Niet als in de film

Sinds ze de film ‘From Here to Eternity’ hadden gezien, stond het bovenaan hun romantische verlanglijstje: de liefde bedrijven in de branding.
De laatste dagjesmensen verlieten het naakstrand, eindelijk waren ze alleen. Met hun naakte lijven dicht bij elkaar lagen ze op het plaid en fluisterden elkaar ‘sweet nothings’ toe in het licht van de dalende zon. Geholpen door de meegebrachte liflafjes en gekoelde Prosecco kwamen ze al gauw in de stemming. Hand in hand liepen ze naar de waterlijn.

Dat was eens, maar nooit meer. Het zoute water dat zijn maag vulde had de smaak van Prosecco al gauw verdrongen en nadat de krab hem in zijn scrotum had gegrepen kon hij dagenlang niet zitten. Zij had de schelpafdrukken nog dagenlang in haar onderrug staan en liep lange tijd rond met een schrale doos van het zand dat hij bij haar binnen had gebracht.
De volgende keer nemen ze de lift.

Advertenties

Het nieuwe potloodventen

Wie had gedacht dat het vrijwilligerswerk, dat ik al jaren met toewijding vervul, op de tocht zou komen te staan? De kille klank van ‘cyber flashing’ mist de romantiek en het avontuur van mijn aloude ambacht. Lafhartig verstopt achterin bus of trein delen deze wannabe exhibitionisten anoniem hun dick pics met nietsvermoedende smartphonebezitsters. Nooit zullen zij de spanning ervaren van de lijfelijke confrontatie, de geshockeerde of geamuseerde, maar altijd verraste reacties bij de onthulling van de pielemoos. Ze zullen de voldoening niet kennen hun clientèle voorgoed van het mannelijk geslacht te hebben ‘genezen’. Dat scheelt immers vele kostbare relatietherapiesessies.

Als deze hype aanslaat, zullen weldra de digitale geslachtsdelen van deze Bluetoothventers draadloos door het openbaar vervoer vliegen en moeten mijn klok-en-hamerspel en ik werkeloos toezien. En mijn oude, vertrouwde jas zal rijp zijn voor Marktplaats.
Gewassen, dat wel.

Gewoon werkverkeer…

Na een periode van relatieve doorstroming lijkt het erop dat ’s lands wegen nu toch echt aan het dichtslibben zijn; de kans op een file vanwege een ongeval is groter is dan mijn kans op het niet winnen van de Staatsloterij.

car-stress

Op de A9 was dit keer sprake van een normale (…) ochtenddrukte, het verplichte dagelijkse ongeval had zich verplaatst naar de A8, waardoor al het snelwegverkeer in de Zaanstreek – ondergetekende incluis – de reis stapvoets mocht vervolgen. Niets nieuws onder de zon, dit is inmiddels dagelijkse kost. Omdat ik een marge van vijftig procent bovenop de ‘normale’ reistijd aan houd, was mijn verwachte aankomsttijd toch nog – min of meer – de juiste. Ware het niet dat Willem Alexander en Máxima hadden besloten op deze dag in het centrum van Amsterdam hun boodschappen te gaan doen, waardoor de halve binnenstad was afgesloten voor het verkeer. U raadt het al: mijn route liep door dit quarantainegebied. Terwijl ik, geassisteerd door mijn TomTom, al mijn topografische kennis van ’s lands hoofdstad moest aanspreken, hoopte ik met een wijde, omtrekkende beweging de afzettingen te kunnen omzeilen om mijn bestemming alsnog te bereiken. Maar dat hoopten vele anderen met mij.
Mijn snelheid was weliswaar gereduceerd tot een rollatorgangetje, maar het gevecht om de vierkante (centi-)meter was er niet minder om. De tijd verstreek harder dan mijn reis vorderde en mijn blaas begon al te zeuren wanneer we op de plaats van bestemming waren. Mijn hoofd besloot een deuntje mee te blazen met de regel ‘twee uur rijden, een kwartier rust’. Dat kon ik wel vergeten, want ik was een gevangene van de forensenstroom. En toen mijn maag en mond besloten mee te zeuren, begonnen zich zowaar survivalgevoelens aan me op te dringen: ik had mijn proviandkoffer met brunch in de cabine moeten houden, niet achter in de laadruimte.

Rijden is ook werken. Drie uur na mijn vertrek stond ik half gaar en enigszins gestrest bij mijn eerste klant voor de deur te verlangen naar een verlossend toiletbezoek en een bakkie troost. De koffievoorraad van de klant was uitgeput en het telefoontoestel dat ik moest installeren bleek DOA te zijn: nieuw maar kaduuk.

“It’s not a job, it’s a f*cking adventure!”

Flirt

De winkelstraat baadde in een voorzichtig lentezonnetje, maar het pand waar hij zijn werkzaamheden moest verrichten was leeg, donker en afgesloten. De klant was nog onderweg, dus hij vulde zijn tijd met het observeren van mensen. Vogels van diverse pluimage passeerden hem: een grijzend echtpaar, hand in hand als een stel verliefde tieners, enkele giechelende schoolmeisjes en twee mannen in werkkleding.
Zijn blik bleef steken bij een vrouw op de fiets. Ze was van zijn leeftijd. Min of meer. Haar kleding was nogal doorsnee, maar ze had een bijzondere uitstraling. Hij herkende in haar houding de jeugdige onbevangenheid die hij bij zichzelf zo wanhopig koesterde.
Hun blikken kruisten elkaar. Een toevalstreffer, maar wel een die zijn dag boven alle andere dagen uit tilde.
Haar blonde, schouderlang krullende haar deinde speels met haar mee toen ze van haar fiets stapte en deze enigszins onbeholpen het trottoir op hees. En toen ze haar fiets in het rek voor de drogisterij zette, keek ze nog eens in zijn richting. Hij keek terloops om zich heen om vast te stellen of er niet iemand naast of achter hem stond.
Ze hield hem waarschijnlijk voor een ander. Hij lachte haar voorzichtig toe.
Ze zette haar fiets in het rek en keek een derde keer naar hem, nu wat langer. En op haar gezicht verscheen een oprecht vriendelijke lach. Was het het zonlicht dat hem, in de luwte van het portiek, zijn door eenzaamheid verkoelde hart deed ontdooien, of was het haar ontwapenende lach? Zijn hart maakte een voorzichtig vreugdesprongetje toen hij besefte dat een magisch moment als dit hem ook nog kon overkomen.

De wekkerradio klikte aan, halverwege Eric Carmen’s ‘All by myself’. Niet alleen was dat aangenamer wakker worden dan met een verveelde rapper of jolige volkszanger, maar ook nog wonderbaarlijk toepasselijk, gezien de droom die was verstoord.
Een nieuwe werkdag was aangebroken. Misschien wel een werkdag met een klant in een winkelstraat, met een portiek.