Groeten uit…

Mylène haalt de brievenbus leeg. “Aha, een kaartje van Anton.”
“Is hij zonder jou op vakantie?” vraag ik me hardop af.
Ze haalt gelaten haar schouders op. “Een personeelsuitje. Daar mogen de partners niet bij zijn.”
“Wat doet hij eigenlijk voor werk?”
“Hij werkt voor de AIVD,” fluistert ze, terwijl ze schichtig om zich heen kijkt. “Meer mag ik niet zeggen.”
Ik pak de ansichtkaart van haar aan. Op de voorzijde prijkt een exotische, voluptueuze strand-pinup. Ik draai de kaart om en lees de achterkant: ‘H3t w33r is h!3r g3w3ld!g. @@nv@nk3l!jk een bu!tj3, maar v3rd3r v0l0p z0n. L!3fs, @nt0n.’

Advertenties

Drie maal scheepsrecht

Na lange tijd contact via WhatsApp gingen ze elkaar eindelijk ontmoeten. De eerste twee keer had ze op het laatste ogenblik afgehaakt, maar hij gaf de moed niet op. Hij was bereid zich met heel zijn hart in dit romantische avontuur te storten; openheid was de enige manier om het tot iets moois te laten komen.
Ze zouden naar het strand gaan en er blijven tot de zonsondergang, wat op een lange zomeravond betekende dat hij alle tijd had om haar het hof te maken. Niets liet hij aan het toeval over: hij had de koelbox gevuld met Prosecco en diverse uitgelezen hapjes en had zelfs windbestendige terraskaarsen klaarstaan.
Opnieuw appte ze hem met een excuus, dat hij niet meer wilde geloven. Ze had hem nu een keer teveel op zijn hart getrapt. Zonder haar appje te beantwoorden wiste hij haar uit zijn telefoon en blokkeerde haar. Hij besloot zijn met moeite verkregen vrije dag niet door haar te laten verpesten en ging alleen naar het strand.
Bevrijd van de perikelen van wederom een doodgeboren relatie, kreeg zijn schrijfinspiratie weer vrij spel. Mobiel bereik was nihil, dus zijn social media verslaving moest wachten. Onder een strakblauwe hemel speelde een zilte wind met het papier van zijn blocnote. Begeleid door vrolijk krijsende meeuwen schreef hij, onder het genot van een gekoelde Prosecco en sesamcrackers met roomkaas, zijn beste verhaal in tijden. En meer dan ooit besefte hij de zin van zijn vrije bestaan.

De opa-app

“Hé, opa,” hoor ik mijn dochter door de kamer roepen. “Heb je een nieuwe telefoon?”
Ik kijk op en zie mijn ouweheer zowaar met een smartphone in zijn handen zitten. En geen kleintje ook.
“Wat is dat nu, pa?” reageer ik verwonderd. “Ik dacht dat jij een hekel had aan moderne techniek?”
“Je moeder had mijn oude toestelletje met de witte was mee gewassen, dus ik moest wel een nieuwe kopen,” legt hij uit. “Maar de jongeman in de winkel wist precies wat ik wilde. Hij noemde het de opa-app, of zoiets.”
“De opa-app?” nieuwsgierig pak ik het toestel uit zijn handen en staar tot mijn verbazing naar een virtuele Nokia 3310, maar dan een grotere versie. “Ha!” lach ik verrast.
Op dat moment begint het ding te piepen; verrast door de schelle, monofone beltoon met onuitroeibaar Nokia-deuntje laat ik het toestel bijna uit mijn handen vallen. Ik zie ‘Danielle’ in het kleurloze schermpje verschijnen en aan de andere kant van de kamer heeft mijn dochter de grootste schik.
“En wat doe je nu met internet, pa?”
“Hoe bedoel je, internet?”

Rampdag

Hij schrikt wakker en zit meteen rechtop in bed: hij heeft de wekker niet gehoord.
In zestien jaar tijd is hij nog nooit te laat op zijn werk gekomen en heeft dus naar zichzelf een reputatie hoog te houden. Gedreven door plichtsbesef kleedt hij zich gehaast aan en propt een ontbijt naar binnen.
In een poging een nieuw record ‘verloren tijd inhalen’ te vestigen stoort hij zich nu eens niet aan verschillende sokken, stoppels of slechte adem. Hij werkt immers niet op een advocatenkantoor.
Het is akelig stil buiten, de zon komt net op en er hangt een vermoeden van mist in de straat. Nog een beetje duizelig twijfelt hij of hij misschien nog in bed ligt en post-apocalyptische dromen droomt.
De eerste meevaller van de dag – de bus die hem met geopende deur opwacht – kan zijn unheimliches gefuhl nog niet wegnemen. Hij stapt in.
“U bent vroeg uit de veren op deze zondagmorgen,” zegt de buschauffeur vriendelijk.
Hij staart de lege bus in. “Kut.”

Afscheid

Hij moest wennen aan de nieuwe situatie, het kostte hem veel moeite haar te vinden. Maar hij kon nog niet weg.
Suzanne stond op de brug in het stadspark, het plekje waar hij haar voor het eerst had gekust. Ze staarde over het water, met vochtige ogen en een foto van hem in haar hand. “Ik mis je, Rob.”
“Ik ben niet weg, Suus,” fluisterde hij. “Ik ben bij je.”
Haar snikken stopte.
“Het doet zo ontzettend veel pijn.”
“Dat weet ik, lieverd. Maar denk je eens in: jij en ik hebben meer liefgehad dan anderen in een heel leven. Daar kunnen we wel drie levens lang op teren.”
Het verdriet in haar ogen begon plaats te maken voor berusting.
“Ga verder met je leven, Suus. Ik laat je gaan, laat mij dan ook gaan. We zien elkaar terug.”
Suzanne veegde een traan weg, rechtte haar rug en liep het park uit. Achter haar dwarrelde de foto de brug af en werd meegenomen door het water.
Rob vertrok via een andere brug.