Pumps of koriander

De vrouw staarde naar de groen suède pumps in de etalage.
Hij hield achter haar stil. “Wat let je?” zei hij op bijna fluistertoon over haar schouder. “Verwen jezelf. Ze passen bij je.”
Met een glinstering in haar ogen keek ze achterom. “Echt waar?”
“Echt waar.”
Ze rechtte haar rug. “U heeft gelijk. Je leeft maar één keer.” Vastberaden stapte ze de winkel in.
Tevreden glimlachend liep hij naar huis.

“Heb je koriander meegebracht?” riep ze vanuit de keuken.
Hij hing zijn jas op de kapstok. “Sorry. Vergeten.”
“Vergeten? Ik kan ook niks aan jou overlaten.”
“Wat heb ik nu aan jou…,” fluisterde hij.
“Wat heb ik nu aan jou?” echode het vanuit de keuken.
“Jij?” zei hij zacht. “Niks.”
“Wat zei je?”
“Niks, schat.”
“Precies. Niks heb ik aan je.”
Hij schopte zijn schoenen uit, naast haar afgetrapte pumps.

Advertenties

Nederland anno 2019

Bron foto: Pixabay

“Toen we het huis kochten was het heel wabi-sabi, en het deurbeslag had een mooie laag patina. Maar we kregen het maar niet Feng Shui. En ik wil natuurlijk wel met een goed gevoel in mijn eigen huis van een Beaujolais en een Wagyu-steak genieten, als je begrijpt wat ik bedoel.”
“Helemaal,” lieg ik.
“Dus toen we met de kids in de SUV naar de KFC gingen voor een spicy chicken wrap en een milk shake, zijn we daarna meteen maar doorgereden naar de woonmall. En daar vonden we dus het antwoord op ons probleem.”
Ik kijk rond en probeer tussen de grijs- en aardetinten wat kleur te ontdekken. Ik zie kiezelstenen, dode Xenos-takken en oubollige spreuken aan de wand. “Dus nu moet je huis Feng Shui zijn?”
“Volgens die verkoper van JYSK wel.”

Visioen

Bron foto: Pixabay

Niemand wist hoe groot de schade zou zijn die de millenniumbug kon aanrichten. De wereld was nog volop bezig het wereldwijde web te ontdekken; we sloegen onze internetvleugels uit en wisten niet welke digitale valkuilen ons wachtten. Volgens een worst case scenario zouden besturingssystemen van overheid, nutsbedrijven en providers het laten afweten en verviel de wereld in chaos.
Het bleek een storm in een glas water. Op enkele huis–tuin–en–keukenklokken na, die de nieuwe eeuw niet herkenden, bleef alles functioneren. 1 januari 2000 was gewoon de dag na 31 december 1999. Vrees voor de millenniumbug was de fantoomangst van de eeuw gebleken.

De ontdekking van de nieuwe digitale wereld raakte in een stroomversnelling, het enthousiasme van cyberpioniers kende geen grenzen. Ze dachten ongestraft hun virtuele zandbak te kunnen uitdiepen: meer data, meer snelheid, meer bandbreedte. Meer vrijheid, dus meer draadloos. Radiogolven en televisiefrequenties moesten het opnemen tegen WiFi, DECT, Bluetooth, 3G, 4G, 5G. Het was slechts een kwestie van tijd voor de atmosfeer verzadigd raakte met frequenties, signalen, data, beeld– en geluidsgolven.
En toen de tijd rijp was verschenen de Bliksemruiters. Evolutietheorie of scheppingsverhaal; nieuwe levensvormen dienen zich aan als de omstandigheden gunstig zijn. Ze verspreidden zich razendsnel. Voor het duidelijk werd waarmee we te maken hadden – en we ons er tegen konden wapenen – had het elektronische ongedierte zich al wereldwijd in netwerken genesteld. Bliksemruiters richtten onherstelbare schade aan in elektrische installaties en besturingssystemen, computers van effectenbeurzen, ziekenhuizen en luchthavens. De moderne samenleving was nog nooit zo ontwricht geweest. Media spraken van een ‘Derde Wereldoorlog’.
Servers waren compleet geroosterd, data voorgoed verloren. De schade was onherstelbaar. Elke computer op aarde was gereduceerd tot een verzameling nutteloze onderdelen.
De mensheid viel terug in een pre-elektronicatijdperk, de enige omgeving waar de Bliksemruiters geen bestaansrecht hadden. Ze verdwenen net zo snel als ze gekomen waren, maar de wereld was in chaos. De mensheid kreeg de rekening gepresenteerd voor zijn hoogmoed.
De wereld had een reset nodig.

Impeachment

Het ‘stoeltjesliftschandaal’ in Bangla Desh, dat zelfs de Lewinsky-affaire en Watergate deed verbleken, resulteerde in een volgens velen onvermijdelijk impeachment van president Trump. Eindelijk werd duidelijk dat het Amerikaanse kiessysteem grondig diende te worden herzien. Criteria werden aangepast, kansen voor vrouwelijke kandidaten vergroot en vanwege de invloed op de wereldpolitiek was zelfs het Amerikaans burgerschap niet langer een vereiste voor de nieuwe presidentsverkiezingen.
Voor het eerst in de geschiedenis van de Verenigde Staten van Amerika liet een vrouw van buiten de landsgrenzen zich overhalen het ambt van Donald Trump over te nemen.
“Ik heb het nog nooit gedaan, dus ik denk dat ik het wel kan,” sprak president Langkous vol vertrouwen haar kiezers toe tijdens haar inauguratietoespraak.

Vrij reizen

Het einde is het mooiste moment van de dag. Geen plichtplegingen, geen zakelijke, huishoudelijke of sociale verwachtingen meer om aan te voldoen. Het huis is een oase van stilte.
Ik glijd mijn bed in, rol mij in bijna-foetushouding en boetseer het dekbed rond mijn lichaam. Dit is mijn veilige plekje, mijn cocon.
Ik archiveer de gebeurtenissen van het afgelopen etmaal en leg de geluksmomentjes op een bewaarplankje; tijdens mijn reis naar dromenland is geen ruimte voor bagage. Mijn bed is mijn treincoupé, de mand van mijn luchtballon, mijn ruimteschip. Mijn tijdcapsule.

Ik denk niet dat ik mijn cocon ooit nog deel met iemand, die me van mijn reis weerhoudt voor een afscheid.

Nooit te oud

“U vindt het niet erg om alleen te zijn hè, meneer ter Wolde?” zegt Wilma, terwijl ze zijn stofzuiger in de kast zet.
“Waarom vraag je dat?” Hendrik kijkt op van zijn spelletje Patience.
“Ik zie u zelden in de huiskamer.”
“Ik ben het grootste deel van mijn leven alleen geweest. Ik ben het gewend.” Hij heft zijn kromme wijsvinger. “Maar ik heb heus wel liefde gehad in mijn leven, hoor. Dat wilde je toch horen?”
“U heeft me door.”
“Ik ken de vrouwen wel een beetje. Ik ben immers getrouwd geweest. En ik hield van haar, al was ze niet de ware. Toch was dat huwelijk nodig.”
“Nodig?” geroutineerd stoft Wilma de beeldjes van het kerststalletje af.
“Anders had ik mijn kinderen niet gehad. Want kinderen geven onvoorwaardelijke liefde.”
“Maar u bent zo’n lieve man, u verdient een liefhebbende vrouw.”
“Alles moet een mens leren. Zelfs liefhebben. Niemand is ergens ineens heel goed in. Ik was nooit goed in liefhebben. En als je ergens niet goed in bent, moet je niet blijven aanmodderen.”
“Wat een onzin. Ieder mens heeft het vermogen om lief te hebben. U gelooft dus ook niet in de ware liefde? De zielsverwant, waarvan je zoveel houdt dat alle tekortkomingen er niet meer toe doen?”
“Ik ben er van overtuigd dat het bestaat, maar heb al lang geleden de conclusie getrokken dat het niet voor iedereen is weggelegd.”
“Is er nooit een bijzonder iemand geweest?”
Hendrik veinst een diep nadenken. “Er was wel iemand die heel dichtbij kwam. Ik ontmoette haar tijdens een groepsvakantie, in Griekenland.”
Ze gaat bij hem aan tafel zitten, stofdoek in de hand. “Wat gebeurde er?”
“Eigenlijk niets bijzonders.” Gelaten haalt hij zijn schouders op. “We waren jong. Onze wegen scheidden zich.”
“Heeft u zich nooit afgevraagd hoe het haar is vergaan?”
“Af en toe duikt ze even op.” Hij legt zijn hand op zijn hart. “Still carrying a torch for her.”
“Pardon?”
“In de Engelse taal kunnen ze sommige dingen zo mooi zeggen.”

Voor het eerst in maanden staat het raam in Hendriks kamer weer open. Geluiden uit de tuin kondigen de lente aan, als Wilma de vaasjes op de schoorsteenmantel afstoft. “We hebben een paar nieuwe bewoners, meneer ter Wolde. Komt u straks naar de huiskamer om kennis te maken?”
“Ach, ik zie ze bij het avondeten wel.”
“Ik dacht wel dat u zoiets zou zeggen, maar ik mag het toch blijven proberen?”
“Ja, hoor. Jij wel.”
Als Hendrik die avond de eetkamer binnenschuifelt, valt het oranjeroze licht van de ondergaande zon over het dak van de zuidvleugel naar binnen. Aan een van de tafels zit een oude vrouw die hij niet zou mogen herkennen. Maar één blik in haar blauwgrijze ogen doet hem zijn rug rechten en zijn longen vullen. Het is alsof zijn hart plotseling wil overstromen van jarenlang ingetoomde liefde. Hij is weer zesentwintig, op Levkas, en zit met haar in een restaurantje in Nidri. De rest van het tafelgezelschap vervaagt in een kakofonie van vakantieplezier als hij dit moment van gelukzaligheid in zijn hart sluit. Hij is met het meisje waar hij van houdt.
Vastberaden loopt Hendrik op de vrouw af en Dinie, een van de dames van het personeel, komt bij hen staan. “Dit is mevrouw …”
“… Veerman,” vult hij haar aan. “Mia Veerman.”
Hij pakt haar hand, wil haar niet meer loslaten. Nooit meer.
“Dag, Hendrik.” Haar stem trilt zacht, maar klinkt vertrouwd, geruststellend.
“Ik …,” hoort Hendrik zichzelf stamelen. “Je lijkt niet erg verbaasd.”
Ze legt haar andere hand op de zijne. “Ze hadden me al verteld dat je hier woont.”
“Maar, dat jij en ik elkaar nog mogen ontmoeten …”
“Dat moet zo zijn, Hendrik.” In haar ogen ziet hij een nimmer vervaagde levenslust, een toekomst en geborgenheid.
Dan valt zijn oog op de reproduktie die al jaren in de eetkamer hangt: het Vrijheidsbeeld. De fakkel. “Ja, dat denk ik ook, Mia.”

Slecht

Winfield Creek ligt er loom bij in de namiddagzon. Tuimelkruid rolt door de hoofdstraat, het stadje is op sterven na dood. Het kraken van Zebediah Jones’ schommelstoel verstoort de regelmaat van de piepende waterpomp. Hij spuugt een fluim pruimtabaksap over het hek van zijn veranda.
Hoeven klossen dof door de hoofdstraat, meer stof waait op.
In de saloon is de opwinding ver te zoeken. One Eyed Pete probeert tevergeefs iets melodieus uit de ontstemde piano te halen. Barman Dan poetst whiskyglazen.
Laarshakken klinken hol op de houten veranda, sporen rinkelen mee op het ritme. De piano zwijgt. Mac Moody, Billy Two Guns en Mad Jack Trullo laten hun speelkaarten zakken. Alle ogen zijn op de entree gericht.
De klapdeuren zwaaien onder protest open, een forse gestalte blokkeert het schamele zonlicht. De vreemdeling stapt verder, gevolgd door een kleine zandstorm.
Barman Dan poetst glazen. “Wat zal het zijn, vreemdeling? We hebben whisky… en whisky.”
Met een bonk belandt de Colt Peacekeeper op de bar; de man in het zwart laat zijn hand op de revolver rusten. “Whisky. Een dubbele.” Zijn gezicht staat op onweer. Hij neemt het hem toegeschoven glas tussen duim en wijsvinger, keilt het goedje in een keer in zijn keelgat en poot het glas terug op de bar. De stilte die volgt is te snijden.
“Kut!”
“Check the gate.” De regie-assistente springt op van haar klapstoeltje, het script dubbelgevouwen in haar hand.
“Niks gate-check,” zegt de regisseur. “Wie riep er ‘cut’?”
“Ik riep ‘kut’,” zegt de man in het zwart. “Wat is dit voor een waardeloos script? Het staat bol van de clichés. Wie schrijft zulke pulp? Daar kan ik toch niet mee werken?”
Na drie pogingen slaagt de acteur erin de dummy in de holster te steken en beent de set af. “Ik ga een latte macchiato drinken in mijn trailer. En laat iemand alsjeblieft die stomme klapdeurtjes smeren.”