De val

Hij droomde er vroeger wel eens van: vallen. Het gruwelijke besef dat je leven binnen enkele momenten onherroepelijk ten einde zal zijn. Dat laatste moment dat zich in een tergende slow-motion lijkt te voltrekken. Alsof je nog even respijt krijgt om je zonden te overdenken, voor je op pijnlijke wijze uit het leven word weggerukt.
Het is niet langer een droom. Terwijl hij achterwaarts de diepte in tuimelt, besluit hij in een fractie van een seconde dat hij zich niet wil laten overmannen door angst voor de dood. Dat zou pas een verspilling van kostbare tijd zijn. En dus wendt hij al zijn positieve energie aan om het beste uit dit slotakkoord te halen. Zijn tocht naar het onvermijdelijke is immers de ultieme wens van velen: het bevrijdende gevoel van vliegen als een vogel. Als een adelaar zweven op de thermiek tussen de bergen, al is het maar voor even. Maar ook het einde van de val vreest hij niet, dit zal snel en pijnloos zijn. En het is geen einde, maar een voortijdige overstap naar een volgend leven, een nieuw avontuur. En hij is er klaar voor.

Advertenties

Toeval

Het is druk bij de slager van het Limburgse dorp, waarvan de naam meer letters bevat dan aantal bewoners; er staan wel twee klanten in de winkel.
De ene klant staart de andere aan. “Ken ik u ergens van?”
“Nee, ik kom niet uit de buurt. Ik kom uit Exhomra.”
“Exhomra, de hoofdstad van Givah, de vierde planeet in het Vega-stelsel?”
“Zei ik dat? Ik bedoelde natuurlijk Exmorra. In Friesland.”
Het koperen deurbelletje klinkt, een derde vrouw komt binnen.
“Nee hoor. Ik hoorde u duidelijk Exhomra zeggen.”
De derde klant verstijft. “Exhomra? De hoofdstad van Givah, de vierde planeet in het Vega-stelsel?”

Flits!

“Sodeju! Wat was dat?”
“Daar was ik al bang voor. Je kunt niet ongestraft bij volle maan tussen hunebedden door lopen.”
“Waar zijn we?”
“Zo te zien… Stonehenge.”
“In Zuid-Engeland?”
“Weet jij nog een ander?”
“Wauw.”
“De vraag is: hoe komen we terug?”
“Wel eens van Google Maps gehoord?”
Het is even stil.
“Dat bestaat nog niet.”
“Hoe bedoel je, ‘nog niet’?”
Hij kijkt om zich heen. “Er is geen toegangsweg naar hier. Er is zelfs nog geen weg. Nog geen tweehonderd meter verderop zou de A303 moeten lopen, de Amesbury Bypass. Maar die ligt er niet. Nog niet.”
“Je bedoelt dat we niet alleen een sprong op de kaart hebben gemaakt, maar ook in de tijd?”
“En er is nog een probleem.”
“Ja, het is koud. Verdomde koud. Filosofeer jij ons hieruit, dan kijk ik intussen wel op mijn telefoon hoe we naar huis kunnen. Hé, waar is mijn telefoon? Waar zijn mijn kleren!?”
“Dat bedoel ik.”

Excursie anno 2057

“Toen ik als jochie van amper twintig hier in de Zoo kwam werken heette het nog dierentuin. Toen hadden we nog echte, wilde dieren. Achter hekken of tralies, anders aten ze de bezoekers op.”
“Echt waar?!” De schoolkinderen hangen aan zijn lippen.
“Mijn dag zag er ook heel anders uit. Kilo’s eten verstouwen. Fruit, vlees, vis. En kilo’s poep.”
“Getver!”
“Met de komst van de androïeren, in 2033, heb ik me laten omscholen van verzorger tot engineer. Ik moest met mijn tijd meegaan of ander werk zoeken. Maar ik mocht wel mijn titel houden: Oppasser.” De man laat zijn blik door het park dwalen, waar exotische dieren en bezoekers door elkaar lopen. “Vroeger waren we hier een kapitaal kwijt aan voer en medicijnen, nu aan stroom en software-upgrades.”
“Mist u het wel eens, de echte dieren?” vraagt de juf.
“Ja. Maar ik ben nu 74 en over twee jaar mag ik dus met pensioen. Dan ga ik op reis naar Afrika en Indië. Op zoek naar bloed, poep, gif en veren. Dat lijkt me geweldig.”

Relatietherapie

(niet geschikt voor jeugdige lezers)

Ze schoof dicht tegen hem aan op de rood leren bank en lachte ondeugend. Ze zag er hot uit, haar rode pumps kleurden perfect bij de driezitter. Hij draaide naar haar toe en legde zijn hand op haar blote dijbeen, tegen haar korte rok aan. Ze spreidde haar lange benen een beetje en staarde hem aan met een blik vol overgave. Langzaam gleed zijn hand onder haar rok en vond haar behaarde venusheuvel. Haar ademhaling werd zwaarder en toen zijn vingers haar vochtige plekje vonden, voelde hij hoe de opwinding zich ook van hem meester begon te maken.
Ze legde haar hand op de bult in zijn jeans en bracht haar mond bij zijn oor. “Ik wil je. Nu.”
Haastig bevrijdde ze zijn erectie en klom over hem heen. Moeiteloos verdween zijn forse lid in haar warme, hunkerende lijf.
De bank was hun redding. Onverstoorbaar nam hij haar in diverse posities; ze hadden in geen tijden zulke fantastische seks gehad.
Het advies van de relatietherapeut overtrof alle verwachtingen, al kon de filiaalmanager van Seats and Sofas daar weinig begrip voor opbrengen.

Vrijgezel

(een erotisch getint kort verhaal)

Eindelijk had hij weer een date, durfde hij de liefde weer in zijn leven toe te laten. Ze was aantrekkelijk, deelde zijn gevoel voor humor, was avontuurlijk én elegant.
Niets liet hij aan het toeval over: hij had zijn appartement aan een extra opruimbeurt onderworpen en diverse culinaire traktaties in huis gehaald, waarvan de helft onaangeroerd in de koelkast bleef staan.
Voor hij het besefte stonden ze onder de douche. Ze zeepten elkaars lichaam in, een ontdekkingstocht van heet water en schuim, dat zijn weg zocht langs al haar zachte welvingen. Intiem en sensueel, maar niet geil.
De geur van patchoeli-wierook hing nog in het appartement toen ze de badkamer verruilden voor de slaapkamer. Hij was in tijden niet zo ontspannen geweest.
Voor het eerst in drie jaar lag er een naakte vrouw met haar warme lichaam tegen het zijne. Haar hoofd lag op zijn schouder, haar blond krullende haar kriebelde in zijn gezicht. Haar slanke hand streelde zijn borstkas, hij voelde zich op en top man.
Terwijl ze elkaar lieve woordjes toefluisterden dwaalde haar hand over zijn buik en vond zijn halfstijve lid.
En toen hadden ze seks.
“Wat zullen we nu krijgen?!” Verbijsterd richtte hij zich op.
“Sorry,” zei De Schrijver. “Verder ben ik nooit gekomen. Je hebt gewoon pech dat je een personage bent van een verstokte vrijgezel.”

De laatste halte

De ochtendzon schijnt tussen de vitrage door op de ontbijttafel. Zij staart de tuin van het verzorgingstehuis in.
Hij staart naar haar, terwijl hij met onvaste hand zijn beschuitje naar zijn mond brengt. “Ik zal nooit vergeten hoe nerveus ik was toen ik je thuis bracht na ons eerste afspraakje.”
“Wat waren we jong en onzeker,” mijmert ze gelukzalig mee.
“Ik wist niet of ik je ging kussen. Of ik het durfde. Of jij het durfde.” Hij neemt een bescheiden hap van zijn beschuitje.
“Ik zal nooit onze nacht vergeten in die houthakkershut in Zweden. Wat was het daar koud.” Haar blauwgrijze ogen beginnen te glinsteren.
“Maar niet bij de open haard.” Hij glimlacht ondeugend. “Goedkope wijn en kaas van het winkeltje in het dorp met die onuitsprekelijke naam. Maar…” vervolgt hij op fluistertoon, “ik was met de mooiste vrouw van de wereld, naakt, bij het schijnsel van een flakkerende open haard. Een van de mooiste momenten van mijn lange leven.”
Er verschijnt een blos op haar oude wangen.
Tot ver na de koffie halen ze herinneringen op aan hun leven, hun avonturen. De eetzaal is al leeg, het personeel begint tafels af te ruimen.
Ze buigt voorover en legt haar knokige handen op de zijne. “Ik wil in mijn volgende leven ook bij je zijn, Bert.”
“Ik wil in al mijn volgende levens bij je zijn, Anna.”
“Sorry dat ik stoor,” zegt het meisje van de catering, “maar ik moet uw tafel afruimen.”
“Dat geeft niet, schat,” zegt Anna en even later schuifelt ze arm in arm met Bert de eetzaal uit.

De volgende morgen worden Bert en Anna in bed gevonden, in een verstilde omhelzing. Op het nachtkastje liggen, naast een half glas water, twee lege medicijnpotjes en enkele pillen.