Profileren


Mijn ego is niet mijn grootste drijfveer bij het schrijven. Ik heb geen haast om beroemd te worden, het ‘schrijver zijn’ is geen levenslange droomwens. Gelukkig niet. Ik moet er niet aan denken dat ik mezelf na enkele halfbakken publicaties er al van heb overtuigd dat ik ‘gearriveerd ben’ en mijn schrijverschap ten gelde kan gaan maken.
Zelfpromotie is dan ook mijn grootste makke. Schrijven is een solitaire, intieme bezigheid en dat doe je niet op een helverlicht podium.

”Je schrijft toch vooral voor jezelf’ is de grootste leugen die schrijversland rondwaart. Als dit waar was werd geen boek gepubliceerd, geen verhaal ooit gelezen. Elke schrijver wil gelezen worden. Het is een cliché, maar ‘erkenning’ is het hoogst haalbare voor een schrijver. Er is geen grotere beloning dan lezers inspireren met de verhalen die je met voldoening hebt geschreven en met verwondering hebt teruggelezen.

Als ik mijn verhalen enigszins wil laten opvallen in de kakofonie van middelmatigheid, dan zal ik mezelf de kunst van zelfpromotie moeten aanleren. En dus trek ik schoorvoetend de wijde schrijfwereld in en maak – om te beginnen – accounts aan bij Schrijven Online en Hebban.
En wie weet, ga ik straks zelfs met verhalenwedstrijden meedoen. De wonderen zijn de wereld nog niet uit…

Mannen blijven mannen

“Het werd tijd dat je weer ging daten. Je staat te lang droog.”
“Bij jou draait het ook maar om één ding, hè?”
“Ja.”
“Seks is zo primair, zo kortstondig. Het is veel mooier als je een verwante geest treft waarmee je de diepte in kan.”
“De diepte in, ja.”
“Dat bedoel ik niet. Neanderthaler.”
“Ik geef het tenminste toe. Die oermens zit nog steeds in ons. Mannen moeten jagen en vrouwen willen veroverd worden. En stiekem willen ze een foute, spannende man, geen pantoffeldiertje.”
“Spreek voor jezelf. Ik wil meer dan lust. Ik wil dat mijn aura verstrengeld raakt met het hare, verdrinken in haar ogen, een samensmelting van zielen.”
“Lul niet zo wollig. Laat het beest in je los. Ga daten.”

“En, hoe was je date? Zijn er aura’s verstrengeld geraakt, zielen samengesmolten? Was het een inspirerende ontmoeting?”
“INspirerend? Ja, dat was het zeker. Ik heb in geen tijden zulke geweldige seks gehad.”


#

Lucifer

Crucifix
“Ik kom voor meneer Van Engelen.” Met zijn forse gestalte in de deuropening van het verzorgingstehuis verduistert de man een deel van de entreehal. Onder de zilveren drietand op zijn indigo maatkostuum prijkt de spreuk ‘Acta est fabula’. Het spel is afgelopen.
“U bent toch niet de maatschappelijk werker?” zegt de receptioniste schuchter.
De vreemdeling peilt zijn omgeving. “Als u dat wilt, dan ben ik dat. Ik kom uw probleem oplossen.”
“Godzijdank.” Ze begeleidt hem door de gang. “We worden een beetje gek van hem. Hij draait de godganse dag rockmuziek, de hele gang stinkt van de wiet en hij kan de vrouwelijke bewoners niet met rust laten.”
“Laat mij maar met hem praten. Ik los dit op.”
Hij houdt halt voor kamer 01-11 en aarzelt als hij ziet dat de laatste ‘1’ door het ontbreken van een schroefje ondersteboven is getuimeld. “Engelengetallen. Leuk geprobeerd.”
Kort nadat hij de kamer heeft betreden beginnen alle deuren in de gang in hun sponning te trillen. Helwit licht priemt door de kieren en het sleutelgat van kamer 01-11. De wietlucht in de gang wordt verdrongen door de geur van zwavel; onweer is in het kielzog van de vreemdeling meegelift.
Als de man weer op de gang staat is alles stil. Rook trekt op. Met angst in hun vaalgrijze ogen staren bewoners de man in indigo na als hij naar de uitgang beent.
“Bent u al klaar met hem?” zegt de receptioniste hoopvol.
“Dat kan je wel zeggen. Avé.” De man steekt zijn hand in de lucht; in de handpalm prijkt een verse brandplek met de contouren van een crucifix.

Werelddagmoe

Ik word een beetje moe van al die werelddagen. De internationale dag van de Patagonische dakhaas, de internationale dag van de linksdraaiende Bulgaarse yoghurt, ik houd het allemaal niet meer bij. Was er vroeger ook een internationale dag van de mahoniehouten salontafel? Nee, hè?
Nu veren onmiddellijk hele volksstammen op van hun stoel. “Ja, maar op de Internationale Vrouwendag wordt er extra aandacht besteed aan de strijdbaarheid en het gevoel van solidariteit van vrouwen overal ter wereld.”
Dat is mooi, maar betekent dat dat ik morgen mijn vrouw weer mag slaan? Ik raak er alleen maar van in de war: waarom niet elke dag respect voor de rechten van de vrouw? Of de man. Of het kind. Of…
Ik stem voor Wereldmensendierendingendag, zoals Klein Orkest in de jaren ’80 al voorstelde. Ze waren hun tijd ver vooruit; dit is de enige themadag die we zouden moeten vieren. En dan elke dag, dan kunnen we die werelddagenkalender ook weggooien.

#

Toeval

Ik loop door de buurtsuper. Bij de groente staat een vrouw van bijna klassieke schoonheid met sluik, donker haar. In haar mandje heeft ze een brood en een fles rode wijn.
Een andere vrouw spreekt haar aan. “Hallo, Maria. Hoe is het met je zoon?”
“Hij groeit als kool,” antwoordt Maria.
Ik wil geen luistervink spelen, maar vang flarden op van een doorsnee moeder-tot-moeder-gesprek.
Onwillekeurig volg ik Maria op haar route door de supermarkt; ik moet dezelfde kant op. Ik zie dat ze een blauwe fles bronwater pakt. Geamuseerd associeer ik Maria met water en wijn en doe het af als een grappig toeval.
Bij de kassa staat ze voor me.
“Hoe is het met uw man? “ vraagt de caissière haar.
“Goed. Jozef heeft eindelijk weer werk.”
Nu valt mijn mond bijna open van verbazing. “Wat doet uw man voor werk, als ik vragen mag?”
“Hij is timmerman.” Onverstoorbaar rekent ze haar boodschappen af.
“Dat is mooi.” Ik probeer mijn verbazing te verbergen. “Er is gelukkig weer vraag naar ambachtslui.”
“Ja, gelukkig wel.” Maria lacht me beleefd toe en doet haar boodschappen in een grote tas. De wijnfles glipt uit haar hand en klettert op de tegelvloer. Ze kijkt naar de ravage, naar de wijnvlekken op haar kleren en vloekt als een bootwerker.
Ik ben weer terug op aarde.

Klaar

Met verzamelde moed en kracht duwde hij de punt van het gekartelde vleesmes tussen zijn ribben. De pijn die zijn borstkas vulde, stond niet in verhouding tot het overweldigende gevoel van opluchting dat hij weldra van alles verlost zou zijn. Verlost van een hoofd vol onrust, van een liefdeloos leven, van een lijf dat nooit had of was bemind.
Vastberaden dreef hij het mes in zijn verdorde hart, een hart waarin hij nooit een vrouw had toegelaten, een hart dat geen ware liefde had gekend.
Hij zeeg ineen op de stoel en met een laatste krachtsinspanning trok hij het mes uit de wond, zodat zijn bloed vrij kon stromen. Als een ultieme aderlating nam het bloed al zijn ellende en liefdeloosheid mee. Eindelijk was hij gelukkig.

Oom Held

Toen ik klein was, was oom Bert mijn held. Hij was nooit chagrijnig, altijd in voor een grapje. We waren kameraden in zotheid. Hij wist me altijd op te vrolijken, hoe rot ik me ook voelde.
Toen ik ouder werd, begon zijn voetstuk af te brokkelen. Ik begon me zelfs te ergeren aan zijn onverwoestbaar humoristische inslag. Niemand kon helemaal zonder zorgen zijn zoals oom Bert de wereld dat deed geloven. Ik begon zijn permanent kolderieke houding te zien als een façade waarachter hij zich verschool; hij durfde nooit zichzelf te zijn. Ik voelde me bedrogen omdat hij anderen – maar vooral mij – altijd buitengesloten had gehouden van zijn ware ik.
Na zijn dood vertelde mijn moeder de waarheid. Hoe haar broer als jochie in de oorlog door Duitsers was aangerand en hoe hij dit had weggestopt; vanaf dat moment was humor zijn wapen tegen het kwaad geworden. Hoe hij weigerde te scheiden van tante Trees, ondanks dat ze hem jarenlang kleineerde, geestelijk mishandelde. En zelfs aan het eind van zijn leven weigerde hij zijn levenslicht te laten dimmen door de kanker die hem te pakken had gekregen.
“Hij genoot zichtbaar van jullie momenten samen,” zei mijn moeder. “Dat was een van de dingen die hem op de been hielden.”

Mijn geloof in oom Bert is in ere hersteld. Zijn voetstuk is groter, mooier en onverwoestbaarder dan ooit tevoren.

Lotte

Geen ouder zou zijn eigen kind moeten overleven.
Op de kleine kist staat een portretfoto van Lotte, een guit van zes met sproeten en rossige krullen. Naast de foto ligt, tussen de bloemstukjes, haar favoriete knuffel Otsie, een roze pluchen neushoorn. Door de luidsprekers van de aula klinkt haar lievelingsmuziek: de wrange, misplaatste vrolijkheid van K3 kan de sfeer niet verlichten.

De zon gluurt door het kleurige bladerdak en zet de omgeving in een warme herfstgloed als de familieleden en vrienden zich snikkend verzamelen rond het graf. Lotte’s ouders hebben de afgelopen dagen genoeg tranen gelaten.
“Kijk eens,” fluistert Marian als ze tegen Peter aan leunt.
Op een tak boven het open graf is een roodborstje gaan zitten. Het laat zich niet afschrikken door de grafrede van de geestelijke, noch door familie en vrienden die langs het graf schuifelen, waarbij ze elk een bloem op de kist leggen en een afscheidswoordje prevelen.
Pas als de kist in het graf verdwenen is, vliegt het roodborstje weg.
Marian kijkt het beestje na. “Daar gaat ze, mijn lieve schat.”

Ruilhandel

De woudwinkel staat op geen enkele kaart, geen navigatiesysteem ter wereld kent het adres. Na weken zoeken en vragen sta ik eindelijk tussen de toverketels, mantels, spreukenboeken, blikjes salamanderslijm met kikkerogen en magnetronspinnenweb. Mijn blik blijft steken bij een uitzonderlijk exemplaar van een toverstaf, prominent geëtaleerd in een vitrine. Hier ben ik voor gekomen.
De winkelgnoom komt handenwrijvend bij me staan. “Monneer heeft smaak. Dat is de Antheon Hellfire III. Gemaakt uit gecertificeerd spreukenboshout, door zeven dwergen. Dé zeven dwergen. De Hellfire III kan spreuken sneller verwerken dan de gebruiker kan uitspr…”
Ik hef mijn hand. “Ik neem ‘m.”
“En hoe gaat monneer betalen?” Zijn grote zwarte ogen glimmen triomfantelijk.
Ik reik tussen mijn gewaad en haal een boon tevoorschijn. “Deze komt van Sjaak.”
Zijn ogen worden nog groter. “Van de bonenstaak?”
“De enige echte.”
De gnoom deinst terug. “Ik geloof u niet.”
“Oké, dan gaat de koop niet door.” Ik maak aanstalten de winkel te verlaten en kijk nog eenmaal over mijn schouder. “Wil je echt de kans op de kip met de gouden eieren laten schieten?”
“Oké, oké. U wint.”
Gnomen zijn zo heerlijk voorspelbaar.
“Als monneer nog even de disclaimer van 300 pagina’s wil tekenen…”
Zelfs sprookjes zijn niet meer wat ze waren.

Niet als in de film

Sinds ze de film ‘From Here to Eternity’ hadden gezien, stond het bovenaan hun romantische verlanglijstje: de liefde bedrijven in de branding.
De laatste dagjesmensen verlieten het naakstrand, eindelijk waren ze alleen. Met hun naakte lijven dicht bij elkaar lagen ze op het plaid en fluisterden elkaar ‘sweet nothings’ toe in het licht van de dalende zon. Geholpen door de meegebrachte liflafjes en gekoelde Prosecco kwamen ze al gauw in de stemming. Hand in hand liepen ze naar de waterlijn.

Dat was eens, maar nooit meer. Het zoute water dat zijn maag vulde had de smaak van Prosecco al gauw verdrongen en nadat de krab hem in zijn scrotum had gegrepen kon hij dagenlang niet zitten. Zij had de schelpafdrukken nog dagenlang in haar onderrug staan en liep lange tijd rond met een schrale doos van het zand dat hij bij haar binnen had gebracht.
De volgende keer nemen ze de lift.