25 woorden thriller

Hij wisselde nog een korte blik van verstandhouding met zijn slachtoffer en dreef vervolgens langzaam de kostbare kris tussen diens ribben, heilig familiewapen of niet.

bron foto: Stichting Indische Documenten

Advertenties

Afscheid

Hij moest wennen aan de nieuwe situatie, het kostte hem veel moeite haar te vinden. Maar hij kon nog niet weg.
Suzanne stond op de brug in het stadspark, het plekje waar hij haar voor het eerst had gekust. Ze staarde over het water, met vochtige ogen en een foto van hem in haar hand. “Ik mis je, Rob.”
“Ik ben niet weg, Suus,” fluisterde hij. “Ik ben bij je.”
Haar snikken stopte.
“Het doet zo ontzettend veel pijn.”
“Dat weet ik, lieverd. Maar denk je eens in: jij en ik hebben meer liefgehad dan anderen in een heel leven. Daar kunnen we wel drie levens lang op teren.”
Het verdriet in haar ogen begon plaats te maken voor berusting.
“Ga verder met je leven, Suus. Ik laat je gaan, laat mij dan ook gaan. We zien elkaar terug.”
Suzanne veegde een traan weg, rechtte haar rug en liep het park uit. Achter haar dwarrelde de foto de brug af en werd meegenomen door het water.
Rob vertrok via een andere brug.

Date of afspraakje?

“En, hoe ging je date? Vertel.”
“Als je nog eens wat weet. Daten met een oudere man.”
“Was het zo erg?”
“O, hij was wel attent en zo. En hij wist veel. Kon prachtige verhalen vertellen, alsof je er zelf bij was.”
“Dat klinkt niet verkeerd.”
“En hij gebruikte van die grappige woorden. Zoals ‘afspraakje’, ‘een brief sturen’, ‘platenspeler’ en ‘telefoonboek’.”
“Wat ging er dan mis?”
“Hij dacht dat Dropbox een snoeptrommel was, podcast een serviesmeubel en dat streamen met cellulitis te maken had.”
“Tsss.”
“En hij gebruikte zelfs niet eens Tinder, Twitter, of Instagram. Hij was echt oud.”

Vrienden Plus

(een erotisch verhaal)

De begincredits van ‘Ghost’ trokken voorbij op het televisiescherm. Hij zat op de bank, wijn en hapjes stonden op tafel. Zij was in de weer met kaarsen en wierook.
“Wat doe je nu?”
“Gewoon, even gezellig maken.”
“De film begint, kom nu maar zitten. Maar niet te dichtbij, hè?”
“Nee meneer.” Ze stak nog net haar tong niet uit.

Terwijl aan de andere kant van de kamer de jukebox van Sam en Molly naar een nieuw 45-toerenplaatje zocht, zou hij zweren dat ze bij het verzitten dichterbij schoof. ‘Unchained Melody’ klonk als een belofte door de kamer. Zijn reactie peilend keek ze hem aan. Beiden wisten ze wat dit nummer inluidde. Althans, in de film.
“Is er iets?” Zijn mondhoeken gleden omhoog.
“Nee, niks.”
Begeleid door The Righteous Brothers kneedden Molly en Sam met ineengestrengelde vingers de natte pottenbakkersklei tot een mislukte vaas. ‘I’ve hungred for your touch…’
Ze legde haar hand op zijn dijbeen, als iemand die tijdens een gruwelijke horrorscène ongewild een ander begint te knijpen.
“Ik dacht dat we het vriendschappelijk zouden houden?” De opwinding begon zich meester van hem te maken. Ze was immers een begeerlijke vrouw en ze wilde hem. De sfeer deed de rest.
De passie die van het scherm spatte deed zijn werk; hij besloot er aan toe te geven. Zij was al verder. Veel verder. Ze legde haar hand op de bult in zijn broek. “Hm. Doet je niks, hè?”
Hij trok zijn wenkbrauwen op, in een mislukte poging tot onverschilligheid. Maar zijn hart ging tekeer als een gek.
In een mum van tijd had ze haar slipje onder haar rok vandaan gewerkt en zijn mannelijkheid uit zijn jeans bevrijd. En toen ze langzaam over hem heen schoof, bevrijdde ze een lange, bijna onhoorbare zucht. Ze keek hem vol overgave aan, haar vochtige lippen glimmend in het kaarslicht.
“Ik geloof dat we de film een andere keer maar af moeten kijken,” zei hij zwaarademig. “Eerst wil ik jou.”
“Dito,” glimlachte ze geforceerd.
Hij legde zijn handen tegen haar flanken, ging verzitten zodat hij nog verder in haar drong en drukte zijn mond op de hare.
‘I’ll be coming home, wait for me…’ echode door de kamer.

Het nieuwe bedelen

Op zaterdag wordt het meest strategische punt van de oude winkelstraat ingenomen door de orgeldraaier die het winkelende publiek trakteert op een riedeltje Hazes, Conny Vandenbos of ander oubollig jolijt.
Aan weerszijden van het draaiorgel blokkeren de orgelmannen de doorloop; er is geen ontkomen aan hun rammelende koperen centenbakje.
“Sorry, maar ik heb geen contant geld bij me,” verontschuldig ik me voor mijn gierigheid. “Het pin-tijdperk, hé?”
Het voelt als een geldige smoes, dus kan ik de beste man zonder enig schuldgevoel achter me laten.
Later kom ik een zwerver tegen. Althans, hij ziet er uit als een zwerver: sjofele kleren, ongewassen tronie, onverzorgde haardracht. Maar onder de viezigheid zit een vriendelijk gezicht. Ik gun hem het voordeel van de twijfel en hoor hem aan. In drie minuten vertelt hij me zijn verhaal, zonder omwegen, zonder onnodig drama. Hij is dakloos en platzak en wil van mij een kleine bijdrage.
Met iets meer tegenzin dan bij de orgeldraaier beroep ik mij op hetzelfde excuus. “Sorry, maar ik heb geen contant geld bij me.”
“O, maar dat is geen probleem.” Met een nonchalant gebaar tovert de man een pin-automaat tevoorschijn die er uit ziet alsof ie beter tussen het huisvuil had kunnen blijven liggen.
Ik geef me gewonnen en met een licht opkomende smetvrees pin ik middels de vieze toetsen een paar euro naar zijn bankrekening. Uiteindelijk heeft hij het verdiend. Vanwege zijn vindingrijkheid. Vanwege zijn voorsprong op de orgeldraaier.

Onderonsje

Het is een zwoele zomeravond. Ik moet naar bed omdat ik morgen weer moet voldoen aan de verplichtingen van een werkgever, maar ik maak deze aardse zaken even ondergeschikt aan het kosmische; ik mág van mezelf de heldere sterrenhemel waar het universum mij vanavond op trakteert niet aan me voorbij laten gaan.
Ik neem plaats in een ligstoel, staar naar het firmament en voel me nietig. Ik dwing mezelf het aardse even te vergeten en probeer mijn persoontje een plaatsje te geven in de weidsheid van de kosmos, maar dat is meer dan een simpele aardbewoner bevatten kan.
Plotseling zie ik hoe twee lichtjes zich losmaken van de rest. Ze bewegen zich anders dan de hemellichamen die onverstoorbaar op hun plek blijven staan glinsteren: doelbewust, volgens een patroon, met plotselinge koersveranderingen, maar los van elkaar. Daar komt snel verandering in. Na een korte, kosmische balletuitvoering lijken de lichtjes zich aan elkaar te koppelen en bewegen perfect synchroon met een vaste tussenafstand sierlijk door het nachtelijk zwerk. Hier moet een vorm van intelligentie achter zitten. Dit is niet willekeurig, geen natuurlijk fenomeen of gezichtsbedrog.
Dan stoppen beide lichtjes recht boven me, gaat een van hen even uit en weer aan, en verdwijnen ze met een duizelingwekkende snelheid uit het zicht. Dit was onmiskenbaar een ‘close encounter of the first kind’. Een knipoog vanuit de ruimte.