Lotte

Geen ouder zou zijn eigen kind moeten overleven.
Op de kleine kist staat een portretfoto van Lotte, een guit van zes met sproeten en rossige krullen. Naast de foto ligt, tussen de bloemstukjes, haar favoriete knuffel Otsie, een roze pluchen neushoorn. Door de luidsprekers van de aula klinkt haar lievelingsmuziek: de wrange, misplaatste vrolijkheid van K3 kan de sfeer niet verlichten.

De zon gluurt door het kleurige bladerdak en zet de omgeving in een warme herfstgloed als de familieleden en vrienden zich snikkend verzamelen rond het graf. Lotte’s ouders hebben de afgelopen dagen genoeg tranen gelaten.
“Kijk eens,” fluistert Marian als ze tegen Peter aan leunt.
Op een tak boven het open graf is een roodborstje gaan zitten. Het laat zich niet afschrikken door de grafrede van de geestelijke, noch door familie en vrienden die langs het graf schuifelen, waarbij ze elk een bloem op de kist leggen en een afscheidswoordje prevelen.
Pas als de kist in het graf verdwenen is, vliegt het roodborstje weg.
Marian kijkt het beestje na. “Daar gaat ze, mijn lieve schat.”

Advertenties