Het nieuwe bedelen

Op zaterdag wordt het meest strategische punt van de oude winkelstraat ingenomen door de orgeldraaier die het winkelende publiek trakteert op een riedeltje Hazes, Conny Vandenbos of ander oubollig jolijt.
Aan weerszijden van het draaiorgel blokkeren de orgelmannen de doorloop; er is geen ontkomen aan hun rammelende koperen centenbakje.
“Sorry, maar ik heb geen contant geld bij me,” verontschuldig ik me voor mijn gierigheid. “Het pin-tijdperk, hé?”
Het voelt als een geldige smoes, dus kan ik de beste man zonder enig schuldgevoel achter me laten.
Later kom ik een zwerver tegen. Althans, hij ziet er uit als een zwerver: sjofele kleren, ongewassen tronie, onverzorgde haardracht. Maar onder de viezigheid zit een vriendelijk gezicht. Ik gun hem het voordeel van de twijfel en hoor hem aan. In drie minuten vertelt hij me zijn verhaal, zonder omwegen, zonder onnodig drama. Hij is dakloos en platzak en wil van mij een kleine bijdrage.
Met iets meer tegenzin dan bij de orgeldraaier beroep ik mij op hetzelfde excuus. “Sorry, maar ik heb geen contant geld bij me.”
“O, maar dat is geen probleem.” Met een nonchalant gebaar tovert de man een pin-automaat tevoorschijn die er uit ziet alsof ie beter tussen het huisvuil had kunnen blijven liggen.
Ik geef me gewonnen en met een licht opkomende smetvrees pin ik middels de vieze toetsen een paar euro naar zijn bankrekening. Uiteindelijk heeft hij het verdiend. Vanwege zijn vindingrijkheid. Vanwege zijn voorsprong op de orgeldraaier.

Advertenties