Het interview

Ik hoef mijn opdrachtgever niet te smeken om dit interview te mogen doen. Gerard Tetteroo, de man die Tetteroo Vastgoed groot heeft gemaakt en zich na zijn ongeval als succesvol schrijver heeft ontpopt, wil voor mij een uitzondering maken.
Dit interview wordt mijn Mount Everest, mijn Broadway-debuut. Mijn eidetisch geheugen geeft me een voorsprong op andere journalisten: zonder blocnote of memorecorder neemt men je eerder in vertrouwen. En dat brengt me op plaatsen waar mijn concullega’s niet komen.

Als ik via de als bosweg vermomde oprijlaan op de achterkant van het landhuis aanrijd, heb ik niet de indruk dat ik me op de Utrechtse Heuvelrug bevind: alles is even vlak als bij mij in de straat. Ik laat mezelf binnen via de zij-ingang en tref Gerard Tetteroo in de enorme, landelijk ingerichte keuken. Hij is een fit ogende, goed geklede bijna-vijftiger, niets aan zijn uiterlijk verraadt de noodzaak zich in een rolstoel te verplaatsen.
“Aha, Thomas Naber, de integere journalist. Als er al zoiets bestaat.”
“Gerard Tetteroo, grootindustrieel en succesvol schrijver,” kaats ik terug.
“Houd het maar op schrijver, dat andere was in mijn vorige leven.” Hij rolt behendig om het kookeiland heen en reikt me zijn pezige hand. “Kon je het makkelijk vinden?”.
Een weinig inspirerende openingszin van een man met zijn reputatie, maar ik schud zijn hand en speel het beleefdheidsspelletje mee. “Niet echt. Met name de laatste kilometers was mijn navigatiesysteem het spoor bijster.”
“Mooi zo.” Hij glimlacht tevreden. “Kom verder.” Hij rijdt voor me uit door een gang waar dertien-in-een-dozijn ‘Aangeboden door het personeel’–plaquettes hangen. Het is alsof hij ogen in zijn rug heeft: “Relikwieën uit het verleden. Ik moest die troep ergens laten.”
Even later sta ik midden in de woonkamer. Sinatra klinkt zacht uit de luidsprekers. Vóór mij strekt een groen dal zich kilometers in de verte uit.
“Een mens zou kunnen wennen aan zo’n uitzicht,” zeg ik met gespeelde nuchterheid.
“Een mens kan blasé doen over veel dingen, maar niet over zo’n uitzicht. Het is nederigmakend.”
“Nederigmakend. Dat was het woord waar ik naar zocht.”
“Je weet dat ik niet van journalisten houd, maar jouw werk is anders. Daarom ben je hier. Toch had je hier niet gestaan als ik niet eerst je antecedenten had nagetrokken.” Hij wijst naar de bar. “Doe mij een flinke Glenfiddich met ijs, en neem zelf ook wat lekkers. Ik drink niet graag alleen.”
Ik schenk zijn glas halfvol, graai in de ijsemmer en verwen mezelf ook met de warmende gloed van de 26 jaar oude whisky.
Als ik hem zijn glas aanreik steekt hij van wal. “Toen ik nog directeur was van Tetteroo Vastgoed, genoot ik aanzien van mijn werknemers en zakenrelaties. Maar dat was een bijwerking. Ze bogen als knipmessen omdat ik macht had.”
“Klinkt logisch.” Ik laat me in het leer zakken, nip van het fruitige bouquet en neem het uitzicht in mij op; dit moet een van de mooiste woonlocaties in Nederland zijn.
“We krijgen niet door het het leven toebedeeld wat we niet aan kunnen.”
“Hoe bedoel je?”
“Ik zag je wel kijken naar mijn rolstoel.”
“Dat is een normale reactie, toch? Als je peentjeshaar had gehad, had het me ook moeite gekost dat te negeren.”
Hij neemt een slok van zijn whisky alsof het appelsap is en staart met me mee naar buiten. “Dit is mijn nieuwe leven. In mijn vorige leven deed ik waar andere mensen alleen maar van dromen: catamaranzeilen rond Liberty Island, deltavliegen langs de Victoria watervallen, bungeejumpen van de Millau-brug.”
“Mag je daar vanaf springen, dan?” vraag ik me hardop af.
“Als je genoeg geld meebrengt, mag je alles. Het is overigens wel een hele mooie plek om je leven te beëindigen.”
“Maar jij hebt het overleefd.”
“Ja en nee. Mijn oude leven hield daar op.”
When I was thirty-five, it was a very good year…‘ doorbreekt Frank de stilte.
“Ik zie het niet als een straf, maar als een teken van boven. Het Universum vond blijkbaar dat ik aan een nieuwe uitdaging toe was.”
“Het universum?”
“Noem het hoe je wilt. God, Allah, De Grote Baas. Iemand besloot dat dit moest gebeuren.”
“Ik wist niet dat je een religieuze inslag had.”
“Het begint te komen.” Hij staart in zijn glas. “Gandhi had gelijk, weet je dat?”
“Gandhi?”
“Je kan iemand ketenen, martelen, kreupelen, zijn lichaam afnemen, maar zijn geest kan je niet opsluiten.”
“Ik geloof dat ik je even niet kan volgen.”
“Als industriemagnaat heb ik veel van de wereld gezien, maar vanuit mijn rolstoel zie ik veel meer. De verbeeldingskracht van een schrijver is namelijk grenzenloos. Als ik dat wil, bezoek ik andere tijden, andere werelden. Andere dimensies.” Hij kijkt me aan en even zie ik de dromer in hem. “Weet je, Thomas. Ze zeggen wel eens ‘the sky is the limit’, maar wie dat zegt, is geen schrijver.”
Dan schiet hij weer in zijn rol. “Bovendien is de beloning voor een schrijver hoger. Ik heb respect van mijn lezers. Ik inspireer ze, meer dan ik mijn personeel ooit heb geïnspireerd.” Hij pauzeert even. “Ik zou bijna zeggen dat die dwarslaesie het beste is dat me is overkomen.”
Ik zie de reden van zijn plotselinge zakelijke houding: de vrouw die binnenkomt begint medicijnen te rangschikken op de dichtstbijzijnde tafel.
“Wilma. Mijn kwelgeest, mijn folteraar. Mijn demon.”
“Ja, ik hou ook van jou, lieverd.”
Gerard kijkt me gelaten aan. “Dit is waar mijn avonturen me gebracht hebben: drie maal daags een zetpil. Dus daar is het gat van de deur, meneer de journalist. Maak er een mooi artikel van. Break a leg.”
“Nee, bedankt. Ik ben nog niet klaar met dit leven.”
Ik begeef me naar de achterdeur, Gerard rijdt een stukje met me mee. Ik stap naar buiten, de deur nog in mijn hand.
“Thomas?”
Ik draai me om.
“Wees geen vreemde. Je weet nu waar ik woon.”

Advertenties

Vergeten groep

“Ik ben opgegroeid in een warm nest. Mijn moeder cijferde zichzelf weg om ons een onbezorgde jeugd te geven en mijn vader werkte lange dagen om ervoor te zorgen dat het ons aan niets ontbrak. En tussendoor maakten ze altijd tijd om ons te laten merken dat ze van ons hielden. Ik ben nooit gepest, niet seksueel misbruikt, hoef niet uit de kast te komen en heb zelfs nog nooit een burn-out gehad. Er is dus geen enkele praatgroep waar ik terecht kan.”
“Dus, wat is nu je probleem?”
“Dat ik geen problemen heb.”

Einde

Hij lag op bed, zij lag in peignoir in zijn armen. Hij onderdrukte de pijn van zijn artrose; haar laatste momenten moesten draaglijk zijn.
Buiten op de gang ging het leven door.
Met haar grijsblauwe ogen staarde ze hem aan. “Weet je nog, ons eerste afspraakje? Je keek me diep in mijn ogen en zei…”
“Trouw met me, baar mijn kinderen en laat me in je armen sterven.”
“En je meende het.“
“Nou en of.”
“Het leven heeft een raar gevoel voor humor.” Met een laatste, nauwelijks hoorbare zucht sloot ze haar ogen.

Oom Roel

Een kerstverhaal, geschreven naar aanleiding van een opdracht in de Facebookgroep ‘Korte Verhalen en Gedichten’: schrijf een verhaal van maximaal 700 woorden, over een kerstdiner en een geheim. Het verhaal liet zich echter niet vangen in 700 woorden.

“Dag, meneer de Gier.”
“Jezus.”
“Bijna goed. Ik ben het, Roel.”
Edwin riep de gang in. “Hé Rian, raadt eens wie er op de stoep staat. Mijn broertje.”
“Hij blijft toch wel eten?” klonk vanuit de keuken. “Ik heb toch weer teveel gemaakt.”
“Je vindt het toch niet erg dat ik op eerste Kerstdag onaangekondigd op je stoep sta?” zei Roel.
“Natuurlijk niet, man. Kom binnen.”
Ze liepen de woonkamer in. “Hé jongens, kijk eens wat ik op de stoep gevonden heb.”
“Oom Roel!” Remco en Fleur sprongen op en verwelkomden hem met een dikke knuffel.

Met zijn zilver-met-paarse versiering schitterde de blauwspar op een prominente plaats in de woonkamer en de geur van zijn groen vermengde zich met het aroma van wildbraad, stoofperen en andere kleurige gerechten die de kersttafel sierden.
De kinderen hingen aan Roels lippen terwijl hij verhaalde over de landen waar hij als freelance journalist geweest was: Ivoorkust, Nicaragua, Jemen.
“Jij komt op plaatsen waar mensen nog nooit van gehoord hebben,” zei Edwin.
“Ach, het brengt brood op de plank,” zei Roel. “En het is beter dan vakken vullen bij de buurtsuper.” Met zijn wijnglas in zijn hand wees hij naar zijn broer. “Maar jij beleeft het mooiste avontuur.”
“Ik?” Verbaasd rechtte Edwin zijn rug.
“Het is helemaal niet zo vanzelfsprekend dat je in één mensenleven je zielsverwant al vindt. Veel mensen nemen genoegen met een zeven, omdat ze een solitair bestaan niet aan kunnen. Maar jullie…” vervolgde hij, terwijl hij van Edwin naar Rianne wees, “zijn star crossed souls. Dat voel ik. En daarom hebben jullie zulke mooie kinderen.” Roel zakte achterover in zijn stoel en gaf de kinderen een gulle knipoog.
“Je gaat toch niet sentimenteel worden, hè?” zei Edwin.
“Ik prijs me gelukkig dat ik even bij je gezin mag horen.” Roel hief zijn glas en nam een slok Merlot.

“Je kan blijven slapen, hoor,”zei Edwin, met de deurknop in zijn hand. “Geen probleem.”
“Nee, ik moet weer weg. ‘Roeland, de razende reporter’, hè?”
“Pas goed op jezelf,” zei Edwin met een vermanende wijsvinger.
Roel gaf een knipoog, maakte een pistoolgebaar met wijsvinger en duim en verdween in de nacht.
Toen de kinderen naar bed waren voegde Rianne zich bij Edwin in de keuken. Hij staarde met een lege blik voor zich uit en zijn armen hingen loom langs zijn lichaam. Zijn telefoon plofte op de grond.
“Wat is er?”
“Ik moet naar het ziekenhuis. Roel is dood.” Hij keek haar ontredderd aan. “Hij is vanmorgen vroeg overleden.”

Rond de receptiebalie hing een sfeer van dagelijkse bedrijvigheid. Niemand leek Edwins aanwezigheid op te merken, op één vrouw na.
“Meneer de Gier?” Ze stak haar hand uit. “Ik ben Alma Janssen. U had mij aan de telefoon.”
“O, ja.” Verdoofd schudde hij haar hand.
Ze nam hem mee naar een klein kantoor. “Wilt u iets drinken? Koffie, of een glas water?”
“Nee. Het gaat wel. Wat is er gebeurd?”
“Uw broer is overleden aan de gevolgen van een onbekend virus dat hij in het buitenland heeft opgedaan.”
“Een virus?“
“Hij heeft geen pijn geleden.”
“Maar hoe kan hij vanochtend zijn overleden?” Edwin begreep hoe absurd het zou klinken als hij haar probeerde uit te leggen wat hij zelf niet eens begreep.
“Ik begrijp uw verwarring. Dat is heel normaal in zo’n situatie. Wilt u hem nog zien?”
“Ja,” hoorde hij zichzelf zeggen.
“Ik heb nog met uw broer gesproken voor hij stierf,” zei Alma, terwijl ze door de ziekenhuisgangen liepen. “Het was heel opmerkelijk. Veel mensen zijn bang voor de dood, vechten ertegen, maar hij niet. Hij vond dat hij een mooi leven had gehad.”
“Ja, dat klinkt wel als mijn broer.”
“Er was maar één ding dat hij heel graag had willen meemaken.”
“Wat was dat?”
“Deel uitmaken van een liefdevol gezin.”
Het mortuarium was een ruimte die was ingericht op functionaliteit: roestvrijstalen tafels en opbergkasten, tegelwerk en afvoergoten voor zaken waar men liever niet aan wilde denken. In het bleekwitte tl-licht stond een ontleedtafel waarop een lichaam onder een laken lag: Roel.
Edwin had dit tafereel gezien in misdaadseries, maar had nooit verwacht er zelf mee geconfronteerd te worden. De geur van formaldehyde prikkelde zijn neus en teisterde zijn maag terwijl hij schoorvoetend naar de tafel liep.
Naast de tafel wachtte een magere man in een groene labjas. Een type dat Roel gekscherend ‘Magere Hein’ zou hebben genoemd.
Edwin voelde zich zo leeg als het omhulsel dat voor hem lag; de essentie van wat zijn broer was, was al verdwenen. Er restte slechts een tevreden, bijna geruststellende glimlach om de bleke lippen. Het is goed zo.

Vuurwerk

De brand, begonnen in het magazijn aan de achterzijde van het pand, zette de blinde muur van het aangrenzende gebouw in een oranjerode gloed. Oplaaiende vlammen en schaduwen van de bedrijvigheid in de steeg erachter toverden het gebouw om in een psychedelische achtergrondprojectie van een jaren zeventig popgroep.
Staande in de deuropening aan de voorzijde van het pand werd zijn aandacht opgeëist door het schouwspel dat zich binnen afspeelde: langs het plafond dansten kleine vlammen hem in een hypnotiserend ballet enthousiast tegemoet, en dichter bij de grond tuimelden vuurbollen over elkaar heen, op weg naar de zuurstofrijke buitenlucht achter hem. Terwijl het vuur hem begon in te sluiten, de hete lucht aan zijn luchtwegen vrat en zijn ogen brandden van de rook, dwong hij zichzelf nog iets langer van het moment te genieten. Het had hem genoeg moeite gekost dit vurige crescendo te componeren.
Het was een gebruikelijke verzekeringsfraudefik voor een vastgoedbeheerder, al was in dit werk nooit sprake van routine. Een klus die vroeg om maximale schade, met minimale kans op slachtoffers. Hij verstond zijn vak en dus zou ook deze brand op een ongeluk lijken. Hij zou rijkelijk beloond worden van het opgestreken verzekeringsgeld, maar dat was niet zijn drijfveer. Zijn beloning was een zitplaats op de eerste rij van de voorstelling die hijzelf had geregisseerd; een muziekstuk dat alleen voor zijn oren eenmalig werd opgevoerd, een schilderij dat na voltooiing werd vernietigd, zodat geen andere ogen het konden bezoedelen. Hij was de ultieme kunstenaar, en zijn vloek was dat niemand zijn werk ooit op waarde zou schatten.
Plotseling werd hij opgeschrikt uit zijn euforie.
“Verburgt! Sta niet te dromen, man,” brulde zijn commandant. “Pak die spuit en versla dat beest voordat we de hele klerezooi hier op ons kop krijgen.”

Vrienden Plus

(een erotisch verhaal)

De begincredits van ‘Ghost’ trokken voorbij op het televisiescherm. Hij zat op de bank, wijn en hapjes stonden op tafel. Zij was in de weer met kaarsen en wierook.
“Wat doe je nu?”
“Gewoon, even gezellig maken.”
“De film begint, kom nu maar zitten. Maar niet te dichtbij, hè?”
“Nee meneer.” Ze stak nog net haar tong niet uit.

Terwijl aan de andere kant van de kamer de jukebox van Sam en Molly naar een nieuw 45-toerenplaatje zocht, zou hij zweren dat ze bij het verzitten dichterbij schoof. ‘Unchained Melody’ klonk als een belofte door de kamer. Zijn reactie peilend keek ze hem aan. Beiden wisten ze wat dit nummer inluidde. Althans, in de film.
“Is er iets?” Zijn mondhoeken gleden omhoog.
“Nee, niks.”
Begeleid door The Righteous Brothers kneedden Molly en Sam met ineengestrengelde vingers de natte pottenbakkersklei tot een mislukte vaas. ‘I’ve hungred for your touch…’
Ze legde haar hand op zijn dijbeen, als iemand die tijdens een gruwelijke horrorscène ongewild een ander begint te knijpen.
“Ik dacht dat we het vriendschappelijk zouden houden?” De opwinding begon zich meester van hem te maken. Ze was immers een begeerlijke vrouw en ze wilde hem. De sfeer deed de rest.
De passie die van het scherm spatte deed zijn werk; hij besloot er aan toe te geven. Zij was al verder. Veel verder. Ze legde haar hand op de bult in zijn broek. “Hm. Doet je niks, hè?”
Hij trok zijn wenkbrauwen op, in een mislukte poging tot onverschilligheid. Maar zijn hart ging tekeer als een gek.
In een mum van tijd had ze haar slipje onder haar rok vandaan gewerkt en zijn mannelijkheid uit zijn jeans bevrijd. En toen ze langzaam over hem heen schoof, bevrijdde ze een lange, bijna onhoorbare zucht. Ze keek hem vol overgave aan, haar vochtige lippen glimmend in het kaarslicht.
“Ik geloof dat we de film een andere keer maar af moeten kijken,” zei hij zwaarademig. “Eerst wil ik jou.”
“Dito,” glimlachte ze geforceerd.
Hij legde zijn handen tegen haar flanken, ging verzitten zodat hij nog verder in haar drong en drukte zijn mond op de hare.
‘I’ll be coming home, wait for me…’ echode door de kamer.