Afscheid

Hij moest wennen aan de nieuwe situatie, het kostte hem veel moeite haar te vinden. Maar hij kon nog niet weg.
Suzanne stond op de brug in het stadspark, het plekje waar hij haar voor het eerst had gekust. Ze staarde over het water, met vochtige ogen en een foto van hem in haar hand. “Ik mis je, Rob.”
“Ik ben niet weg, Suus,” fluisterde hij. “Ik ben bij je.”
Haar snikken stopte.
“Het doet zo ontzettend veel pijn.”
“Dat weet ik, lieverd. Maar denk je eens in: jij en ik hebben meer liefgehad dan anderen in een heel leven. Daar kunnen we wel drie levens lang op teren.”
Het verdriet in haar ogen begon plaats te maken voor berusting.
“Ga verder met je leven, Suus. Ik laat je gaan, laat mij dan ook gaan. We zien elkaar terug.”
Suzanne veegde een traan weg, rechtte haar rug en liep het park uit. Achter haar dwarrelde de foto de brug af en werd meegenomen door het water.
Rob vertrok via een andere brug.

Advertenties

Het nieuwe bedelen

Op zaterdag wordt het meest strategische punt van de oude winkelstraat ingenomen door de orgeldraaier die het winkelende publiek trakteert op een riedeltje Hazes, Conny Vandenbos of ander oubollig jolijt.
Aan weerszijden van het draaiorgel blokkeren de orgelmannen de doorloop; er is geen ontkomen aan hun rammelende koperen centenbakje.
“Sorry, maar ik heb geen contant geld bij me,” verontschuldig ik me voor mijn gierigheid. “Het pin-tijdperk, hé?”
Het voelt als een geldige smoes, dus kan ik de beste man zonder enig schuldgevoel achter me laten.
Later kom ik een zwerver tegen. Althans, hij ziet er uit als een zwerver: sjofele kleren, ongewassen tronie, onverzorgde haardracht. Maar onder de viezigheid zit een vriendelijk gezicht. Ik gun hem het voordeel van de twijfel en hoor hem aan. In drie minuten vertelt hij me zijn verhaal, zonder omwegen, zonder onnodig drama. Hij is dakloos en platzak en wil van mij een kleine bijdrage.
Met iets meer tegenzin dan bij de orgeldraaier beroep ik mij op hetzelfde excuus. “Sorry, maar ik heb geen contant geld bij me.”
“O, maar dat is geen probleem.” Met een nonchalant gebaar tovert de man een pin-automaat tevoorschijn die er uit ziet alsof ie beter tussen het huisvuil had kunnen blijven liggen.
Ik geef me gewonnen en met een licht opkomende smetvrees pin ik middels de vieze toetsen een paar euro naar zijn bankrekening. Uiteindelijk heeft hij het verdiend. Vanwege zijn vindingrijkheid. Vanwege zijn voorsprong op de orgeldraaier.

Oom Held

Toen ik klein was, was oom Bert mijn held. Hij was nooit chagrijnig, altijd in voor een grapje. We waren kameraden in zotheid. Hij wist me altijd op te vrolijken, hoe rot ik me ook voelde.
Toen ik ouder werd, begon zijn voetstuk af te brokkelen. Ik begon me zelfs te ergeren aan zijn onverwoestbaar humoristische inslag. Niemand kon helemaal zonder zorgen zijn zoals oom Bert de wereld dat deed geloven. Ik begon zijn permanent kolderieke houding te zien als een façade waarachter hij zich verschool; hij durfde nooit zichzelf te zijn. Ik voelde me bedrogen omdat hij anderen – maar vooral mij – altijd buitengesloten had gehouden van zijn ware ik.
Na zijn dood vertelde mijn moeder de waarheid. Hoe haar broer als jochie in de oorlog door Duitsers was aangerand en hoe hij dit had weggestopt; vanaf dat moment was humor zijn wapen tegen het kwaad geworden. Hoe hij weigerde te scheiden van tante Trees, ondanks dat ze hem jarenlang kleineerde, geestelijk mishandelde. En zelfs aan het eind van zijn leven weigerde hij zijn levenslicht te laten dimmen door de kanker die hem te pakken had gekregen.
“Hij genoot zichtbaar van jullie momenten samen,” zei mijn moeder. “Dat was een van de dingen die hem op de been hielden.”

Mijn geloof in oom Bert is in ere hersteld. Zijn voetstuk is groter, mooier en onverwoestbaarder dan ooit tevoren.

Relatietherapie

(niet geschikt voor jeugdige lezers)

Ze schoof dicht tegen hem aan op de rood leren bank en lachte ondeugend. Ze zag er hot uit, haar rode pumps kleurden perfect bij de driezitter. Hij draaide naar haar toe en legde zijn hand op haar blote dijbeen, tegen haar korte rok aan. Ze opende haar benen en staarde hem aan met een blik vol overgave. Langzaam gleed zijn hand onder haar rok en vond haar behaarde venusheuvel. Haar ademhaling werd zwaarder en toen zijn vingers haar vochtige plekje vonden, voelde hij hoe de opwinding zich ook van hem meester begon te maken.
Ze legde haar hand op de bult in zijn jeans en bracht haar mond bij zijn oor. “Ik wil je. Nu.”
Haastig bevrijdde ze zijn erectie en klom over hem heen. Moeiteloos verdween zijn forse lid in haar warme, hunkerende lijf.
De bank was hun redding. Onverstoorbaar nam hij haar in diverse posities; ze hadden in geen tijden zulke fantastische seks gehad.
Het advies van de relatietherapeut werkte boven verwachting, al kon de filiaalmanager van Seats and Sofas daar weinig begrip voor opbrengen.

Lotte

Geen ouder zou zijn eigen kind moeten overleven.
Op de kleine kist staat een portretfoto van Lotte, een guit van zes met sproeten en rossige krullen. Naast de foto ligt, tussen de bloemstukjes, haar favoriete knuffel Otsie, een roze pluchen neushoorn. Door de luidsprekers van de aula klinkt haar lievelingsmuziek: de wrange, misplaatste vrolijkheid van K3 kan de sfeer niet verlichten.

De zon gluurt door het kleurige bladerdak en zet de omgeving in een warme herfstgloed als de familieleden en vrienden zich snikkend verzamelen rond het graf. Lotte’s ouders hebben de afgelopen dagen genoeg tranen gelaten.
“Kijk eens,” fluistert Marian als ze tegen Peter aan leunt.
Op een tak boven het open graf is een roodborstje gaan zitten. Het laat zich niet afschrikken door de grafrede van de geestelijke, noch door familie en vrienden die langs het graf schuifelen, waarbij ze elk een bloem op de kist leggen en een afscheidswoordje prevelen.
Pas als de kist in het graf verdwenen is, vliegt het roodborstje weg.
Marian kijkt het beestje na. “Daar gaat ze, mijn lieve schat.”

Ruilhandel

De woudwinkel staat op geen enkele kaart, geen navigatiesysteem ter wereld kent het adres. Na weken zoeken en vragen sta ik eindelijk tussen de toverketels, mantels, spreukenboeken, blikjes salamanderslijm met kikkerogen en magnetronspinnenweb. Mijn blik blijft steken bij een uitzonderlijk exemplaar van een toverstaf, prominent geëtaleerd in een vitrine. Hier ben ik voor gekomen.
De winkelgnoom komt handenwrijvend bij me staan. “Monneer heeft smaak. Dat is de Antheon Hellfire III. Gemaakt uit gecertificeerd spreukenboshout, door zeven dwergen. Dé zeven dwergen. De Hellfire III kan spreuken sneller verwerken dan de gebruiker kan uitspr…”
Ik hef mijn hand. “Ik neem ‘m.”
“En hoe gaat monneer betalen?” Zijn grote zwarte ogen glimmen triomfantelijk.
Ik reik tussen mijn gewaad en haal een boon tevoorschijn. “Deze komt van Sjaak.”
Zijn ogen worden nog groter. “Van de bonenstaak?”
“De enige echte.”
De gnoom deinst terug. “Ik geloof u niet.”
“Oké, dan gaat de koop niet door.” Ik maak aanstalten de winkel te verlaten en kijk nog eenmaal over mijn schouder. “Wil je echt de kans op de kip met de gouden eieren laten schieten?”
“Oké, oké. U wint.”
Gnomen zijn zo heerlijk voorspelbaar.
“Als monneer nog even de disclaimer van 300 pagina’s wil tekenen…”
Zelfs sprookjes zijn niet meer wat ze waren.

Niet als in de film

Sinds ze de film ‘From Here to Eternity’ hadden gezien, stond het bovenaan hun romantische verlanglijstje: de liefde bedrijven in de branding.
De laatste dagjesmensen verlieten het naakstrand, eindelijk waren ze alleen. Met hun naakte lijven dicht bij elkaar lagen ze op het plaid en fluisterden elkaar ‘sweet nothings’ toe in het licht van de dalende zon. Geholpen door de meegebrachte liflafjes en gekoelde Prosecco kwamen ze al gauw in de stemming. Hand in hand liepen ze naar de waterlijn.

Dat was eens, maar nooit meer. Het zoute water dat zijn maag vulde had de smaak van Prosecco al gauw verdrongen en nadat de krab hem in zijn scrotum had gegrepen kon hij dagenlang niet zitten. Zij had de schelpafdrukken nog dagenlang in haar onderrug staan en liep lange tijd rond met een schrale doos van het zand dat hij bij haar binnen had gebracht.
De volgende keer nemen ze de lift.