Was sich liebt…

Hij staat in de badkamer en krabt aan zijn onderrug. Jeuk is geen onaangenaam gevoel en de verlossende actie van zijn nagels is zo mogelijk nog prettiger.
“Sta je al weer te krabben?” hoort hij haar in gedachten zeggen. “Ga er toch mee naar de dokter.”
“Mens, praat me toch geen ziekte aan,” antwoordt hij steevast.

Dit keer blijft het stil in de badkamer.
Hij mist haar.

Advertenties

*seks niet gewenst

Ik heb een zware werkweek achter de rug. Ik doe mijn t-shirt en sokken uit en ga op bed liggen. Terwijl mijn ogen twijfelen of ze open willen blijven kom jij de slaapkamer binnen. Zonder iets te zeggen kruip je lepeltje-lepeltje tegen me aan en legt je arm over me heen. Onze handen vinden elkaar, vingers strengelen ineen. Ik ruik je, je adem speelt langs mijn oor. Ik hoef je niet te zien, ik voel je.

Levensbehoefte

André stormt binnen, klapt zijn laptop open op tafel en hangt zijn jas over de stoel. Hij ploft neer en trommelt met zijn vingers op het tafelblad. “Kom op…”
“Wat is er met hem?” zegt Frits. “Hij lijkt wel verslaafd of zo.”
Onno denkt na. “Ja, zo zou je het wel kunnen noemen.”
“Is ie gameverslaafd, sociale media, of gewoon computerverslaafd?”
“Eerder Word-verslaafd.”
“Hoe bedoel je?”
“Hij is schrijver. Als hij niet op tijd iets van zich af kan schrijven krijgt hij last van literaire obstipatie.”
“Nou, en? Wat dan nog?”
“Dan ontploft zijn cerebellum creativum.”
“Gatver.”

Het einde van de weg

Ik zit op de achterste rij in de aula. Familieleden en vrienden, verstopt achter hun verdriet, lopen langs zonder mij op te merken. Uit de luidsprekers klinkt ‘Take the long way home’ van Supertramp. Betekent het nummer iets voor me, of herken ik het slechts van de radio? Op de kist staat de obligate portretfoto. Ik herken hem, maar zijn naam wil niet op het puntje van mijn tong landen.
De aula is niet eens halfvol, maar de verslagenheid is groot. Het gemis is tastbaar. Wie op zoveel liefde kan bogen, moet een gelukkig mens zijn en heeft geen onafgemaakte zaken.
Ik ken alle aanwezigen, al ben ik sommige namen vergeten. Ik zie oom Stefan en ik zie de tweeling, Sonja en… Sylvia. Hun onwetendheid is hun zegen.
Ik voel me een buitenstaander omdat ik niet het verdriet kan voelen dat de anderen voelen. Toch moet ik de piëteit opbrengen om deze afscheidsdienst uit te zitten.

Ik schuifel achter de anderen aan over het grindpad. Een schamele herfstzon kleurt het bladerdek in schakeringen van geel, rood en bruin; het is een perfecte dag voor een afscheid. Als er al zoiets bestaat.
Bij het graf prevelt de geestelijke een gebed en na een stilte, slechts doorbroken door vogels die geen besef hebben van verdriet, schuifelen de aanwezigen langs de kist voor een persoonlijk afscheid. Als laatste nemen drie tieners in tranen afscheid van de kist en heel even steekt een intense pijn door mijn hart.
Dan wordt er aan me getrokken. Mijn geheugen klaart op en alles valt op zijn plaats. De kist die langzaam in de grond verdwijnt is mijn afscheid van het aardse bestaan, mijn vertreksignaal. Het is goed zo.

Het interview

Ik hoef mijn opdrachtgever niet te smeken om dit interview te mogen doen. Gerard Tetteroo, de man die Tetteroo Vastgoed groot heeft gemaakt en zich na zijn ongeval als succesvol schrijver heeft ontpopt, wil voor mij een uitzondering maken.
Dit interview wordt mijn Mount Everest, mijn Broadway-debuut. Mijn eidetisch geheugen geeft me een voorsprong op andere journalisten: zonder blocnote of memorecorder neemt men je eerder in vertrouwen. En dat brengt me op plaatsen waar mijn concullega’s niet komen.

Als ik via de als bosweg vermomde oprijlaan op de achterkant van het landhuis aanrijd, heb ik niet de indruk dat ik me op de Utrechtse Heuvelrug bevind: alles is even vlak als bij mij in de straat. Ik laat mezelf binnen via de zij-ingang en tref Gerard Tetteroo in de enorme, landelijk ingerichte keuken. Hij is een fit ogende, goed geklede bijna-vijftiger, niets aan zijn uiterlijk verraadt de noodzaak zich in een rolstoel te verplaatsen.
“Aha, Thomas Naber, de integere journalist. Als er al zoiets bestaat.”
“Gerard Tetteroo, grootindustrieel en succesvol schrijver,” kaats ik terug.
“Houd het maar op schrijver, dat andere was in mijn vorige leven.” Hij rolt behendig om het kookeiland heen en reikt me zijn pezige hand. “Kon je het makkelijk vinden?”.
Een weinig inspirerende openingszin van een man met zijn reputatie, maar ik schud zijn hand en speel het beleefdheidsspelletje mee. “Niet echt. Met name de laatste kilometers was mijn navigatiesysteem het spoor bijster.”
“Mooi zo.” Hij glimlacht tevreden. “Kom verder.” Hij rijdt voor me uit door een gang waar dertien-in-een-dozijn ‘Aangeboden door het personeel’–plaquettes hangen. Het is alsof hij ogen in zijn rug heeft: “Relikwieën uit het verleden. Ik moest die troep ergens laten.”
Even later sta ik midden in de woonkamer. Sinatra klinkt zacht uit de luidsprekers. Vóór mij strekt een groen dal zich kilometers in de verte uit.
“Een mens zou kunnen wennen aan zo’n uitzicht,” zeg ik met gespeelde nuchterheid.
“Een mens kan blasé doen over veel dingen, maar niet over zo’n uitzicht. Het is nederigmakend.”
“Nederigmakend. Dat was het woord waar ik naar zocht.”
“Je weet dat ik niet van journalisten houd, maar jouw werk is anders. Daarom ben je hier. Toch had je hier niet gestaan als ik niet eerst je antecedenten had nagetrokken.” Hij wijst naar de bar. “Doe mij een flinke Glenfiddich met ijs, en neem zelf ook wat lekkers. Ik drink niet graag alleen.”
Ik schenk zijn glas halfvol, graai in de ijsemmer en verwen mezelf ook met de warmende gloed van de 26 jaar oude whisky.
Als ik hem zijn glas aanreik steekt hij van wal. “Toen ik nog directeur was van Tetteroo Vastgoed, genoot ik aanzien van mijn werknemers en zakenrelaties. Maar dat was een bijwerking. Ze bogen als knipmessen omdat ik macht had.”
“Klinkt logisch.” Ik laat me in het leer zakken, nip van het fruitige bouquet en neem het uitzicht in mij op; dit moet een van de mooiste woonlocaties in Nederland zijn.
“We krijgen niet door het leven toebedeeld wat we niet aan kunnen.”
“Hoe bedoel je?”
“Ik zag je wel kijken naar mijn rolstoel.”
“Dat is een normale reactie, toch? Als je peentjeshaar had gehad, had het me ook moeite gekost dat te negeren.”
Hij neemt een slok van zijn whisky alsof het appelsap is en staart met me mee naar buiten. “Dit is mijn nieuwe leven. In mijn vorige leven deed ik waar andere mensen alleen maar van dromen: catamaranzeilen rond Liberty Island, deltavliegen langs de Victoria watervallen, bungeejumpen van de Millau-brug.”
“Mag je daar vanaf springen, dan?” vraag ik me hardop af.
“Als je genoeg geld meebrengt, mag je alles. Het is overigens wel een hele mooie plek om je leven te beëindigen.”
“Maar jij hebt het overleefd.”
“Ja en nee. Mijn oude leven hield daar op.”
When I was thirty-five, it was a very good year…‘ doorbreekt Frank de stilte.
“Ik zie het niet als een straf, maar als een teken van boven. Het Universum vond blijkbaar dat ik aan een nieuwe uitdaging toe was.”
“Het universum?”
“Noem het hoe je wilt. God, Allah, De Grote Baas. Iemand besloot dat dit moest gebeuren.”
“Ik wist niet dat je een religieuze inslag had.”
“Het begint te komen.” Hij staart in zijn glas. “Gandhi had gelijk, weet je dat?”
“Gandhi?”
“Je kan iemand ketenen, martelen, kreupelen, zijn lichaam afnemen, maar zijn geest kan je niet opsluiten.”
“Ik geloof dat ik je even niet kan volgen.”
“Als industriemagnaat heb ik veel van de wereld gezien, maar vanuit mijn rolstoel zie ik veel meer. De verbeeldingskracht van een schrijver is namelijk grenzenloos. Als ik dat wil, bezoek ik andere tijden, andere werelden. Andere dimensies.” Hij kijkt me aan en even zie ik de dromer in hem. “Weet je, Thomas. Ze zeggen wel eens ‘the sky is the limit’, maar wie dat zegt, is geen schrijver.”
Dan schiet hij weer in zijn rol. “Bovendien is de beloning voor een schrijver hoger. Ik heb respect van mijn lezers. Ik inspireer ze, meer dan ik mijn personeel ooit heb geïnspireerd.” Hij pauzeert even. “Ik zou bijna zeggen dat die dwarslaesie het beste is dat me is overkomen.”
Ik zie de reden van zijn plotselinge zakelijke houding: de vrouw die binnenkomt begint medicijnen te rangschikken op de dichtstbijzijnde tafel.
“Wilma. Mijn kwelgeest, mijn folteraar. Mijn demon.”
“Ja, ik hou ook van jou, lieverd.”
Gerard kijkt me gelaten aan. “Dit is waar mijn avonturen me gebracht hebben: drie maal daags een zetpil. Dus daar is het gat van de deur, meneer de journalist. Maak er een mooi artikel van. Break a leg.”
“Nee, bedankt. Ik ben nog niet klaar met dit leven.”
Ik begeef me naar de achterdeur, Gerard rijdt een stukje met me mee. Ik stap naar buiten, de deur nog in mijn hand.
“Thomas?”
Ik draai me om.
“Wees geen vreemde. Je weet nu waar ik woon.”

Jij en ik

Let op: dit verhaaltje kan erotische fragmenten bevatten. Als ik het goed heb gedaan.

De lucht is bezwangerd van wierook, onze wijnglazen zijn leeg, ‘Put your love in me’ van Hot Chocolate klinkt zacht uit de speakers. Je BH bungelt aan de TV, je slipje is zoek. De rest van je kleren liggen met die van mij om ons heen op de bank.
Je schudt speels met je blonde krullen terwijl je over me heen klimt. Je zoekende hand leidt mijn gezwollen mannelijkheid naar je erogene epicentrum. Ik zie een lichte blos op je wangen. De ondeugende schittering in je blauwe ogen verandert in een blik van overgave; als je over me heen glijdt, laat je een nauwelijks hoorbare zucht ontsnappen. Je zet je handen tegen mijn borstkas, ik voel me op en top man.
Met elke vezel van mijn lijf wil ik jouw lichaam begeren. Ervan genieten, zoals ik jou wil laten genieten van elke aanraking de handen die de welving volgen van je rug, je flanken volgen. Zelden hebben ze iets delicaters mogen ervaren dan jouw zachte, warme huid. In een vederlichte verkenningstocht laat ik mijn vingertoppen de vrije loop; ik voel de rilling die door je heen gaat. Mijn handen dwalen verder af, langs de rondingen van je billen, je dijen.
Je laat je hoofd achterover zakken en kromt je rug. Ik volg de spieren in je hals en bekijk de welvingen die jou vrouw maken; je tepels reiken fier ten hemel. Je bent mijn Venus.
Ik wil dit moment eeuwig laten duren: langzaam laat ik mijn handen langs je buik omhoog glijden, tot ze eindelijk je borsten vinden. Ik voel je harde tepels in mijn handpalmen en neem ze plagend tussen vinger en duim…

De claxon van de auto achter me haalt me uit mijn droom, de file begint op te lossen. Je laatste steelse blik over je schouder verdwijnt tussen je blond krullende haar zoals jouw auto tussen de rest van het blik verdwijnt.
‘Hey, you’re just too funky for me…’ klinkt George Michael door de auto.

Bestemming

De ‘Orinoco’ is het eerste ruimteschip dat is uitgerust met technologie die interstellaire reizen mogelijk maakt. Onze reis is een stoutmoedige: volgens de wetenschappers die thuis veilig achter hun computer zitten is een reis door een wormgat niet alleen ‘veilig’ bevonden, maar ook noodzakelijk om onze reis met vele lichtjaren te verkorten. Maar tijd is een raar ding, zeker in een anomalie. Voor deze stunt moeten we decennia inleveren. Al onze dierbaren zullen dood zijn tegen de tijd dat we thuiskomen.
Het doel van onze reis is een planeet aan de andere kant van een wormgat. Een planeet waar intelligent leven aanwezig is, als we de data van de verkenningssondes juist hebben geïnterpreteerd.
De duizelingen en droge mond van de maandenlange hyperslaap zijn nog niet verdwenen als Shannah, een van de antropologen, me komt halen. “We zijn er.” Ze doet geen moeite haar enthousiasme te verbergen.
Ik voeg me bij de anderen op de brug. In gespannen afwachting zien we hoe de stormluiken van de brugvensters wegdraaien. De brug is onze ereloge bij de voorstelling onder regie van het universum. In de eindeloos zwarte oceaan hangt een blauwwitte parel, omgeven door een lichtblauw aura: een atmosfeer. Het is een bijna exacte kopie van onze thuiswereld.
De stilte van bewondering is bijna voelbaar.
“Hoe zei je dat deze planeet heette?” fluister ik Shannah toe.
“Aarde.”