Schrijven is vertalen

En dan is je verhaal klaar. Voldaan kijk je naar het resultaat; je bent er wonderwel in geslaagd het verhaal zoals dat in je hoofd zat op papier (of in de pc) te krijgen. Als schrijven voor jezelf je enige drijfveer is, ben je als schrijver geslaagd in je opzet.
Maar de kans is groot dat je zó tevreden bent met je creatie, zó trots op je pasgeborene, dat je deze aan de wereld wil laten zien. Want wat is er mooier dan anderen delen in jouw enthousiasme voor het zojuist geschrevene? Er is immers geen grotere kick voor een schrijver dan het vinden van een schare enthousiaste lezers. Het krijgen van de spreekwoordelijke erkenning.
Of je ego nu je drijfveer is of je enthousiasme om je verhaal te willen delen, nu zal je je verhaal moeten gaan vertalen. Want de gemiddelde lezer zal niet in jouw hoofd kunnen kruipen. Hij of zij kent jouw gedachtengang niet. Dus zal je je verhaal toegankelijker moeten maken. Bedoelingen uitleggen, darlings killen. Zodat de gebeurtenissen die voor jou vanzelfsprekend zijn voor de onwetende lezer ook duidelijk worden.
En jij dacht dat je klaar was.

Advertenties

Engel (een kerstgedachte)

Achter de toonbank stond een engel.
“Wat verkoopt u hier?” Ik keek rond, maar de winkel was leeg.
“Alles wat je maar wilt.” De engel kneep haar ogen iets dicht vanwege het zonlicht dat naar binnen viel. Ze oogde tenger, maar toen ze haar vleugelspieren aanspande zag ik kracht.
“Alles?” zei ik verbaasd.
De engel knikte instemmend.
“In dat geval wil ik…” Ik spreidde mijn handen op de toonbank, haalde diep adem en zei:
“Vrede voor iedereen,
geen honger, kinderarbeid of terrorisme,
geen onbegrip tussen hindoes, christenen en moslims,
geen hebzucht of afgunst,
een huis voor vreemdelingen.
Enne.. kunnen mijn relaties wat beter?”
De engel keek me zwijgzaam maar geduldig aan terwijl ik de winkel nog eens rondkeek. “Maar, waar heb je dat allemaal?”
“Wacht even, je hebt het verkeerd begrepen,” sprak ze zacht en opende haar handen. “We verkopen hier geen vruchten, alleen zaadjes.”

(bron onbekend – bewerkt door Paul Bastiaansen)
(afbeelding: Suus Suiker©)

Naakt: een onuitroeibaar taboe?

“Ik zie mezelf graag naakt. Dat bedoel ik niet op een ijdele manier…
Als je kleren aantrekt, trekt je onmiddellijk een personage aan. Kleren zijn toevoegingen, het zijn indicatoren. Als je geen kleren aan hebt, ben jij het, puur, en kan je je niet verbergen.”

Padma Lahkshmi

We komen naakt in deze wereld en minuten na onze geboorte worden we al voorzien van verpakking. Vanaf dat moment zullen we het grootste deel van ons leven gekleed door het leven gaan. Ook voor onze laatste reis worden we voorzien van de juiste lichaamsbedekking; zelfs aan de hemelpoort moeten we vermomd als mens verschijnen, mogen we onze ware zelf niet tonen.
Van jongs af aan worden we geprogrammeerd met de gedachte dat kleding de standaard is. In veel huishoudens zijn plasser en voorbibs vies, gek, of op zijn minst aanleiding tot gegiechel ende gegniffel. Naakt hoort thuis onder de douche; als je bekent dat je naakt slaapt levert dat al gauw gefronste wenkbrauwen op. Het heeft heel wat slippers in de aarde gehad eer topless zonnen voor beide sexen even normaal was en naaktstranden zijn anno 2017 dan wel geaccepteerd, maar het feit dat naaktrecreatie alleen op afgebakende locaties wordt getolereerd zegt genoeg.
De lichaamsdelen die ons onderscheiden van de andere sexe worden – zoals het woord al zegt – nog teveel met sex geassocieerd en zullen eerder als ‘raar’ worden gezien dan ‘gewoon’, eerder ‘geil’ dan ‘mooi’.

We laten de kalender bepalen hoe we ons moeten voelen en hoe we ons dienen te kleden; van oktober tot maart dragen we drie lagen textiel. Zelfs van maart tot oktober – als de temperatuur geen excuus meer is – durven we ons slechts ten dele bloot te geven.
Het is bijna niet voor te stellen dat veel mensen nog nooit het gevoel hebben ervaren van blote voeten in het gras op een vroege lenteochtend. Aardbewoners die nog nooit in direct contact hebben gestaan met de planeet waarop ze leven en dus nog nooit de aantrekkingskracht aan hun onbedekte voetzolen hebben voelen trekken. En als je de winterse kou op je onbedekte huid voelt tintelen voel je pas dat je leeft, dat je deel uit maakt van de natuur, van de wereld.

Niet dat ik nu naakt pingpongen, jeu de boulen of andere balsporten wil promoten, want er zijn grenzen. Maar het zou wel prettig zijn als ik op een prachtige, zonnige dag in november in korte broek een boswandeling kan maken zonder dat een vader mij in bijzijn van zijn kinderen min of meer voor gek verklaart.

Schrijver of schrijvend?

write

Schrijven is een populaire bezigheid vandaag de dag. Succesvolle auteurs als Stephen King en J.K. Rowling inspireren menigeen tot het plaatsnemen achter een toetsenbord, want…iedereen kan schrijven.
Op jacht naar eeuwige roem gaan veel aspirant-schrijvers al in een vroeg stadium op zoek naar aandacht, vaak nog voor ze iets substantieels hebben geproduceerd. Ze zien alleen de romantiek van het vak en willen het liefst een dagtaak maken van het ‘schrijver zijn’. Druk met sociale media, bloggen (‘Als ik jouw blog like, like jij dan die van mij?’), vloggen, schrijfwedstrijden en dure schrijfretraites in Zuid-Europa. Nu zal je daar niet noodzakelijkerwijs een betere schrijver van worden, maar het versterkt het gevoel tot een elitegroep te behoren, en het vooruitzicht op een mogelijke bestseller werkt nu eenmaal als een afrodisiacum.
Vaak is de schrijver in spe al in een vroeg stadium bezig met het zoeken naar een uitgever, terwijl deze energie beter gestoken kan worden in het verbeteren van het geschreven materiaal. Matig of zelfs slecht geschreven teksten worden afgeschoven op een redacteur, omdat men zich heeft laten wijsmaken dat een schrijver tegenwoordig ook marketingspecialist moet zijn. De commerciële talenten van een schrijver worden belangrijker dan de creatieve, en men is drukker bezig met zelfpromotie dan met het schrijven van teksten.

In het schrijversvak is geen ruimte voor ego. Het verhaal staat voorop, het verhaal vindt de schrijver. De schrijver staat in dienst van het verhaal, de schrijver is slechts een medium.

Theezakjeswijsheid 2.0

Theezakjeswijsheid 2.0

De vraag die het labeltje van mijn theezakje me vanmorgen stelde, “Wat zou je nog heel graag aan iemand willen vragen?”, zou een simpele kunnen zijn, die nog vóór het nemen van de eerste slok Earl Grey beantwoord en vergeten is. Zoals het aan een vriend terugvragen van een uitgeleend boek of de vrijgezelle overbuurvrouw mee uit vragen. Maar ik heb geen boeken uitgeleend – dat ik me kan herinneren – en wie mijn overbuurvrouw kent weet meteen mijn antwoord op de tweede vraag.

Mijn lichaam heeft minstens een ontbijt en twee koppen koffie nodig voor er van ‘wakker’ kan worden gesproken, maar mijn grijze massa heeft aan deze Pickwick-uitdaging genoeg om ‘out of the box’ te springen. Moet die persoon zich per se onder de levenden bevinden?
Nog voor mijn kiezen mijn boterham met marmelade hebben verwerkt draait mijn brein al op volle toeren. Wat zou ik mijn vader, die al bijna dertig jaar aan Gene Zijde verblijft, willen vragen? Een breinbreker van de bovenste plank. Nog voor de koffie presenteer ik mezelf al de meest complexe esoterische, existentialistische of wetenschappelijke vraagstukken. Zou ik vanwege zijn nieuwe hoedanigheid wel met hem kunnen communiceren? Heeft die hogere vorm van bewustzijn überhaupt wel raakvlakken met onze wereld, of is hij ons al lang ‘vergeten’?
Maar voor mijn hersencellen oververhit dreigen te raken schiet de oplossing door me heen in de vorm van ‘Ockam’s Scheermes’: als alle factoren gelijk zijn, verdient de eenvoudigste uitleg de voorkeur. Het antwoord op de vraag, “Wat zou ik mijn vader heel graag willen vragen?” is dus simpel: niets. Ik heb geen onafgemaakte zaken met hem. Hij houdt van mij en ik van hem, tot in de eeuwigheid. Ik wil hem niets vragen, ik wil mijn armen om hem heen slaan, mijn gezicht in zijn regenjas begraven en zijn aftershave ruiken.

Die spreukenbedenkers bij Douwe Egberts moesten eens weten waar ze een mens mee opzadelen op de vroege morgen…

Theezakjeswijsheid

Theezakjeswijsheid

Hoewel ik op de kleintjes moet letten, noopt het aanbod van mijn buurtsuper mij soms tot de aanschaf van merkproducten. Het gevolg hiervan is dat ik nu elke morgen mijn dag begin met een levenswijsheid van Pickwick. Deze ochtend vroeg het theezakjeslabel me wat ik zou doen als ik terug in de tijd kon gaan…

Mijn eerste gedachte was: teruggaan naar de tweesprong in mijn leven waar ik koos voor mijn inmiddels gewezen partner en niet voor de vrouw waar ik, zoals men het in het Engels zo mooi kan zeggen, ‘nog steeds een toorts voor draag’. Maar nog voordat ik durf weg te dromen bij deze alternatieve toekomst besef ik de ingrijpende, onherroepelijke gevolgen van die keus. Want al heeft mijn huwelijk niet geleid tot ‘zij leefden nog lang en gelukkig’, toch zou ik deze twintig jaar voor geen goud willen uitwissen. Vooral omdat hier twee fantastische kinderen uit zijn voortgekomen, die, zonder het te beseffen, mijn belangrijkste drijfveer zijn geworden. Hun bestaan uitwissen zou dus de ultieme daad zijn van egoïsme.

Ik doop de Ceylon melange achtereenvolgens in drie mokken, gooi het kleffe zakje met een besmuikte glimlach in de afvalbak en breng mijn jongens, die al in pyjama achter de spelcomputer zitten, hun ontbijt.
Ik hoop dat tijdreizen nooit realiteit wordt.

Einder loosheid

Ik voelde me letterlijk ‘on top of the world’. En daarvoor hoefde ik niet dagenlang af te zien in barre, levensbedreigende omstandigheden om de flank van een Nanga Parbat, K2 of Mount Everest te bedwingen.
De enige moeite die deze ervaring mij kostte was een filevrij ritje van twintig minuten, mijn auto parkeren op een parkeerterrein met ‘plek zat’ en met een uurtarief waar je in de grote stad maar net van je auto naar de parkeermeter en terug kan lopen.
Vervolgens een klim van zes minuten (oké, acht), waarbij de blote onderdanen enig mul, maar heerlijk zacht duinzand dienden te overwinnen, met een beloning die zich nauwelijks laat beschrijven. Maar ik ga het toch proberen.

Als dit duin niet het hoogste van Hargen aan Zee is, met een vermeende hoogte van 54 meter, dan moet het zeker het op één na hoogste zijn. Eenmaal op de top lokt een uitgeholde duinhelling me onmiddellijk naar een beduidend lager gelegen Noordzeestrand met een uitzicht richting Engeland, waarbij ik onwillekeurig Boudewijn de Groot’s ‘De Zwemmer’ door mijn hoofd hoor waaien. Ik besluit nog even op de top te blijven.


Het gebied is zelfs voor een matig zomerse zondagmiddag schaars bevolkt; zelfs bij de onlangs kunstmatig aangelegde lagune van Camperduin, een paar kilometer noordwaarts, is het strand slechts ten dele bedekt met recreërende Madurodambewoners. Half Nederland zit waarschijnlijk piepers te jassen op de camping in Zuid-Frankrijk, zich er niet van bewust welk een onbeschrijflijke schoonheid ze thuis hebben achtergelaten.

Als ik me omdraai word ik getrakteerd op een uitzicht dat meneer Mesdag moet hebben geïnspireerd tot zijn panorama: zo strak als de Noordzee blijft onder een bescheiden bries, zo sierlijk golven kilometers duinen, heuvels en dalen bedekt met overwegend groen en paars tot ver buiten mijn gezichtsveld. Belicht door een voorzichtige zomerzon die, hier en daar nauwelijks gehinderd door een passerende wolk, voorzichtige schaduwen op het landschap werpt. Ik bevind mij bij lange na niet halverwege de Domtoren, maar een uitzicht over de stad kan niet tippen aan dit schilderij van de meester zelf.
Foto’s maken heeft geen zin; zelfs een panoramacamera kan mijn ontzag voor Moeder Natuur niet vertalen in beelden. Dit is een ervaring die ik op mijn netvlies moet branden. Ik voel mij een bevoorrecht mens, dat ik hier ‘om de hoek’ mag wonen.

Dat was met recht een middag ‘zeezichten en einder loosheid’, zoals de lichtkrant aan het begin van de Schoorlse bebouwde kom beloofde.
Er zit een poëet bij deze gemeente…