Schrijven is vertalen

En dan is je verhaal klaar. Voldaan kijk je naar het resultaat; je bent er wonderwel in geslaagd het verhaal zoals dat in je hoofd zat op papier (of in de pc) te krijgen. Als schrijven voor jezelf je enige drijfveer is, ben je als schrijver geslaagd in je opzet.
Maar de kans is groot dat je zó tevreden bent met je creatie, zó trots op je pasgeborene, dat je deze aan de wereld wil laten zien. Want wat is er mooier dan anderen delen in jouw enthousiasme voor het zojuist geschrevene? Er is immers geen grotere kick voor een schrijver dan het vinden van een schare enthousiaste lezers. Het krijgen van de spreekwoordelijke erkenning.
Of je ego nu je drijfveer is of je enthousiasme om je verhaal te willen delen, nu zal je je verhaal moeten gaan vertalen. Want de gemiddelde lezer zal niet in jouw hoofd kunnen kruipen. Hij of zij kent jouw gedachtengang niet. Dus zal je je verhaal toegankelijker moeten maken. Bedoelingen uitleggen, darlings killen. Zodat de gebeurtenissen die voor jou vanzelfsprekend zijn voor de onwetende lezer ook duidelijk worden.
En jij dacht dat je klaar was.

Advertenties

Ruilhandel

De woudwinkel staat op geen enkele kaart, geen navigatiesysteem ter wereld kent het adres. Na weken zoeken en vragen sta ik eindelijk tussen de toverketels, mantels, spreukenboeken, blikjes salamanderslijm met kikkerogen en magnetronspinnenweb. Mijn blik blijft steken bij een uitzonderlijk exemplaar van een toverstaf, prominent geëtaleerd in een vitrine. Hier ben ik voor gekomen.
De winkelgnoom komt handenwrijvend bij me staan. “Monneer heeft smaak. Dat is de Antheon Hellfire III. Gemaakt uit gecertificeerd spreukenboshout, door zeven dwergen. Dé zeven dwergen. De Hellfire III kan spreuken sneller verwerken dan de gebruiker kan uitspr…”
Ik hef mijn hand. “Ik neem ‘m.”
“En hoe gaat monneer betalen?” Zijn grote zwarte ogen glimmen triomfantelijk.
Ik reik tussen mijn gewaad en haal een boon tevoorschijn. “Deze komt van Sjaak.”
Zijn ogen worden nog groter. “Van de bonenstaak?”
“De enige echte.”
De gnoom deinst terug. “Ik geloof u niet.”
“Oké, dan gaat de koop niet door.” Ik maak aanstalten de winkel te verlaten en kijk nog eenmaal over mijn schouder. “Wil je echt de kans op de kip met de gouden eieren laten schieten?”
“Oké, oké. U wint.”
Gnomen zijn zo heerlijk voorspelbaar.
“Als monneer nog even de disclaimer van 300 pagina’s wil tekenen…”
Zelfs sprookjes zijn niet meer wat ze waren.

Verhalenverteller

Met de door zijn uitgever aan hem opgedrongen laptop in een legergroene pukkel klimt Martin op zijn brommer, voor zijn wekelijkse bezoek aan het dorp. Van de cafébaas mag hij de internetverbinding gebruiken om zijn voltooide werk digitaal naar zijn uitgever te sturen.

Twee maanden later loopt hij langs de etalage van de lokale boekwinkel: ‘Het langverwachte vervolg op Martin Koch’s science fiction bestseller ‘2041’ is uit!’
En de boulevardbladen speculeren over de miljoenen die zijn bestsellers hem hebben opgeleverd. Onmiddellijk verlangt Martin terug naar de rust van zijn bootje in het veen, naar de romantiek van het belletje van zijn Remington.

Invasie

Drie dagen wierp het indrukwekkende gevaarte zijn dreigende schaduw over een groot deel van de stad. De inzittenden van het kolossale ruimteschip hadden zich nog niet laten zien, maar de uitgezonden boodschap hield linguïsten, wiskundigen, computerdeskundigen en zelfs antropologen wereldwijd bezig. Dag en nacht werd er gewerkt om de boodschap van de interstellaire bezoekers ontcijferd te krijgen.

Plotseling zwaaide de deur van de tijdelijke commandopost nabij de ‘landingsplek’ open. Met een computeruitdraai in de hand gekneld stormde een van de taalkundigen opgewonden naar binnen. “Ik weet wat de boodschap betekent!”
“Invasie?”
“Nee, ze komen een kopje suiker lenen.”

Naaktstrand

Het naaktstrand was nagenoeg verlaten, dus ze hadden vrij spel.
Haar tepels verraadden haar gemoedstoestand en ook zijn lichaam kon de opwinding niet ontkennen. Haar ademhaling werd zwaarder toen hij met zijn vingertoppen de rondingen van haar boezem volgde. Met vochtige ogen keek ze hem verlangend aan. “Mijn lijf tintelt.”
Hij was op de goede weg. Langzaam volgde zijn handpalm de welvingen van haar buik en bekken, op weg naar het beloofde land.
“Ik hoor muziek,” zuchtte ze opgewonden.
Hij staakte zijn ontdekkingstocht en slaakte een zucht. “Je ligt op je telefoon, lieverd.”

Taalnazi

Het taalgebruik van de gemiddelde Nederlander gaat zienderogen achteruit. De enige taalhulp die de jeugd buiten school lijkt te hebben is Google Translate en autocorrectie op tablet of smartphone. Opvoeders bieden hierin ook al weinig soelaas, zij hebben het op school geleerde allang overboord gegooid en laten zich leiden door verkeerde bronnen. Elke semi-analfabeet kan tegenwoordig een blog of socialmediakanaal beginnen en dit volgooien met de meest onvergeeflijke taalfouten. Taalfouten die veel onverschillige lezers voor waar aannemen en klakkeloos kopiëren. Argumenten als ‘iedereen doet het’ of ‘je weet toch wel wat ik bedoel?’ lijken een vrijbrief om er taalkundig op los te kunnen hakken.

taalnazi-batman-robin

Dit verschijnsel levert steeds vaker tenenkrommende fouten op. Een nachtmerrie voor elke taalpurist, ondergetekende inbegrepen. Als een politieagent met zijn bonnenboekje in de aanslag jeuken mijn handen om de dader op de digitale vingers te tikken, maar dat is onbegonnen werk. De verleiding is groot om op elke taalslak zout te leggen, maar ik hou me in. Ik val niet over elke uitglijder waar iedereen – ook ik – zich wel eens schuldig aan maakt, maar kan me wel mateloos ergeren aan fouten die voortvloeien uit onverschilligheid.
Mensen zoals ik noemt men tegenwoordig een taalnazi, een bijnaam waar ik aanvankelijk wat moeite mee had. Want wie wil er nu vergeleken worden met een handlanger van een van de grootste massamoordenaars uit de geschiedenis, alleen omdat je je kritisch bent op correct taalgebruik? Dat is hetzelfde als een vrouw die vrienden verzamelt op Facebook een facebookhoer noemen, of Sinterklaas beschuldigen van pedofilie omdat hij van kinderen houdt.
taalnazi-wakker-liggen

Het is een scheldnaam, bedacht door mensen die niet taalvaardig genoeg zijn om een vriendelijker alternatief te bedenken. Net als de pestkop op school die jou allerlei niet bestaande tekortkomingen toeschrijft om de aandacht van zijn eigen onzekerheid af te leiden.
Omdat ik als taalpurist ongetwijfeld vaker tegen deze kreet aan zal lopen ben ik het, in mijn onverwoestbare optimisme, gaan zien als een geuzennaam: ‘een erenaam die men zichzelf geeft, terwijl deze oorspronkelijk door anderen als scheld- of spotnaam werd gebruikt.’ (bron: Wikipedia).
‘Taalnazi’ is een scheldnaam die ik met trots zal dragen. Omdat ik trots ben op mijn taalvaardigheid en de taak die ik mezelf heb opgelegd als taalhoeder. Ik moet van mezelf namelijk streng zijn en waken voor fouten, wil ik als schrijver serieus genomen worden. Als ik een boek wil uitgeven moet het niet redelijk zijn of adequaat, maar goed, zo goed als ik het schrijven kan.
Dan ben ik maar een taalnazi.
taalnazi-brilsmurf

Niet geschoten…

Normaal gesproken doe ik niet aan schrijfwedstrijden mee. Het schrijven van een verhaal dat moet imponeren kost tijd, vooral als dat een ander genre is dan waar mijn hart ligt. Dus als ik een serieuze poging zou wagen in bijvoorbeeld het thriller- of horrorgenre, zou ik waarschijnlijk de uiterste inzenddatum niet halen. Bovendien steek ik die tijd en energie liever in mijn debuutbundel.
En wat levert het me op als ik de eerste, tweede of derde plaats bereik in de gemiddelde schrijfwedstrijd? Erkenning voor mijn schrijfkwaliteiten en een beetje naamsbekendheid.

LS schrijfwedstrijd 2016

Het wordt natuurlijk anders als het gaat om een verhalenwedstrijd op niveau in het genre ‘magisch realisme’, fantasy-, science fiction- en horrorverhalen. Zoals de Harland Awards, waarvoor ik zonder lang nadenken mijn eerste twee voltooide verhalen ‘Alles op zijn tijd’ en ‘Het doet maar even pijn’ heb ingezonden.
In afwachting van de uitslag van deze wedstrijd kreeg ik een tip van medeschrijver Bianca Toebak. Het was de aankondiging van verhalenwedstrijd ‘Elfia Haarzuilens 2016′, uitgeschreven door Luitingh-Sijthoff, ’s lands bekendste uitgeverij in het genre. Luitingh-Sijthoff geeft onder andere romans uit van Stephen King en Preston & Child. Need I say more?
Ik zou dus gek zijn als ik deze kans liet liggen.
Nu rijst de vraag: welk verhaal stuur ik in? ‘Alles op zijn tijd’ (over een truckchauffeur die terugreist in de tijd en zijn eigen bestaan in gevaar brengt) is een leuk verhaal, maar niet indrukwekkend genoeg voor dit doel. En ‘Het doet maar even pijn’ (over een man die zijn angst voor de tandarts te lijf gaat met zelfhypnose) is tegen de regels, want ik heb het al ingezonden voor een andere wedstrijd.
Dus zit er niets anders op mijn derde verhaal, ‘De held’, eindelijk eens af te maken en in te zenden vóór 28 maart. Het is weliswaar mijn beste verhaal tot op heden, maar voldoet (misschien) niet aan het thema van deze wedstrijd: ‘Time & Space’. Toch zal mij dat niet weerhouden van inzending, want mijn doel is niet in de eerste plaats het winnen van deze wedstrijd, maar de aandacht op mijn werk vestigen. Want dan kan mijn schrijfcarrière wel eens in de broodnodige stroomversnelling terecht komen. Het zou de stok achter de deur kunnen zijn die ik nodig heb om mijn productiviteit op te schroeven.

“Als je meedoet aan deze wedstrijd, ben je bereid een (optie)contract te sluiten met uitgeverij Luitingh-Sijthoff voor de eventuele publicatie van het werk.”