij stierf,” zei Alma, terwijl ze door de ziekenhuisgangen liepen. “Het was heel opmerkelijk. Veel mensen zijn bang voor de dood, vechten ertegen, maar hij niet. Hij vond dat hij een mooi leven had gehad.”
“Ja, dat klinkt wel als mijn broer.”
“Er was maar één ding dat hij heel graag had willen meemaken.”
“Wat was dat?”
“Deel uitmaken van een liefdevol gezin.”
Het mortuarium was een ruimte die was ingericht op functionaliteit: roestvrijstalen tafels en opbergkasten, tegelwerk en afvoergoten voor zaken waar men liever niet aan wilde denken. In het bleekwitte tl-licht stond een ontleedtafel waarop een lichaam onder een laken lag: Roel.
Edwin had dit tafereel gezien in misdaadseries, maar had nooit verwacht er zelf mee geconfronteerd te worden. De geur van formaldehyde prikkelde zijn neus en teisterde zijn maag terwijl hij schoorvoetend naar de tafel liep.
Naast de tafel wachtte een magere man in een groene labjas. Een type dat Roel gekscherend ‘Magere Hein’ zou hebben genoemd.
Edwin voelde zich zo leeg als het omhulsel dat voor hem lag; de essentie van wat zijn broer was, was al verdwenen. Er restte slechts een tevreden, bijna geruststellende glimlach om de bleke lippen. Het is goed zo.

Advertenties