Mensenvriend

Zaterdag is bouwmarktdag. Ook voor mij. Naast mij op het parkeerterrein stopt een grote grijze SUV. Het is hetzelfde bakbeest dat eerder die ochtend twee keer achter elkaar probeerde mij van de weg te drukken, mijn lichtsignalen en claxonneren negerend.
De bestuurder stapt uit, negeert mij nogmaals en verdwijnt in de bouwmarkt. Op de achterbank staat een Rottweiler. Het monster kijkt me vervaarlijk aan en begint te blaffen. Kwijl spat op het raam.
Ik ben niet bang voor het beest; ik werp het de vernietigende blik toe die voor zijn baas bedoeld was. Het kalf reageert onmiddellijk: het zet zijn enorme poten met harde nagels tegen het glas en gromt zijn hoektanden bloot.
Ik zie het interieur van de auto en word blij van al dat fraaie leer. Ik daag de Rottweiler uit, voorbijgangers verklaren mij voor gek. Uitzinnig van woede laat het monster zich gewillig door de auto jagen terwijl ik er met een boog omheen loop. De SUV staat te schudden op zijn enorme wielen. Ik zie het tafereel even geamuseerd aan en loop zelfingenomen de bouwmarkt in. Ik ben geen hondenliefhebber, maar vandaag even wel.

Advertenties

Innamegesprek

De man posteert zich achter de computer, zijn vingers zweven boven het toetsenbord. ‘Hoe zei u dat uw naam was?’
‘Jansen,’ antwoordt de kandidaat. ‘Maar dat is ie nog steeds.’
Vingers ratelen er op los. ‘Meneerrr Janse…’
‘Jansen. Met een n. Janse is de arme tak van de familie.’ Hij glimlacht zelfvoldaan. ‘Hoe was uw naam ook alweer?’
‘Janssens. Maar dat is ie nog steeds.’ Zijn gezicht glijdt in een grijns van oor tot oor.

Daphne

(met dank aan Elka Le Mair voor de inspiratie)

Het was lang geleden dat het rond middernacht zo zwoel was in haar achtertuintje. Een nauwelijks verkoelend briesje stak op en speelde teder met haar haar. Daphnes hart glimlachte van herkenning. Was het de roes van de wijn die haar verbeelding op hol bracht, of het boek dat ze net weglegde?
Zachtjes speelde de wind met haar rok, deed deze opbollen. Ze wilde meespelen. Een kriebel plaagde haar onderbuik; vol overgave liet ze hem toe.
Het was alsof ze hem hoorde fluisteren. “Je bent te lang alleen, Daphne…”

Lullo’s date

Onvast stond Boudewijn in zijn Santoni’s voor ‘De Hipster’. Nuchter zou hij zo’n tent nooit betreden, maar Ilse wilde per se hier afspreken en hij was nu eenmaal knetterverliefd op haar. Vastberaden koerste hij op de bar af, zette zich op een kruk en stelde in het halfdonker zijn blik scherp op zijn Patek Philippe: hij was tien minuten te vroeg. Tijd genoeg om zich meer moed in te drinken. Hij kwakte zijn Bentley-sleutels op de bar en wenkte naar de barkeeper met grootvaderbaard en grootmoederknotje. “Hé, Piggelmee! Schuif de menukaart eens deze kant op, ik wil eens kijken of er wat vloeibaars te kanen valt in dit omgewaaide kippenhok. Ik word een beetje verdrietig van die macrobiotische herrie die hier uit de speakers loopt en van verdriet krijg ik dorst.”
De drankkaart had net zo goed in Sanskriet geschreven kunnen zijn, want het enige dat hij wist te ontcijferen was glutenvrij bier, Basmatiwijn en heel veel 0,0%…
“Hé, tuinkabouter,” wenkte hij de man achter de bar. “Doe mij iets met minstens twintig procent erin.”
De man keek hem schaapachtig aan.
“Alcohol,” benadrukte Boudewijn. “Pretwater. Chop, chop.”
De groene drab die hem werd voorgezet leek op een als smoothie vermomde cocktail, maar had een verrassende ‘bite’. Iets té verrassend, maar godzijdank voor zijn Armani zat hij pal naast de toiletten.
Toen hij twintig minuten later terug bij zijn kruk kwam, zag hij op zijn horloge dat hij een week te vroeg was.
Maar hij had in geen tijden zo goed gekotst.

Toeval

Ik loop door de buurtsuper. Bij de groente staat een vrouw van bijna klassieke schoonheid met sluik, donker haar. In haar mandje heeft ze een brood en een fles rode wijn.
Een andere vrouw spreekt haar aan. “Hallo, Maria. Hoe is het met je zoon?”
“Hij groeit als kool,” antwoordt Maria.
Ik wil geen luistervink spelen, maar vang flarden op van een doorsnee moeder-tot-moeder-gesprek.
Onwillekeurig volg ik Maria op haar route door de supermarkt; ik moet dezelfde kant op. Ik zie dat ze een blauwe fles bronwater pakt. Geamuseerd associeer ik Maria met water en wijn en doe het af als een grappig toeval.
Bij de kassa staat ze voor me.
“Hoe is het met uw man? “ vraagt de caissière haar.
“Goed. Jozef heeft eindelijk weer werk.”
Nu valt mijn mond bijna open van verbazing. “Wat doet uw man voor werk, als ik vragen mag?”
“Hij is timmerman.” Onverstoorbaar rekent ze haar boodschappen af.
“Dat is mooi.” Ik probeer mijn verbazing te verbergen. “Er is gelukkig weer vraag naar ambachtslui.”
“Ja, gelukkig wel.” Maria lacht me beleefd toe en doet haar boodschappen in een grote tas. De wijnfles glipt uit haar hand en klettert op de tegelvloer. Ze kijkt naar de ravage, naar de wijnvlekken op haar kleren en vloekt als een bootwerker.
Ik ben weer terug op aarde.

Vergeten groep

“Ik ben opgegroeid in een warm nest. Mijn moeder cijferde zichzelf weg om ons een onbezorgde jeugd te geven en mijn vader werkte lange dagen om ervoor te zorgen dat het ons aan niets ontbrak. En tussendoor maakten ze altijd tijd om ons te laten merken dat ze van ons hielden. Ik ben nooit gepest, niet seksueel misbruikt, hoef niet uit de kast te komen en heb zelfs nog nooit een burn-out gehad. Er is dus geen enkele praatgroep waar ik terecht kan.”
“Dus, wat is nu je probleem?”
“Dat ik geen problemen heb.”

Einde

Hij lag op bed, zij lag in peignoir in zijn armen. Hij onderdrukte de pijn van zijn artrose; haar laatste momenten moesten draaglijk zijn.
Buiten op de gang ging het leven door.
Met haar grijsblauwe ogen staarde ze hem aan. “Weet je nog, ons eerste afspraakje? Je keek me diep in mijn ogen en zei…”
“Trouw met me, baar mijn kinderen en laat me in je armen sterven.”
“En je meende het.“
“Nou en of.”
“Het leven heeft een raar gevoel voor humor.” Met een laatste, nauwelijks hoorbare zucht sloot ze haar ogen.