Theekransje

Sinds ik mezelf schrijver durf te noemen verbaas ik mij geregeld over de ongelijke verdeling van de seksen in Nederland Schrijversland; vrouwen zijn veruit in de meerderheid. Mijn gevoel zegt dat dat een scheef beeld van de werkelijkheid is, al heb ik nog geen bewijs van het tegendeel kunnen vinden. Zijn vrouwelijke concullega’s op een breder vlak bezig met ‘het schrijver zijn’ of zijn mannelijke schrijvers introverter? Ik vermoed het laatste, al zijn de tekenen van de eerste stelling overduidelijk.
Vrouwelijke schrijvers houden zich in kuddes op en de mannelijke soort is een solitair schrijfdier. Op foto’s van workshops of schrijfretraites schitteren mannen door afwezigheid, waardoor ik mij niet aan een theekransjesgevoel kan onttrekken. Want het is vooral errug gezellig, zo’n schrijfclubje. We publiceren een boek of twee, beginnen een uitgeverijtje en geven een workshopje, waarbij we elkaar feliciteren met het auteursschap.
Nu is de gunfactor bij mij in ruime mate aanwezig, maar ik heb mijn twijfels of de lezer hier van profiteert; de energie die in deze festiviteiten wordt gestoken kan in veel gevallen beter worden gebruikt om de kwaliteit van het geschrevene te verbeteren. Want dat is de kern van schrijven. Toch?

De techniek staat (er) voor niets

Mijn plaatselijke supermarkt heeft een muntgeldautomaat bij de kassa: aan de bovenkant gaat muntgeld erin en aan de onderkant komt het eruit. Omdat ik altijd met plastic betaal heb ik nooit langer dan vijf seconden stilgestaan bij de functie – of het nut – van deze contraptie. Is dit nu een geldtelmachine, een muntjesreiniger of is het klinkende munt brakende ding een poging van de supermarktketen om in dit dorp op zondag leven in de brouwerij te brengen?
Ondanks dat er nog zelden harde valuta door mijn handen gaat, is mijn portemonnee als gevolg van een wonderbaarlijke muntvermenigvuldiging gezwollen tot onpraktische proporties.
Eenmaal bij de kassa krijg ik een epifanie: zou dit apparaat mij de verlossing kunnen brengen waarnaar ik zo naarstig op zoek ben? Mag ik eindelijk begrijpen waarom deze schepping op aarde is gezet? Hoopvol en opgelucht neem ik bij het afrekenen van mijn boodschappen afscheid van het kleingeld dat zo lang mijn kontzak heeft geteisterd. Het leven heeft weer zin. Mijn portemonnee is dunner, past weer achterin mijn strakke jeans. Zou technologie dan toch ons leven aangenamer kunnen maken?
Als ik het eindbedrag wil pinnen, klinkt het RATEL, RATEL–DE–RATEL. Als een grote, smalende grimas presenteert het bakje van de automaat mij het muntgeld waarvan ik dacht te zijn verlost. Tot op de stuiver. Lekker puh.

Ik staar naar de handvol munten; gooi ik onder luid gegodver de nog geen anderhalve euro aan messing en koper zo ver mogelijk de winkel in of stop ik het terug waar het vandaan komt? Gelaten druip ik af met dezelfde bult in mijn achterzak als waar ik mee binnenkwam. Nog steeds weet ik niet waar het apparaat voor dient.
Ik kijk nog even om; ik zou zweren dat het ding zijn tong naar me uitstak.

Visioen

Bron foto: Pixabay

Niemand wist hoe groot de schade zou zijn die de millenniumbug kon aanrichten. De wereld was nog volop bezig het wereldwijde web te ontdekken; we sloegen onze internetvleugels uit en wisten niet welke digitale valkuilen ons wachtten. Volgens een worst case scenario zouden besturingssystemen van overheid, nutsbedrijven en providers het laten afweten en verviel de wereld in chaos.
Het bleek een storm in een glas water. Op enkele huis–tuin–en–keukenklokken na, die de nieuwe eeuw niet herkenden, bleef alles functioneren. 1 januari 2000 was gewoon de dag na 31 december 1999. Vrees voor de millenniumbug was de fantoomangst van de eeuw gebleken.

De ontdekking van de nieuwe digitale wereld raakte in een stroomversnelling, het enthousiasme van cyberpioniers kende geen grenzen. Ze dachten ongestraft hun virtuele zandbak te kunnen uitdiepen: meer data, meer snelheid, meer bandbreedte. Meer vrijheid, dus meer draadloos. Radiogolven en televisiefrequenties moesten het opnemen tegen WiFi, DECT, Bluetooth, 3G, 4G, 5G. Het was slechts een kwestie van tijd voor de atmosfeer verzadigd raakte met frequenties, signalen, data, beeld– en geluidsgolven.
En toen de tijd rijp was verschenen de Bliksemruiters. Evolutietheorie of scheppingsverhaal; nieuwe levensvormen dienen zich aan als de omstandigheden gunstig zijn. Ze verspreidden zich razendsnel. Voor het duidelijk werd waarmee we te maken hadden – en we ons er tegen konden wapenen – had het elektronische ongedierte zich al wereldwijd in netwerken genesteld. Bliksemruiters richtten onherstelbare schade aan in elektrische installaties en besturingssystemen, computers van effectenbeurzen, ziekenhuizen en luchthavens. De moderne samenleving was nog nooit zo ontwricht geweest. Media spraken van een ‘Derde Wereldoorlog’.
Servers waren compleet geroosterd, data voorgoed verloren. De schade was onherstelbaar. Elke computer op aarde was gereduceerd tot een verzameling nutteloze onderdelen.
De mensheid viel terug in een pre-elektronicatijdperk, de enige omgeving waar de Bliksemruiters geen bestaansrecht hadden. Ze verdwenen net zo snel als ze gekomen waren, maar de wereld was in chaos. De mensheid kreeg de rekening gepresenteerd voor zijn hoogmoed.
De wereld had een reset nodig.

Vrij reizen

Het einde is het mooiste moment van de dag. Geen plichtplegingen, geen zakelijke, huishoudelijke of sociale verwachtingen meer om aan te voldoen. Het huis is een oase van stilte.
Ik glijd mijn bed in, rol mij in bijna-foetushouding en boetseer het dekbed rond mijn lichaam. Dit is mijn veilige plekje, mijn cocon.
Ik archiveer de gebeurtenissen van het afgelopen etmaal en leg de geluksmomentjes op een bewaarplankje; tijdens mijn reis naar dromenland is geen ruimte voor bagage. Mijn bed is mijn treincoupé, de mand van mijn luchtballon, mijn ruimteschip. Mijn tijdcapsule.

Ik denk niet dat ik mijn cocon ooit nog deel met iemand, die me van mijn reis weerhoudt voor een afscheid.

Veilig

Ik verlang naar het einde van de dag. Naar het moment dat ik alles van me af kan laten glijden. Alle verantwoordelijkheden en verplichtingen, alle negativiteit van de grote boze buitenwereld, alle knellende kleding.
Ik glijd tussen katoen en synthetica, boetseer het nepdons naar de contouren van mijn lichaam en begraaf mijn hoofd in mijn kussen. Mijn oren suizen nog even na van de dag, maar dan is het stil in de slaapkamer, stil in huis, stil in de wereld buiten.
Voordat mijn cocon mijn lichaamswarmte heeft overgenomen neem ik een foetushouding aan en begint mijn hoofd zich te vullen met aangename, inspirerende gedachten.
Het liefste zou ik dit vredige gevoel zo lang mogelijk vasthouden, maar Morpheus’ lokkende armen zijn onweerstaanbaar.
Morgen maar weer eens proberen.

Schrijven is vertalen

En dan is je verhaal klaar. Voldaan kijk je naar het resultaat; je bent er wonderwel in geslaagd het verhaal zoals dat in je hoofd zat op papier (of in de pc) te krijgen. Als schrijven voor jezelf je enige drijfveer is, ben je als schrijver geslaagd in je opzet.
Maar de kans is groot dat je zó tevreden bent met je creatie, zó trots op je pasgeborene, dat je deze aan de wereld wil laten zien. Want wat is er mooier dan anderen delen in jouw enthousiasme voor het zojuist geschrevene? Er is immers geen grotere kick voor een schrijver dan het vinden van een schare enthousiaste lezers. Het krijgen van de spreekwoordelijke erkenning.
Of je ego nu je drijfveer is of je enthousiasme om je verhaal te willen delen, nu zal je je verhaal moeten gaan vertalen. Want de gemiddelde lezer zal niet in jouw hoofd kunnen kruipen. Hij of zij kent jouw gedachtengang niet. Dus zal je je verhaal toegankelijker moeten maken. Bedoelingen uitleggen, darlings killen. Zodat de gebeurtenissen die voor jou vanzelfsprekend zijn voor de onwetende lezer ook duidelijk worden.
En jij dacht dat je klaar was.