Theezakjeswijsheid 2.0

Theezakjeswijsheid 2.0

De vraag die het labeltje van mijn theezakje me vanmorgen stelde, “Wat zou je nog heel graag aan iemand willen vragen?”, zou een simpele kunnen zijn, die nog vóór het nemen van de eerste slok Earl Grey beantwoord en vergeten is. Zoals het aan een vriend terugvragen van een uitgeleend boek of de vrijgezelle overbuurvrouw mee uit vragen. Maar ik heb geen boeken uitgeleend – dat ik me kan herinneren – en wie mijn overbuurvrouw kent weet meteen mijn antwoord op de tweede vraag.

Mijn lichaam heeft minstens een ontbijt en twee koppen koffie nodig voor er van ‘wakker’ kan worden gesproken, maar mijn grijze massa heeft aan deze Pickwick-uitdaging genoeg om ‘out of the box’ te springen. Moet die persoon zich per se onder de levenden bevinden?
Nog voor mijn kiezen mijn boterham met marmelade hebben verwerkt draait mijn brein al op volle toeren. Wat zou ik mijn vader, die al bijna dertig jaar aan Gene Zijde verblijft, willen vragen? Een breinbreker van de bovenste plank. Nog voor de koffie presenteer ik mezelf al de meest complexe esoterische, existentialistische of wetenschappelijke vraagstukken. Zou ik vanwege zijn nieuwe hoedanigheid wel met hem kunnen communiceren? Heeft die hogere vorm van bewustzijn überhaupt wel raakvlakken met onze wereld, of is hij ons al lang ‘vergeten’?
Maar voor mijn hersencellen oververhit dreigen te raken schiet de oplossing door me heen in de vorm van ‘Ockam’s Scheermes’: als alle factoren gelijk zijn, verdient de eenvoudigste uitleg de voorkeur. Het antwoord op de vraag, “Wat zou ik mijn vader heel graag willen vragen?” is dus simpel: niets. Ik heb geen onafgemaakte zaken met hem. Hij houdt van mij en ik van hem, tot in de eeuwigheid. Ik wil hem niets vragen, ik wil mijn armen om hem heen slaan, mijn gezicht in zijn regenjas begraven en zijn aftershave ruiken.

Die spreukenbedenkers bij Douwe Egberts moesten eens weten waar ze een mens mee opzadelen op de vroege morgen…

Advertenties

Theezakjeswijsheid

Theezakjeswijsheid

Hoewel ik op de kleintjes moet letten, noopt het aanbod van mijn buurtsuper mij soms tot de aanschaf van merkproducten. Het gevolg hiervan is dat ik nu elke morgen mijn dag begin met een levenswijsheid van Pickwick. Deze ochtend vroeg het theezakjeslabel me wat ik zou doen als ik terug in de tijd kon gaan…

Mijn eerste gedachte was: teruggaan naar de tweesprong in mijn leven waar ik koos voor mijn inmiddels gewezen partner en niet voor de vrouw waar ik, zoals men het in het Engels zo mooi kan zeggen, ‘nog steeds een toorts voor draag’. Maar nog voordat ik durf weg te dromen bij deze alternatieve toekomst besef ik de ingrijpende, onherroepelijke gevolgen van die keus. Want al heeft mijn huwelijk niet geleid tot ‘zij leefden nog lang en gelukkig’, toch zou ik deze twintig jaar voor geen goud willen uitwissen. Vooral omdat hier twee fantastische kinderen uit zijn voortgekomen, die, zonder het te beseffen, mijn belangrijkste drijfveer zijn geworden. Hun bestaan uitwissen zou dus de ultieme daad zijn van egoïsme.

Ik doop de Ceylon melange achtereenvolgens in drie mokken, gooi het kleffe zakje met een besmuikte glimlach in de afvalbak en breng mijn jongens, die al in pyjama achter de spelcomputer zitten, hun ontbijt.
Ik hoop dat tijdreizen nooit realiteit wordt.

Einder loosheid

Ik voelde me letterlijk ‘on top of the world’. En daarvoor hoefde ik niet dagenlang af te zien in barre, levensbedreigende omstandigheden om de flank van een Nanga Parbat, K2 of Mount Everest te bedwingen.
De enige moeite die deze ervaring mij kostte was een filevrij ritje van twintig minuten, mijn auto parkeren op een parkeerterrein met ‘plek zat’ en met een uurtarief waar je in de grote stad maar net van je auto naar de parkeermeter en terug kan lopen.
Vervolgens een klim van zes minuten (oké, acht), waarbij de blote onderdanen enig mul, maar heerlijk zacht duinzand dienden te overwinnen, met een beloning die zich nauwelijks laat beschrijven. Maar ik ga het toch proberen.

Als dit duin niet het hoogste van Hargen aan Zee is, met een vermeende hoogte van 54 meter, dan moet het zeker het op één na hoogste zijn. Eenmaal op de top lokt een uitgeholde duinhelling me onmiddellijk naar een beduidend lager gelegen Noordzeestrand met een uitzicht richting Engeland, waarbij ik onwillekeurig Boudewijn de Groot’s ‘De Zwemmer’ door mijn hoofd hoor waaien. Ik besluit nog even op de top te blijven.


Het gebied is zelfs voor een matig zomerse zondagmiddag schaars bevolkt; zelfs bij de onlangs kunstmatig aangelegde lagune van Camperduin, een paar kilometer noordwaarts, is het strand slechts ten dele bedekt met recreërende Madurodambewoners. Half Nederland zit waarschijnlijk piepers te jassen op de camping in Zuid-Frankrijk, zich er niet van bewust welk een onbeschrijflijke schoonheid ze thuis hebben achtergelaten.

Als ik me omdraai word ik getrakteerd op een uitzicht dat meneer Mesdag moet hebben geïnspireerd tot zijn panorama: zo strak als de Noordzee blijft onder een bescheiden bries, zo sierlijk golven kilometers duinen, heuvels en dalen bedekt met overwegend groen en paars tot ver buiten mijn gezichtsveld. Belicht door een voorzichtige zomerzon die, hier en daar nauwelijks gehinderd door een passerende wolk, voorzichtige schaduwen op het landschap werpt. Ik bevind mij bij lange na niet halverwege de Domtoren, maar een uitzicht over de stad kan niet tippen aan dit schilderij van de meester zelf.
Foto’s maken heeft geen zin; zelfs een panoramacamera kan mijn ontzag voor Moeder Natuur niet vertalen in beelden. Dit is een ervaring die ik op mijn netvlies moet branden. Ik voel mij een bevoorrecht mens, dat ik hier ‘om de hoek’ mag wonen.

Dat was met recht een middag ‘zeezichten en einder loosheid’, zoals de lichtkrant aan het begin van de Schoorlse bebouwde kom beloofde.
Er zit een poëet bij deze gemeente…