Corona

De anders zo gezapige volksbuurt zag eruit als een terreurzone: afzetlint, dranghekken, politie-auto’s, ambulances en mannen in hermetisch gesloten beschermingspakken die bij het huisje van de oude vrijgezel rondliepen.
“Zo erg als dit heb ik het nog niet meegemaakt,” hijgde David vanuit zijn plastic cocon. “Niet in Nederland.” Het zweet parelde op zijn voorhoofd.
Robert spiedde om zich heen. “Ik doe deze wel alleen.”
“Dat is een schending van het protocol, idioot.”
I won’t tell if you won’t tell. Wacht jij hier, ik hoef alleen naar de keuken op en neer. En het is niet alsof het huis in lichterlaaie staat.”
Minuten leken uren terwijl David wachtte op Roberts terugkeer. Toen hij weer naar buiten kwam hield hij in één hand een ontbijtbord met daarop een nauwelijks herkenbare, met groenwit dons bedekte boterham en in de andere hand een halfvol flesje verschaald Mexicaans bier. “Het is erger dan ik dacht,” zei hij verslagen, terwijl hij het flesje langzaam leeg liet lopen. “Zwaar over de datum.”