Profileren


Mijn ego is niet mijn grootste drijfveer bij het schrijven. Ik heb geen haast om beroemd te worden, het ‘schrijver zijn’ is geen levenslange droomwens. Gelukkig niet. Ik moet er niet aan denken dat ik mezelf na enkele halfbakken publicaties er al van heb overtuigd dat ik ‘gearriveerd ben’ en mijn schrijverschap ten gelde kan gaan maken.
Zelfpromotie is dan ook mijn grootste makke. Schrijven is een solitaire, intieme bezigheid en dat doe je niet op een helverlicht podium.

”Je schrijft toch vooral voor jezelf’ is de grootste leugen die schrijversland rondwaart. Als dit waar was werd geen boek gepubliceerd, geen verhaal ooit gelezen. Elke schrijver wil gelezen worden. Het is een cliché, maar ‘erkenning’ is het hoogst haalbare voor een schrijver. Er is geen grotere beloning dan lezers inspireren met de verhalen die je met voldoening hebt geschreven en met verwondering hebt teruggelezen.

Als ik mijn verhalen enigszins wil laten opvallen in de kakofonie van middelmatigheid, dan zal ik mezelf de kunst van zelfpromotie moeten aanleren. En dus trek ik schoorvoetend de wijde schrijfwereld in en maak – om te beginnen – accounts aan bij Schrijven Online en Hebban.
En wie weet, ga ik straks zelfs met verhalenwedstrijden meedoen. De wonderen zijn de wereld nog niet uit…

De pen is machtiger dan het zwaard

Schrijven is communiceren. Als je de taal goed beheerst is dat niet alleen een pre bij het vertellen van verhalen, het kan ook van pas komen in het dagelijkse leven. Bij een conflict met een werkgever of instantie, bijvoorbeeld.
De taal is een machtige wapenbroeder. Taalvaardigheid stelt je in staat je argumenten zo te formuleren dat miscommunicatie zo goed als uitgesloten is. Jouw relaas kan maar op één manier worden geïnterpreteerd: de juiste. De tegenpartij zal jouw verhaal niet kunnen verdraaien of anders uitleggen dan jij het bedoelt. Je ontneemt de ander dus de munitie om in de tegenaanval te gaan.
En als je dan, net als bij verhalen schrijven, je ego opzij kunt schuiven zodat je emoties niet de overhand nemen en je bij de kern van de zaak kunt blijven, is de helft van het conflict al gewonnen.
Goed schrijven geeft niet alleen creatieve voldoening, het is ook nog eens verdraaid nuttig.

#

Werelddagmoe

Ik word een beetje moe van al die werelddagen. De internationale dag van de Patagonische dakhaas, de internationale dag van de linksdraaiende Bulgaarse yoghurt, ik houd het allemaal niet meer bij. Was er vroeger ook een internationale dag van de mahoniehouten salontafel? Nee, hè?
Nu veren onmiddellijk hele volksstammen op van hun stoel. “Ja, maar op de Internationale Vrouwendag wordt er extra aandacht besteed aan de strijdbaarheid en het gevoel van solidariteit van vrouwen overal ter wereld.”
Dat is mooi, maar betekent dat dat ik morgen mijn vrouw weer mag slaan? Ik raak er alleen maar van in de war: waarom niet elke dag respect voor de rechten van de vrouw? Of de man. Of het kind. Of…
Ik stem voor Wereldmensendierendingendag, zoals Klein Orkest in de jaren ’80 al voorstelde. Ze waren hun tijd ver vooruit; dit is de enige themadag die we zouden moeten vieren. En dan elke dag, dan kunnen we die werelddagenkalender ook weggooien.

#

Schrijven 2020

Iedereen is met schrijven bezig
maar zelden meer met de taal
het gaat om de schrijver’s ego
en niet meer om het verhaal.

‘mijn boek ligt al bij Hebban en Bol
ik noem mijzelf alvast auteur
straks staat de straat hier helemaal vol
met fans, drie rijen dik voor mijn deur

ik lig in de winkel, hier in mijn dorp
tussen Slaughter, French en Vermeer
wereldberoemd bij boekhandel Van Gorp
wat wil je als schrijver nog meer?

en ben ik dan als schrijver ‘gearriveerd’
omdat mijn boekverkoop eindelijk loopt
dan geef ik dure retraites in mediterrane sfeer
omdat ‘gezellig samen schrijven’ verkoopt

en na mijn vijftien minuten DWDD-faam
als nieuwe ster aan het schrijffirmament
kent iedereen het smoel bij mijn naam
en zal men weten dat ik schrijver bent.’

Theekransje

Sinds ik mezelf schrijver durf te noemen verbaas ik mij geregeld over de ongelijke verdeling van de seksen in Nederland Schrijversland; vrouwen zijn veruit in de meerderheid. Mijn gevoel zegt dat dat een scheef beeld van de werkelijkheid is, al heb ik nog geen bewijs van het tegendeel kunnen vinden. Zijn vrouwelijke concullega’s op een breder vlak bezig met ‘het schrijver zijn’ of zijn mannelijke schrijvers introverter? Ik vermoed het laatste, al zijn de tekenen van de eerste stelling overduidelijk.
Vrouwelijke schrijvers houden zich in kuddes op en de mannelijke soort is een solitair schrijfdier. Op foto’s van workshops of schrijfretraites schitteren mannen door afwezigheid, waardoor ik mij niet aan een theekransjesgevoel kan onttrekken. Want het is vooral errug gezellig, zo’n schrijfclubje. We publiceren een boek of twee, beginnen een uitgeverijtje en geven een workshopje, waarbij we elkaar feliciteren met het auteursschap.
Nu is de gunfactor bij mij in ruime mate aanwezig, maar ik heb mijn twijfels of de lezer hier van profiteert; de energie die in deze festiviteiten wordt gestoken kan in veel gevallen beter worden gebruikt om de kwaliteit van het geschrevene te verbeteren. Want dat is de kern van schrijven. Toch?

De techniek staat (er) voor niets

Mijn plaatselijke supermarkt heeft een muntgeldautomaat bij de kassa: aan de bovenkant gaat muntgeld erin en aan de onderkant komt het eruit. Omdat ik altijd met plastic betaal heb ik nooit langer dan vijf seconden stilgestaan bij de functie – of het nut – van deze contraptie. Is dit nu een geldtelmachine, een muntjesreiniger of is het klinkende munt brakende ding een poging van de supermarktketen om in dit dorp op zondag leven in de brouwerij te brengen?
Ondanks dat er nog zelden harde valuta door mijn handen gaat, is mijn portemonnee als gevolg van een wonderbaarlijke muntvermenigvuldiging gezwollen tot onpraktische proporties.
Eenmaal bij de kassa krijg ik een epifanie: zou dit apparaat mij de verlossing kunnen brengen waarnaar ik zo naarstig op zoek ben? Mag ik eindelijk begrijpen waarom deze schepping op aarde is gezet? Hoopvol en opgelucht neem ik bij het afrekenen van mijn boodschappen afscheid van het kleingeld dat zo lang mijn kontzak heeft geteisterd. Het leven heeft weer zin. Mijn portemonnee is dunner, past weer achterin mijn strakke jeans. Zou technologie dan toch ons leven aangenamer kunnen maken?
Als ik het eindbedrag wil pinnen, klinkt het RATEL, RATEL–DE–RATEL. Als een grote, smalende grimas presenteert het bakje van de automaat mij het muntgeld waarvan ik dacht te zijn verlost. Tot op de stuiver. Lekker puh.

Ik staar naar de handvol munten; gooi ik onder luid gegodver de nog geen anderhalve euro aan messing en koper zo ver mogelijk de winkel in of stop ik het terug waar het vandaan komt? Gelaten druip ik af met dezelfde bult in mijn achterzak als waar ik mee binnenkwam. Nog steeds weet ik niet waar het apparaat voor dient.
Ik kijk nog even om; ik zou zweren dat het ding zijn tong naar me uitstak.

Visioen

Bron foto: Pixabay

Niemand wist hoe groot de schade zou zijn die de millenniumbug kon aanrichten. De wereld was nog volop bezig het wereldwijde web te ontdekken; we sloegen onze internetvleugels uit en wisten niet welke digitale valkuilen ons wachtten. Volgens een worst case scenario zouden besturingssystemen van overheid, nutsbedrijven en providers het laten afweten en verviel de wereld in chaos.
Het bleek een storm in een glas water. Op enkele huis–tuin–en–keukenklokken na, die de nieuwe eeuw niet herkenden, bleef alles functioneren. 1 januari 2000 was gewoon de dag na 31 december 1999. Vrees voor de millenniumbug was de fantoomangst van de eeuw gebleken.

De ontdekking van de nieuwe digitale wereld raakte in een stroomversnelling, het enthousiasme van cyberpioniers kende geen grenzen. Ze dachten ongestraft hun virtuele zandbak te kunnen uitdiepen: meer data, meer snelheid, meer bandbreedte. Meer vrijheid, dus meer draadloos. Radiogolven en televisiefrequenties moesten het opnemen tegen WiFi, DECT, Bluetooth, 3G, 4G, 5G. Het was slechts een kwestie van tijd voor de atmosfeer verzadigd raakte met frequenties, signalen, data, beeld– en geluidsgolven.
En toen de tijd rijp was verschenen de Bliksemruiters. Evolutietheorie of scheppingsverhaal; nieuwe levensvormen dienen zich aan als de omstandigheden gunstig zijn. Ze verspreidden zich razendsnel. Voor het duidelijk werd waarmee we te maken hadden – en we ons er tegen konden wapenen – had het elektronische ongedierte zich al wereldwijd in netwerken genesteld. Bliksemruiters richtten onherstelbare schade aan in elektrische installaties en besturingssystemen, computers van effectenbeurzen, ziekenhuizen en luchthavens. De moderne samenleving was nog nooit zo ontwricht geweest. Media spraken van een ‘Derde Wereldoorlog’.
Servers waren compleet geroosterd, data voorgoed verloren. De schade was onherstelbaar. Elke computer op aarde was gereduceerd tot een verzameling nutteloze onderdelen.
De mensheid viel terug in een pre-elektronicatijdperk, de enige omgeving waar de Bliksemruiters geen bestaansrecht hadden. Ze verdwenen net zo snel als ze gekomen waren, maar de wereld was in chaos. De mensheid kreeg de rekening gepresenteerd voor zijn hoogmoed.
De wereld had een reset nodig.

Vrij reizen

Het einde is het mooiste moment van de dag. Geen plichtplegingen, geen zakelijke, huishoudelijke of sociale verwachtingen meer om aan te voldoen. Het huis is een oase van stilte.
Ik glijd mijn bed in, rol mij in bijna-foetushouding en boetseer het dekbed rond mijn lichaam. Dit is mijn veilige plekje, mijn cocon.
Ik archiveer de gebeurtenissen van het afgelopen etmaal en leg de geluksmomentjes op een bewaarplankje; tijdens mijn reis naar dromenland is geen ruimte voor bagage. Mijn bed is mijn treincoupé, de mand van mijn luchtballon, mijn ruimteschip. Mijn tijdcapsule.

Ik denk niet dat ik mijn cocon ooit nog deel met iemand, die me van mijn reis weerhoudt voor een afscheid.

Veilig

Ik verlang naar het einde van de dag. Naar het moment dat ik alles van me af kan laten glijden. Alle verantwoordelijkheden en verplichtingen, alle negativiteit van de grote boze buitenwereld, alle knellende kleding.
Ik glijd tussen katoen en synthetica, boetseer het nepdons naar de contouren van mijn lichaam en begraaf mijn hoofd in mijn kussen. Mijn oren suizen nog even na van de dag, maar dan is het stil in de slaapkamer, stil in huis, stil in de wereld buiten.
Voordat mijn cocon mijn lichaamswarmte heeft overgenomen neem ik een foetushouding aan en begint mijn hoofd zich te vullen met aangename, inspirerende gedachten.
Het liefste zou ik dit vredige gevoel zo lang mogelijk vasthouden, maar Morpheus’ lokkende armen zijn onweerstaanbaar.
Morgen maar weer eens proberen.