Kort verhaal: Alles op zijn tijd

Het was amper licht toen Jan Brink met zijn vrachtpapieren het kantoor van het transportbedrijf verliet, op weg naar het parkeerterrein. Daar wachtte Bart de Wilde hem op. De jongen was het product van een eendentwintigste-eeuws levenspatroon: een knaap van amper twintig met een lichaamslengte die een halve eeuw eerder nog opzienbarend genoemd zou worden.
Het zou Jan’s laatste dag worden op de ‘acht’, zijn vertrouwde, maar afgeschreven vrachtwagencombinatie, die als laatste van het wagenpark aan vervanging toe was. Nu stond het oude ding met zijn houten laadbak en met zeil overtrokken huif nog als een vreemde eend in de bijt tussen de trucks die het vernieuwde karakter van het bedrijf moesten benadrukken.

SMIT & KRAMER – VAN FABRIEK TOT HUISKAMER

luidde de nieuwe reclameslogan, die in grote, gestileerde letters op de flank van elke achttienmetertruck viel te lezen.
Collega Arnout van der Loo stond op het punt om zijn honderddertig kilo in zijn fonkelnieuwe truck te hijsen. “Wat denk je, Jan? Zou er een speciale reden zijn waarom ze jou nog steeds op dat oude barrel laten rijden?”
“Zou er een speciale reden zijn waarom jij zo dik bent?” sneerde Jan terug.
“Omdat ik van lekker eten hou?” Arnout lachte sportief terug en schoof onaangeslagen achter het stuur.
Jan klom in de cabine van zijn oude truck en Bart hees zich op de passagiersstoel.
“Kom Bartje, we gaan er weer met frisse tegenzin tegenaan.” Met een geroutineerd handgebaar bracht Jan de oude dieselmotor tot leven, waarbij de uitlaat een vette rookwalm uitbraakte. De oude ruitenwissers veegden na jaren van trouwe dienst nog steeds streeploos de dauw van de grote voorruit.
Bart nam de vrachtlijst door en blikte op het dashboardklokje. “Dat wordt planken. Het eerste vrachtje moet om half acht in Ede zijn.”
“Geen paniek,” zei Jan met een jarenlang ingesleten nuchterheid en zette de truck in beweging. “Alles op zijn tijd.”
Bart vertrouwde op de ervaring van zijn mentor en begon de krant te lezen die Jan had meegebracht.
“Wat doet het weer vandaag?” vroeg Jan gewoontegetrouw.
Het antwoord kwam van boven: er vormden zich druppels op de voorruit, die in een mum van tijd aanzwelden tot een volwaardige bui.
“Laat me eens raden,” Jan zette de ruitenwissers aan. “Regen?”
Bart keek op van de krant. “De hele week.”
“Niks nieuws onder de zon, dus.” Jan zette een CD op van Creedence Clearwater Revival.
Bart nam de koppen van het regionale katern verder door. “Er is weer een vrouw verkracht,” sprak hij op laconieke toon.
“Klootzakken,” haalde Jan opmerkelijk fel uit. “Voor dat soort lui mogen ze de doodstraf weer invoeren.”
In een tijd dat natuurrampen, terrorisme en het wangedrag van beroemdheden het belangrijkste nieuws vormden, gold een verkrachting nauwelijks nog als nieuwswaardig. Bart verwachtte eigenlijk geen reactie van een door de wol geverfde trucker als Jan. En zeker niet zo’n felle.
“Laat ze naar de hoeren gaan als ze hun kwakkie kwijt moeten.”
Bart moest bijna lachen om het kleurrijke taalgebruik van zijn collega, ware het niet dat op diens gezicht elke vorm van vermaak ontbrak. Had Jan ergens in zijn leven iets meegemaakt dat een dergelijke reactie rechtvaardigde?
Gedurende enkele minuten viel er een ongemakkelijke stilte in de cabine, die slechts werd doorbroken door de zang van John Fogerty.
“Hoe oud word je nu, donderdag?” Bart probeerde het gesprek weer op gang te brengen.
“Oud genoeg om je vader te kunnen zijn,” Jan leek enigszins gekalmeerd.
“Maar dan was ik een kwakkie van jou geweest,” zei Bart.
Jan keek de jongen even aan. “Dan was je in ieder geval een stuk knapper geweest.”
Ze wisselden een korte blik uit en deelden een glimlach. De spanning was weer uit de lucht.
Om de tijd te verdrijven liet Bart zijn blik door de cabine van de oude truck dwalen, beginnend bij de chauffeur. Het was Jan Brink niet aan te zien dat hij al bijna vijfenvijftig was, omdat hij het forse postuur miste dat veel van zijn collega’s kenmerkte. Hij zag er fit, bijna jong uit voor zijn leeftijd, maar zijn schoeisel was een foute poging om zijn werkelijke leeftijd te verhullen. De opvallend gekleurde sneakers met bijna fluorescerende veters staken af tegen zijn neutrale truckersoutfit als de spreekwoordelijke vlag op een modderschuit.
Bart liet zijn blik verder door het interieur dwalen. Het stuur, de meters, de stoelen; alles zag er gedateerd uit, maar er was geen slijtageplek of beschadiging te bekennen. De cabine van de vrachtwagen zag er uit zoals de buitenkant: als op de dag dat hij de fabriek had verlaten. Op een bijeenkomst van klassieke auto’s zou men deze truck zonder meer het predikaat ‘concoursstaat’ meegeven. Gezien zijn staat van dienst had de acht er eigenlijk niet zo goed uit kunnen zien, hoe zuinig Jan er al die jaren ook op was geweest.
“Hoe lang rij jij nu op de acht?” vroeg Bart.
“Zestien jaar,” Jan hield zijn blik op de weg. “Ik nam haar over van mijn voorganger.”
“Ging hij met pensioen?”
Het was even stil. “Zoiets.”
“De collega’s zeggen iets heel anders” sprak Bart voorzichtig. “Er gaan verhalen over de acht. Rare verhalen.”
Jan schakelde terug voor een naderende bocht en keek even opzij. “Zoals?”
“Ze zeggen dat elke chauffeur van deze auto verdwenen is.”
Jan woof met zijn hand. “Truckersverhalen. Ik rij al een eeuwigheid op de acht en ik ben er toch ook nog?”
“Daar zit wat in.”
“We zijn er.”

Om tien over acht stopte de oude vrachtwagencombinatie in de stromende regen voor de slagbomen van het Edese bedrijf. Jan draaide zijn raam open en zette ‘Suzie Q’ uit, maar met de kletterende regen op het dak van de cabine kostte het hem nog moeite om via de intercom de man in de portiersloge te kunnen verstaan. De portier vertelde hem welke route hij over het terrein moest nemen om bij de afdeling expeditie te komen. Korte tijd later bracht hij met sissende remmen de acht achteruit in/tegen het dockshelter tot stilstand. Ze werden opgewacht door een reus van een man, zijn grote gestalte gehuld in een schone, maar gekreukte, licht khaki stofjas. Zijn vriendelijke, maar gegroefde gezicht verried jarenlange arbeid in de buitenlucht, voor hij in zijn comfortabele baantje als magazijnmeester was belandt.
“Jullie zijn vroeg. We hadden jullie pas om half negen verwacht.”
Verrast keek Bart naar Jan, die gelaten zijn schouders ophaalde. “Ik dacht al zoiets.”
“Maar,” Opgewekt stak de man zijn wijsvinger op. “Jullie zijn in ieder geval op tijd voor de koffie.”
Vanwege Bart’s afkeer voor koffie – zijn lichaam had nog geen behoefte aan caffeïne ontwikkeld – gaf Jan hem de vrachtlijst. “Zoek jij de spullen bij elkaar, dan loop ik even met meneer mee.”
Jan zat nog in zijn koffie te roeren, toen Bart het kantoortje al weer binnenstapte met de vrachtlijst in zijn hand. “Sorry Jan, maar ik kan het niet vinden.”
Geïrriteerd zette Jan zijn plastic bekertje neer, stond op, liet een zucht ontsnappen en griste de vrachtlijst uit Bart’s handen. “Hebben die eikels die auto weer verkeerd geladen.”
En terwijl hij het kantoortje verliet, hoorden de twee achterblijvers hem verder mopperen: “Als je ook niet alles zelf doet…”
Jan klom in de aanhanger, pakte de zaklamp die aan een haak tegen de zijwand hing en met de paklijst in de hand bekeek hij pallet na pallet, op zoek naar het juiste collinummer. Steeds verder kroop hij de onverlichte aanhanger in, op zoek naar het zoekgeraakte vrachtje. Hij wurmde zich tussen dozen door en klom over kratten en pallets. Hij verstapte zich, waardoor de zaklamp uit zijn handen viel en buiten zijn bereik tussen twee pallets verdween. “Verdomme.”
Met de zaklamp buiten werking viel het pas op hoe licht het voorin de aanhanger was. Een gevoel van onbehagen bekroop hem. Speelde zijn oriëntatievermogen hem parten en was hij al klauterend van richting veranderd, waardoor hij nu weer in de richting van de laadklep klom? Hij staakte zijn zoektocht en besloot dat hij eerst zijn richtingsgevoel terug wilde vinden. En dus wurmde hij zich tussen de goederen door naar de bron van het licht.
Het eerste dat Jan opviel toen hij weer op de laadklep stond, was dat het niet meer regende. De bewolking was geheel weggetrokken en de zon scheen zelfs uitbundig. Terwijl hij de warmte op zijn gezicht voelde, keek hij verbaasd om zich heen: hij keek niet uit over het laadperron waar hij Bart had achtergelaten, maar over de hoofdstraat van een kleine plaats. De auto’s die hij zag waren zo oud, dat hij de meeste alleen maar kende van afbeeldingen: een Opel Kapitan, een Renault Dauphine, een Ford Anglia en enkele nog zeldzamere klassiekers pruttelden aan hem voorbij. Ze zagen er stuk voor stuk als nieuw uit. Ook de donkerblauwe kentekenplaten met witte, opgelegde letters waren onbeschadigd; ze droegen de combinatie letters-cijfers-cijfers, een combinatie die in gebruik was rond 1960. Jan’s eerste gedachte was dat hij zich op een bijeenkomst van merkenclubs bevond, een evenement waarbij liefhebbers van klassieke auto’s trots hun zorgvuldig gerestaureerde troetelkind aan de wereld toonden.
Maar als het een club-evenement was waar hij terecht was gekomen, was het er wel een waar bijzonder veel aandacht was besteed aan de entourage, zoals de sobere kleding van de mannen en de mantelpakjes en het opgestoken haar van de vrouwen. Zelfs de gevels van de winkels pasten feilloos in het tijdsbeeld: de spiraalvormige barbierspaal op de gevel van de kapper en de gaper boven de ingang van de drogisterij waren regelrechte museumstukken. De etalage van de kruidenier lag vol met vergeten producten als Sunlight zeep en blikken trommels met Van Melle toffees en Tjoklat chocolade. Aan de gevel hing een blauw geëmailleerd bord met witte letters: ‘Reckitt’s Zakje Blauw – HET (klein kapitaal) BESTE is het (kk) GOEDKOOPSTE!’
Nergens was iets te vinden dat de illusie verstoorde. Hoe goed hij ook om zich heen keek, niets kon hem op zijn gemak stellen, zoals een voorbijganger met een mobiele telefoon, jongelui met tatoeages of piercings of een verdwaalde reclamebanner van een product dat niet in dit nostalgische plaatje paste.
En dus bleef maar één verklaring over: hij bevond zich in het verleden. Hij had een sprong in de tijd gemaakt.
Jan kreeg niet lang de tijd zich het hoofd te breken over wat hem was overkomen, want hij werd opgeschrikt door een noodkreet die uit het nabijgelegen park klonk. De vrouwenstem die om hulp riep klonk zo wanhopig dat hij zich geen moment afvroeg of deze kreet oprecht was. Zonder aarzelen sprong hij van de laadklep af en snelde op de bron van het geluid af. En toen hij zich een weg had gebaand door het struikgewas, zag hij hoe een jonge vrouw werd aangevallen door een boom van een kerel. Met een van zijn grote handen om haar bovenarm hield de belager de tengere vrouw in een ijzeren greep.
“Ik weet wat jij wilt,” Hij hijgde haar in het gezicht. “En ik ga het je geven.”
De jonge vrouw was verstijfd van angst en kon geen woord meer uitbrengen. Ze had besloten dat het zinloos was om tegen te stribbelen en dat ze het minst geschonden uit de strijd zou komen als ze haar belager zijn zin gaf.
De forse gestalte van de man deed Jan twijfelen of hij zich in deze worsteling moest mengen, maar toen de man zonder enige inspanning de jonge vrouw tegen de grond smakte en zijn broekriem begon los te maken, besloot Jan dat hij in moest grijpen.
“Hé, laat die vrouw met rust!” zei hij krachtig, in een poging de aanrander te imponeren.
De vrouw zat in het gras, haar kleren verfomfaaid, haar tas opengevallen en de inhoud ervan uitgespreid in het gras, evenals een van haar schoenen. Ze keek Jan smekend aan, met een glinstering van hoop op redding. Haar gelaatstrekken hadden iets bekends.
De reus nam Jan geringschattend in zich op. “En waar kom jij vandaan dat je denkt mij tegen te gaan houden?” Zijn blik daalde af naar Jan’s kleurige sneakers. “Kom je soms van een carnavalsfeest om mijn privé-feestje te verstoren? Of kom je van het circus,… CLOWN?”
De neerbuigende toon waarmee de man hem toesnauwde, was de druppel die Jan’s emmer deed overlopen: woede welde in hem op en gaf hem de adrenalinestoot die hij nodig had om deze gigant te lijf te gaan. Hij besefte dat hij alleen een kans van slagen had als hij alles gaf wat hij fysiek in huis had.
De man was duidelijk niet gewend dat er aan zijn indrukwekkende gestalte werd getwijfeld; voor hij besefte dat hij een tegenstander had getroffen die zich niet door hem liet intimideren, stormde Jan al op hem af. En deze maakte dankbaar gebruik van de aarzeling van zijn tegenstander door hem onmiddellijk een paar krachtige, gerichte klappen toe te dienen op zijn lichaam en in zijn gezicht. De man wankelde even en herstelde zich, maar Jan’s aanval had resultaat. Het ego van de reus bleek kwetsbaarder dan zijn lichaam; de onzekerheid was in zijn ogen te lezen.
Met een spottende glimlach stak hij zijn handen omhoog. “Oké, oké. Jij je zin.” De onverbeterlijke grijns verscheen weer op zijn gegroefde gezicht. “Je wilt haar zeker voor jezelf, ouwe viezerik? Je mag haar hebben.”
Vervolgens beende de man in de richting van het struikgewas en wierp Jan nog een blik van ‘ons kent ons’ toe. “Veel plezier, Pipo.”
Jan’s handen deden pijn, maar die pijn maakte snel plaats maakte voor een gevoel triomf; hij had de jonge vrouw behoed voor ernstig letsel. De vrouw was inmiddels buiten westen. Flauwgevallen, dacht Jan, want zo hardhandig had de aanrander haar nog niet kunnen aanpakken. Hij boog over haar heen in een poging haar van de grond te tillen, maar het ontbrak hem aan de kracht. Zijn armen voelden zwaar, als de spierpijn van een beginnend turner die urenlang rekstokoefeningen had gedaan. Hij begon licht in zijn hoofd te worden en zijn blik viel op de inhoud van de tas die in het gras lag. Het was een grote inspanning om de portemonnee op te rapen en dichtbij zijn gezicht brengen om de inhoud scherp te kunnen zien. Met moeite las hij de naam op het identiteitsbewijs en keek naar de pasfoto. Vervolgens keek hij naar het gezicht van de vrouw.
“Mam?”
Op dat moment drong het tot hem door dat de pijn niet het gevolg was van het gevecht. In een poging te bevatten wat er met hem gebeurde, nam hij het hele tafereel nog eenmaal in zich op: het historische straatbeeld, de bewusteloze vrouw in het gras en het struikgewas waar de belager in was verdwenen.
Zijn benen konden zijn gewicht niet meer dragen. Terwijl hij door zijn knieën zakte en zijn handen en onderarmen zag vervagen, besefte Jan de gevolgen van zijn daad. Ineens begreep hij waarom ook de belager bekende gelaatstrekken had vertoond.
“Nee!” riep hij met een laatste krachtsinspanning. Zijn stemvolume was al gereduceerd tot fluisterniveau en echode weg in het oneindige.
De jonge vrouw bleef alleen achter in het park.

“We kunnen weer verder, Bartje,” zei Willem van Ravensteijn, toen hij het kantoortje van het Edese bedrijf weer binnenstapte. “De bak is leeg.”
Heel even werd Bart bekropen door een onbestemd gevoel. Maar net zo snel als het gekomen was verdween het weer, om plaats te maken voor de routine van de dag.
“Oké.” En hij volgde zijn collega, op weg naar hun fonkelnieuwe truck.

Advertenties