Katinka

Een voorzichtig zonnetje verdrijft de ochtendkou. De kermis in de stad is nog niet op gang, het carillon doet zijn best de sfeer in de winkelstraat op gang te brengen. Ik zit bij een tafeltje aan mijn cappuccino en gun een brutale duif kruimels van mijn homp appeltaart. Het leven is goed.
Ik hoor hakken en draai mijn hoofd. De gelijkenis en het leeftijdsverschil zijn duidelijk: dit zijn moeder en dochter. Dochter loopt op laarsjes met verhoogde hak, moeder niet. Dochter doet moeite onverschillig te kijken, moeder niet. Dochter kijkt me voorbij, moeder niet.
Ik zing in mijn hoofd. “Hakjes tik tak op de stoep. Korte rok, met nauwe coupe. En haar blik verraadt geen nee of ja, daarom zingen alle jongens haar verlangend na: kleine kokette Katinka…”
Moeder kijkt om, ik vang nogmaals haar blik.
Ze is niet klein, niet koket, maar even is zij mijn Katinka.

Advertenties

Klaar

Met verzamelde moed en kracht duwde hij de punt van het gekartelde vleesmes tussen zijn ribben. De pijn die zijn borstkas vulde, stond niet in verhouding tot het overweldigende gevoel van opluchting dat hij weldra van alles verlost zou zijn. Verlost van een hoofd vol onrust, van een liefdeloos leven, van een lijf dat nooit had of was bemind.
Vastberaden dreef hij het mes in zijn verdorde hart, een hart waarin hij nooit een vrouw had toegelaten, een hart dat geen ware liefde had gekend.
Hij zeeg ineen op de stoel en met een laatste krachtsinspanning trok hij het mes uit de wond, zodat zijn bloed vrij kon stromen. Als een ultieme aderlating nam het bloed al zijn ellende en liefdeloosheid mee. Eindelijk was hij gelukkig.

Beveiliging 1.0

Bij het horen van ‘mergelgrotten’ denk ik onherroepelijk terug aan mijn jeugd: vakanties in Limburg met de familie, bezoekjes aan okergele, door mensenhanden uitgehouwen ondergrondse ruimtes nabij Valkenburg. Nooit had ik kunnen vermoeden dat deze plek het belangrijkste archief van de Nederlandse overheid huisvestte. En nu mag ik een bezoek brengen aan dit zwaar beveiligde object.

(bron foto: berglopen.bbits.be)

Er is een verrassend eenvoudige, korte procedure aan voorafgegaan, al heeft men vooraf ongetwijfeld mijn volledige digitale doopceel gelicht.
“Waarom hebben jullie mij als schrijver gevraagd om jullie beveiliging te beoordelen en waarom geen kenner van beveiligingssystemen?” wil ik weten.
“Omdat zelfs de beste beveiligingsspecialist beperkt is in zijn gedachtengang. Jij niet. Jij hebt het vermogen om out of the box te denken als geen ander. Jouw fantasie is voor ons van grotere waarde dan de vakkennis een beveiligingsman.”
In het geblindeerde busje, op weg naar de locatie, krijg ik aanvullende instructies. Er is geen gewapende escorte; voor de buitenwereld moet dit bezoek vooral informaliteit, routine en dus saaiheid uitstralen. Na tien minuten hobbelen komt het busje tot stilstand en schuift de zijdeur open. Ik verlaat het voertuig met de man die ik inmiddels ken als Robert en omdat we in het landschap staan, begrijp ik de muskusrattenbeheer-opdruk op het voertuig. Ook is het me duidelijk waarom ik werd geïnstrueerd om in ‘werkkleding’ te komen: een functionaris in maatpak met aktentas bij de ingang van een grot doet vragen rijzen, trekt aandacht.
De ingang is een eenvoudig hek met een ketting en hangslot; elke vorm van technologie is ver te zoeken. Robert sluit het hek achter ons en gaat me voor naar een stalen wenteltrap die ons tien meter lager brengt. “Weet je wat de zwakste plek is in elk beveiligingssysteem?” galmt zijn stem tussen het krijtgesteente. “Automatisering. Computers. Elk systeem dat op het internet is aangesloten is te hacken. Van Amsterdam tot Hong Kong. En dus moet je het op grote schaal beveiligen. Een autonoom, lokaal systeem zoals dit is makkelijker te controleren.” Hij loopt verder, zijn stem sterft weg. “Nou ja, makkelijker…”
“Maar kunnen we nog wel zonder computergestuurde systemen?” vraag ik me hardop af. “Het analoge tijdperk ligt nu toch echt wel achter ons.”
Zijn stilte is veelzeggend, maakt me nieuwsgierig. Hij draait zijn hoofd, kijkt me even aan. “Je zal er van staan te kijken hoever een beetje vindingrijkheid reikt. Low tech is hier het toverwoord.”
“Low tech?” papegaai ik.
“Geduld.”
We komen in een ruimte met aan weerszijden gestapelde plateaus met champignons.
Ik probeer Robert te ontdooien met wat humor. “Een bijverdienste voor de overheid, paddo’s kweken?”
Roberts gezicht glijdt bijna uit en meteen weer in de plooi. “Met een temperatuur van twaalf graden en een hoge vochtigheidsgraad zijn deze grotten uitermate geschikt voor het kweken van champignons. De kwekers huren de ruimte van ons voor een habbekrats en hebben dus geen reden tot klagen. Ze komen hier niet vaak en helpen ons nieuwsgierigen weg te houden zonder te beseffen dat ze dat voor ons doen.”
We volgen enkele gangen en lopen een ruimte in van twintig meter hoog. Ik verwonder me over de schoonheid van de kalkstenen zaal. Het is een inspirerende omgeving voor een schrijver; ik waan me in een scene uit ‘Raiders of the Lost Ark’.
Robert oreert verder. Zijn zakelijke uitleg is ongetwijfeld het resultaat van jarenlang bureaucratisch werk in een overheidscultuur. Hij zwaait met zijn arm in de rondte. “750 kilometer gangen. De kans dat iemand de ingang van ons complex vindt is klein. Zeer klein.”
Ik geef mijn ogen de kost. “Ik zie nog steeds geen camera’s.”
“Opmerkzaam.”
“Tja, je hebt me niet uitgenodigd vanwege mijn mooie blauwe ogen.”
“Camera’s wekken de indruk dat je iets te verbergen hebt.”
Deze gedachtengang wil ik onthouden. Ik kan hem vast nog eens in een verhaal gebruiken.
“Het is een flinke wandel,” merk ik op.
“Het is maar hoe je het bekijkt.” Zijn gezicht ontspant even. “Half Nederland zit elke werkdag twee keer een uur opgesloten in een stuk blik onderweg naar het werk. Hier heb je een wandeling van een half uur in een inspirerende omgeving. En het scheelt je een bezoek aan de sportschool.”
We komen bij een kleine doorgang die is afgesloten met een enkele ketting, waaraan een bordje bungelt: ‘afgesloten wegens instortingsgevaar’.
Robert maakt de ketting los en we staan voor een groot, donker gat. Over dat gat loopt een verroeste loopbrug die zijn beste tijd gehad heeft. Hij bemerkt mijn aarzeling. “Niet alles is wat het lijkt in dit oord.” Zelfverzekerd zet hij zijn eerste stappen op de brug. Deze geeft geen krimp. “Deze brug is gebouwd door decorspecialisten die ook Efteling-attracties hebben ontworpen. En voordat je het vraagt: hij is ergens anders gebouwd en hierheen getransporteerd.”
De brug voelt solide genoeg. Aan de andere kant staan we voor een ijzeren deur. Robert steekt een grote baardsleutel in het oude slot. Low tech is het toverwoord.
Het laatste dat ik op deze plek verwacht is een middelgroot, dertien-in-een-dozijn administratiekantoor. Met behulp van planten, reproducties aan de wanden en een pantry met een zithoek is geprobeerd een aangename werkomgeving te creëren, maar de lichtende panelen aan de wand zijn een mager surrogaat voor de ontbrekende ramen.
“Dit is onze buffer met de buitenwereld,” zegt Robert. “Deze mensen zijn onze firewall.”
Op verzoek van de vrouw bij de balie schrijf ik mij in op de bezoekerslijst en terwijl ik het pasje om mijn hals hang, zie ik de telefoontoestellen op de bureaus. “Dat is vast geen IP-telefonie,” concludeer ik.
Robert volgt mijn blik. “Analoge telefoonlijnen. Vallen nooit uit, zijn niet te hacken en ongevoelig voor virussen. En makkelijk te controleren.” Hij kijkt me samenzwerend aan. “We willen wel enige controle houden over wat in ons deel van de wereld gebeurt.”
Hij loopt naar de spreekpost naast de lift. “En de verbinding met beneden is een autonoom, analoog intercomsysteem.” Hij kondigt onze komst aan.
Ik raak bijna gedesoriënteerd door de duizelingwekkende versnelling van de dalende lift. De rit duurt kort, maar mijn gevoel zegt me dat we ons diep onder de grond bevinden als de liftdeuren opengaan.
“Welkom in ons domein.”
Ik loop naar de sierlijk vormgegeven gietijzeren balustrade en begrijp waarom: ik bevind me op de bovenste van acht verdiepingen, elk vier meter hoog. De galerijen reiken ver de kalkstenen gewelven in. Op elke verdieping zie ik verrijdbare archiefkasten in het gelid staan, met grote, sierlijke handwielen aan de kopkant. Hier en daar bevindt zich een ijzeren wenteltrap die de galerijen met elkaar verbindt. Aan het dak van deze ondergrondse kathedraal hangen enorme, Victoriaanse armaturen, die een bijna sfeervol geelwit licht verspreiden.
In de verte hoor ik muziek. Het klinkt als David Bowie’s ‘Undergound’, maar het kan ook zijn dat deze inspirerende plek mijn verbeelding op hol doet slaan.
Ik ben hier met een reden. Ik zet mijn verbeeldingskracht op een lager pitje en imiteer Robert’s zakelijke houding. “Een papieren archief.”
“Al vanaf het prille begin.”
Terwijl ik verwonderd de verte in staar, voel ik zijn afwachtende blik in mijn richting. “Vraag maar raak.”
“Wat voor brandblussysteem gebruiken jullie hier? Vast geen sprinklerinstallatie.”
“En alles nat laten worden, zeker.” Hij wijst naar vreemd ogende sproeikoppen. “Het gebruik van Halon als blusgas is flink teruggedrongen, omdat het de ozonlaag aantast, maar wij mogen het nog tot 2040 blijven gebruiken. Daarna…”
“…hebben jullie een probleem.”
“Al was het maar omdat er tegen die tijd geen technicus meer te vinden is die een dergelijke installatie kan onderhouden.” Hij recht zijn rug en vervolgt zijn uitleg. “De enige echt geavanceerde installatie die we hier hebben is een bewaakt klimaatsysteem dat de luchtvochtigheid en temperatuur reguleert.”
“Het lijkt erop dat jullie niets aan het toeval hebben overgelaten.”
“Je gaat me toch niet vertellen dat we onze beveiliging voor niets in gevaar hebben gebracht door jou hier binnen te laten?”
Ik hef een bezwerende vinger. “Dat is precies wat jullie over het hoofd hebben gezien,” concludeer ik, met tegenzin. “Wat nu als ík dit uit laat lekken?”
“Dan moeten we je natuurlijk vermoorden.” Robert vertrekt geen spier en even twijfel ik of me zorgen moet maken of dat ik getuige ben van een uitzonderlijk gevoel voor humor.
Dan schiet Robert in de lach en slaat amicaal zijn arm om me heen. “Je begrijpt het niet, hé? Dat is het mooiste van alles: wie gelooft nu zoiets van een schrijver van fantasieverhalen?”

Groeten uit…

Mylène haalt de brievenbus leeg. “Aha, een kaartje van Anton.”
“Is hij zonder jou op vakantie?” vraag ik me hardop af.
Ze haalt gelaten haar schouders op. “Een personeelsuitje. Daar mogen de partners niet bij zijn.”
“Wat doet hij eigenlijk voor werk?”
“Hij werkt voor de AIVD,” fluistert ze, terwijl ze schichtig om zich heen kijkt. “Meer mag ik niet zeggen.”
Ik pak de ansichtkaart van haar aan. Op de voorzijde prijkt een exotische, voluptueuze strand-pinup. Ik draai de kaart om en lees de achterkant: ‘H3t w33r is h!3r g3w3ld!g. @@nv@nk3l!jk een bu!tj3, maar v3rd3r v0l0p z0n. L!3fs, @nt0n.’

Drie maal scheepsrecht

Na lange tijd contact via WhatsApp gingen ze elkaar eindelijk ontmoeten. De eerste twee keer had ze op het laatste ogenblik afgehaakt, maar hij gaf de moed niet op. Hij was bereid zich met heel zijn hart in dit romantische avontuur te storten; openheid was de enige manier om het tot iets moois te laten komen.
Ze zouden naar het strand gaan en er blijven tot de zonsondergang, wat op een lange zomeravond betekende dat hij alle tijd had om haar het hof te maken. Niets liet hij aan het toeval over: hij had de koelbox gevuld met Prosecco en diverse uitgelezen hapjes en had zelfs windbestendige terraskaarsen klaarstaan.
Opnieuw appte ze hem met een excuus, dat hij niet meer wilde geloven. Ze had hem nu een keer teveel op zijn hart getrapt. Zonder haar appje te beantwoorden wiste hij haar uit zijn telefoon en blokkeerde haar. Hij besloot zijn met moeite verkregen vrije dag niet door haar te laten verpesten en ging alleen naar het strand.
Bevrijd van de perikelen van wederom een doodgeboren relatie, kreeg zijn schrijfinspiratie weer vrij spel. Mobiel bereik was nihil, dus zijn social media verslaving moest wachten. Onder een strakblauwe hemel speelde een zilte wind met het papier van zijn blocnote. Begeleid door vrolijk krijsende meeuwen schreef hij, onder het genot van een gekoelde Prosecco en sesamcrackers met roomkaas, zijn beste verhaal in tijden. En meer dan ooit besefte hij de zin van zijn vrije bestaan.