Klaar

Met verzamelde moed en kracht duwde hij de punt van het gekartelde vleesmes tussen zijn ribben. De pijn die zijn borstkas vulde, stond niet in verhouding tot het overweldigende gevoel van opluchting dat hij weldra van alles verlost zou zijn. Verlost van een hoofd vol onrust, van een liefdeloos leven, van een lijf dat nooit had of was bemind.
Vastberaden dreef hij het mes in zijn verdorde hart, een hart waarin hij nooit een vrouw had toegelaten, een hart dat geen ware liefde had gekend.
Hij zeeg ineen op de stoel en met een laatste krachtsinspanning trok hij het mes uit de wond, zodat zijn bloed vrij kon stromen. Als een ultieme aderlating nam het bloed al zijn ellende en liefdeloosheid mee. Eindelijk was hij gelukkig.

Advertenties

Oom Held

Toen ik klein was, was oom Bert mijn held. Hij was nooit chagrijnig, altijd in voor een grapje. We waren kameraden in zotheid. Hij wist me altijd op te vrolijken, hoe rot ik me ook voelde.
Toen ik ouder werd, begon zijn voetstuk af te brokkelen. Ik begon me zelfs te ergeren aan zijn onverwoestbaar humoristische inslag. Niemand kon helemaal zonder zorgen zijn zoals oom Bert de wereld dat deed geloven. Ik begon zijn permanent kolderieke houding te zien als een façade waarachter hij zich verschool; hij durfde nooit zichzelf te zijn. Ik voelde me bedrogen omdat hij anderen – maar vooral mij – altijd buitengesloten had gehouden van zijn ware ik.
Na zijn dood vertelde mijn moeder de waarheid. Hoe haar broer als jochie in de oorlog door Duitsers was aangerand en hoe hij dit had weggestopt; vanaf dat moment was humor zijn wapen tegen het kwaad geworden. Hoe hij weigerde te scheiden van tante Trees, ondanks dat ze hem jarenlang kleineerde, geestelijk mishandelde. En zelfs aan het eind van zijn leven weigerde hij zijn levenslicht te laten dimmen door de kanker die hem te pakken had gekregen.
“Hij genoot zichtbaar van jullie momenten samen,” zei mijn moeder. “Dat was een van de dingen die hem op de been hielden.”

Mijn geloof in oom Bert is in ere hersteld. Zijn voetstuk is groter, mooier en onverwoestbaarder dan ooit tevoren.

Lotte

Geen ouder zou zijn eigen kind moeten overleven.
Op de kleine kist staat een portretfoto van Lotte, een guit van zes met sproeten en rossige krullen. Naast de foto ligt, tussen de bloemstukjes, haar favoriete knuffel Otsie, een roze pluchen neushoorn. Door de luidsprekers van de aula klinkt haar lievelingsmuziek: de wrange, misplaatste vrolijkheid van K3 kan de sfeer niet verlichten.

De zon gluurt door het kleurige bladerdak en zet de omgeving in een warme herfstgloed als de familieleden en vrienden zich snikkend verzamelen rond het graf. Lotte’s ouders hebben de afgelopen dagen genoeg tranen gelaten.
“Kijk eens,” fluistert Marian als ze tegen Peter aan leunt.
Op een tak boven het open graf is een roodborstje gaan zitten. Het laat zich niet afschrikken door de grafrede van de geestelijke, noch door familie en vrienden die langs het graf schuifelen, waarbij ze elk een bloem op de kist leggen en een afscheidswoordje prevelen.
Pas als de kist in het graf verdwenen is, vliegt het roodborstje weg.
Marian kijkt het beestje na. “Daar gaat ze, mijn lieve schat.”

Ruilhandel

De woudwinkel staat op geen enkele kaart, geen navigatiesysteem ter wereld kent het adres. Na weken zoeken en vragen sta ik eindelijk tussen de toverketels, mantels, spreukenboeken, blikjes salamanderslijm met kikkerogen en magnetronspinnenweb. Mijn blik blijft steken bij een uitzonderlijk exemplaar van een toverstaf, prominent geëtaleerd in een vitrine. Hier ben ik voor gekomen.
De winkelgnoom komt handenwrijvend bij me staan. “Monneer heeft smaak. Dat is de Antheon Hellfire III. Gemaakt uit gecertificeerd spreukenboshout, door zeven dwergen. Dé zeven dwergen. De Hellfire III kan spreuken sneller verwerken dan de gebruiker kan uitspr…”
Ik hef mijn hand. “Ik neem ‘m.”
“En hoe gaat monneer betalen?” Zijn grote zwarte ogen glimmen triomfantelijk.
Ik reik tussen mijn gewaad en haal een boon tevoorschijn. “Deze komt van Sjaak.”
Zijn ogen worden nog groter. “Van de bonenstaak?”
“De enige echte.”
De gnoom deinst terug. “Ik geloof u niet.”
“Oké, dan gaat de koop niet door.” Ik maak aanstalten de winkel te verlaten en kijk nog eenmaal over mijn schouder. “Wil je echt de kans op de kip met de gouden eieren laten schieten?”
“Oké, oké. U wint.”
Gnomen zijn zo heerlijk voorspelbaar.
“Als monneer nog even de disclaimer van 300 pagina’s wil tekenen…”
Zelfs sprookjes zijn niet meer wat ze waren.

Niet als in de film

Sinds ze de film ‘From Here to Eternity’ hadden gezien, stond het bovenaan hun romantische verlanglijstje: de liefde bedrijven in de branding.
De laatste dagjesmensen verlieten het naakstrand, eindelijk waren ze alleen. Met hun naakte lijven dicht bij elkaar lagen ze op het plaid en fluisterden elkaar ‘sweet nothings’ toe in het licht van de dalende zon. Geholpen door de meegebrachte liflafjes en gekoelde Prosecco kwamen ze al gauw in de stemming. Hand in hand liepen ze naar de waterlijn.

Dat was eens, maar nooit meer. Het zoute water dat zijn maag vulde had de smaak van Prosecco al gauw verdrongen en nadat de krab hem in zijn scrotum had gegrepen kon hij dagenlang niet zitten. Zij had de schelpafdrukken nog dagenlang in haar onderrug staan en liep lange tijd rond met een schrale doos van het zand dat hij bij haar binnen had gebracht.
De volgende keer nemen ze de lift.