Kutverhaaltje

“En, hoe was het op je werk, schat?”
“Een enorme kutdag,” antwoordt de porno-acteur.
“Da’s fijn voor je, lieverd.”

#

Advertenties

Afscheid

Hij moest wennen aan de nieuwe situatie, het kostte hem veel moeite haar te vinden. Maar hij kon nog niet weg.
Suzanne stond op de brug in het stadspark, het plekje waar hij haar voor het eerst had gekust. Ze staarde over het water, met vochtige ogen en een foto van hem in haar hand. “Ik mis je, Rob.”
“Ik ben niet weg, Suus,” fluisterde hij. “Ik ben bij je.”
Haar snikken stopte.
“Het doet zo ontzettend veel pijn.”
“Dat weet ik, lieverd. Maar denk je eens in: jij en ik hebben meer liefgehad dan anderen in een heel leven. Daar kunnen we wel drie levens lang op teren.”
Het verdriet in haar ogen begon plaats te maken voor berusting.
“Ga verder met je leven, Suus. Ik laat je gaan, laat mij dan ook gaan. We zien elkaar terug.”
Suzanne veegde een traan weg, rechtte haar rug en liep het park uit. Achter haar dwarrelde de foto de brug af en werd meegenomen door het water.
Rob vertrok via een andere brug.

Date of afspraakje?

“En, hoe ging je date? Vertel.”
“Als je nog eens wat weet. Daten met een oudere man.”
“Was het zo erg?”
“O, hij was wel attent en zo. En hij wist veel. Kon prachtige verhalen vertellen, alsof je er zelf bij was.”
“Dat klinkt niet verkeerd.”
“En hij gebruikte van die grappige woorden. Zoals ‘afspraakje’, ‘een brief sturen’, ‘platenspeler’ en ‘telefoonboek’.”
“Wat ging er dan mis?”
“Hij dacht dat Dropbox een snoeptrommel was, podcast een serviesmeubel en dat streamen met cellulitis te maken had.”
“Tsss.”
“En hij gebruikte zelfs niet eens Tinder, Twitter, of Instagram. Hij was echt oud.”

Vrienden Plus

(een erotisch verhaal)

De begincredits van ‘Ghost’ trokken voorbij op het televisiescherm. Hij zat op de bank, wijn en hapjes stonden op tafel. Zij was in de weer met kaarsen en wierook.
“Wat doe je nu?”
“Gewoon, even gezellig maken.”
“De film begint, kom nu maar zitten. Maar niet te dichtbij, hè?”
“Nee meneer.” Ze stak nog net haar tong niet uit.

Terwijl aan de andere kant van de kamer de jukebox van Sam en Molly naar een nieuw 45-toerenplaatje zocht, zou hij zweren dat ze bij het verzitten dichterbij schoof. ‘Unchained Melody’ klonk als een belofte door de kamer. Zijn reactie peilend keek ze hem aan. Beiden wisten ze wat dit nummer inluidde. Althans, in de film.
“Is er iets?” Zijn mondhoeken gleden omhoog.
“Nee, niks.”
Begeleid door The Righteous Brothers kneedden Molly en Sam met ineengestrengelde vingers de natte pottenbakkersklei tot een mislukte vaas. ‘I’ve hungred for your touch…’
Ze legde haar hand op zijn dijbeen, als iemand die tijdens een gruwelijke horrorscène ongewild een ander begint te knijpen.
“Ik dacht dat we het vriendschappelijk zouden houden?” De opwinding begon zich meester van hem te maken. Ze was immers een begeerlijke vrouw en ze wilde hem. De sfeer deed de rest.
De passie die van het scherm spatte deed zijn werk; hij besloot er aan toe te geven. Zij was al verder. Veel verder. Ze legde haar hand op de bult in zijn broek. “Hm. Doet je niks, hè?”
Hij trok zijn wenkbrauwen op, in een mislukte poging tot onverschilligheid. Maar zijn hart ging tekeer als een gek.
In een mum van tijd had ze haar slipje onder haar rok vandaan gewerkt en zijn mannelijkheid uit zijn jeans bevrijd. En toen ze langzaam over hem heen schoof, bevrijdde ze een lange, bijna onhoorbare zucht. Ze keek hem vol overgave aan, haar vochtige lippen glimmend in het kaarslicht.
“Ik geloof dat we de film een andere keer maar af moeten kijken,” zei hij zwaarademig. “Eerst wil ik jou.”
“Dito,” glimlachte ze geforceerd.
Hij legde zijn handen tegen haar flanken, ging verzitten zodat hij nog verder in haar drong en drukte zijn mond op de hare.
‘I’ll be coming home, wait for me…’ echode door de kamer.

Het nieuwe bedelen

Op zaterdag wordt het meest strategische punt van de oude winkelstraat ingenomen door de orgeldraaier die het winkelende publiek trakteert op een riedeltje Hazes, Conny Vandenbos of ander oubollig jolijt.
Aan weerszijden van het draaiorgel blokkeren de orgelmannen de doorloop; er is geen ontkomen aan hun rammelende koperen centenbakje.
“Sorry, maar ik heb geen contant geld bij me,” verontschuldig ik me voor mijn gierigheid. “Het pin-tijdperk, hé?”
Het voelt als een geldige smoes, dus kan ik de beste man zonder enig schuldgevoel achter me laten.
Later kom ik een zwerver tegen. Althans, hij ziet er uit als een zwerver: sjofele kleren, ongewassen tronie, onverzorgde haardracht. Maar onder de viezigheid zit een vriendelijk gezicht. Ik gun hem het voordeel van de twijfel en hoor hem aan. In drie minuten vertelt hij me zijn verhaal, zonder omwegen, zonder onnodig drama. Hij is dakloos en platzak en wil van mij een kleine bijdrage.
Met iets meer tegenzin dan bij de orgeldraaier beroep ik mij op hetzelfde excuus. “Sorry, maar ik heb geen contant geld bij me.”
“O, maar dat is geen probleem.” Met een nonchalant gebaar tovert de man een pin-automaat tevoorschijn die er uit ziet alsof ie beter tussen het huisvuil had kunnen blijven liggen.
Ik geef me gewonnen en met een licht opkomende smetvrees pin ik middels de vieze toetsen een paar euro naar zijn bankrekening. Uiteindelijk heeft hij het verdiend. Vanwege zijn vindingrijkheid. Vanwege zijn voorsprong op de orgeldraaier.

Elevator pitch

Ik ben geen liefhebber van trendy Engelse kreten, zolang onze fraaie taal passende alternatieven te bieden heeft. In de schrijfwereld wordt ook royaal gestrooid met anglicismen, zoals young adult, chicklit en binge watching.
Maar ik probeer met mijn tijd mee te gaan. Zo vind ik ‘elevator pitch’ nu eenmaal leuker klinken dan ‘een beknopte liftpresentatie’. Een elevator pitch is namelijk een samenvatting van je boek in 1 á 2 minuten, zoals je deze zou vertellen aan iemand die je in de lift ontmoet.

Mijn elevator pitch gaat als volgt:

‘Paul Bastiaansens Fantastische Verhalen is een verzameling fantasieverhalen. Verhalen over gewone mensen, die iets onverklaarbaars meemaken. Iets buitenaards, of iets bovenaards. Iets groots, of iets heel kleins. Tijdreizen, leven na de dood, hypnose, reïncarnatie. Fantastische Verhalen dus. Verhalen van en voor de fantasie.’

Oom Held

Toen ik klein was, was oom Bert mijn held. Hij was nooit chagrijnig, altijd in voor een grapje. We waren kameraden in zotheid. Hij wist me altijd op te vrolijken, hoe rot ik me ook voelde.
Toen ik ouder werd, begon zijn voetstuk af te brokkelen. Ik begon me zelfs te ergeren aan zijn onverwoestbaar humoristische inslag. Niemand kon helemaal zonder zorgen zijn zoals oom Bert de wereld dat deed geloven. Ik begon zijn permanent kolderieke houding te zien als een façade waarachter hij zich verschool; hij durfde nooit zichzelf te zijn. Ik voelde me bedrogen omdat hij anderen – maar vooral mij – altijd buitengesloten had gehouden van zijn ware ik.
Na zijn dood vertelde mijn moeder de waarheid. Hoe haar broer als jochie in de oorlog door Duitsers was aangerand en hoe hij dit had weggestopt; vanaf dat moment was humor zijn wapen tegen het kwaad geworden. Hoe hij weigerde te scheiden van tante Trees, ondanks dat ze hem jarenlang kleineerde, geestelijk mishandelde. En zelfs aan het eind van zijn leven weigerde hij zijn levenslicht te laten dimmen door de kanker die hem te pakken had gekregen.
“Hij genoot zichtbaar van jullie momenten samen,” zei mijn moeder. “Dat was een van de dingen die hem op de been hielden.”

Mijn geloof in oom Bert is in ere hersteld. Zijn voetstuk is groter, mooier en onverwoestbaarder dan ooit tevoren.