Innamegesprek

De man posteert zich achter de computer, zijn vingers zweven boven het toetsenbord. ‘Hoe zei u dat uw naam was?’
‘Jansen,’ antwoordt de kandidaat. ‘Maar dat is ie nog steeds.’
Vingers ratelen er op los. ‘Meneerrr Janse…’
‘Jansen. Met een n. Janse is de arme tak van de familie.’ Hij glimlacht zelfvoldaan. ‘Hoe was uw naam ook alweer?’
‘Janssens. Maar dat is ie nog steeds.’ Zijn gezicht glijdt in een grijns van oor tot oor.

Advertenties

Daphne

(met dank aan Elka Le Mair voor de inspiratie)

Het was lang geleden dat het rond middernacht zo zwoel was in haar achtertuintje. Een nauwelijks verkoelend briesje stak op en speelde teder met haar haar. Daphnes hart glimlachte van herkenning. Was het de roes van de wijn die haar verbeelding op hol bracht, of het boek dat ze net weglegde?
Zachtjes speelde de wind met haar rok, deed deze opbollen. Ze wilde meespelen. Een kriebel plaagde haar onderbuik; vol overgave liet ze hem toe.
Het was alsof ze hem hoorde fluisteren. “Je bent te lang alleen, Daphne…”

Lullo’s date

Onvast stond Boudewijn in zijn Santoni’s voor ‘De Hipster’. Nuchter zou hij zo’n tent nooit betreden, maar Ilse wilde per se hier afspreken en hij was nu eenmaal knetterverliefd op haar. Vastberaden koerste hij op de bar af, zette zich op een kruk en stelde in het halfdonker zijn blik scherp op zijn Patek Philippe: hij was tien minuten te vroeg. Tijd genoeg om zich meer moed in te drinken. Hij kwakte zijn Bentley-sleutels op de bar en wenkte naar de barkeeper met grootvaderbaard en grootmoederknotje. “Hé, Piggelmee! Schuif de menukaart eens deze kant op, ik wil eens kijken of er wat vloeibaars te kanen valt in dit omgewaaide kippenhok. Ik word een beetje verdrietig van die macrobiotische herrie die hier uit de speakers loopt en van verdriet krijg ik dorst.”
De drankkaart had net zo goed in Sanskriet geschreven kunnen zijn, want het enige dat hij wist te ontcijferen was glutenvrij bier, Basmatiwijn en heel veel 0,0%…
“Hé, tuinkabouter,” wenkte hij de man achter de bar. “Doe mij iets met minstens twintig procent erin.”
De man keek hem schaapachtig aan.
“Alcohol,” benadrukte Boudewijn. “Pretwater. Chop, chop.”
De groene drab die hem werd voorgezet leek op een als smoothie vermomde cocktail, maar had een verrassende ‘bite’. Iets té verrassend, maar godzijdank voor zijn Armani zat hij pal naast de toiletten.
Toen hij twintig minuten later terug bij zijn kruk kwam, zag hij op zijn horloge dat hij een week te vroeg was.
Maar hij had in geen tijden zo goed gekotst.

Vergeten groep

“Ik ben opgegroeid in een warm nest. Mijn moeder cijferde zichzelf weg om ons een onbezorgde jeugd te geven en mijn vader werkte lange dagen om ervoor te zorgen dat het ons aan niets ontbrak. En tussendoor maakten ze altijd tijd om ons te laten merken dat ze van ons hielden. Ik ben nooit gepest, niet seksueel misbruikt, hoef niet uit de kast te komen en heb zelfs nog nooit een burn-out gehad. Er is dus geen enkele praatgroep waar ik terecht kan.”
“Dus, wat is nu je probleem?”
“Dat ik geen problemen heb.”

Einde

Hij lag op bed, zij lag in peignoir in zijn armen. Hij onderdrukte de pijn van zijn artrose; haar laatste momenten moesten draaglijk zijn.
Buiten op de gang ging het leven door.
Met haar grijsblauwe ogen staarde ze hem aan. “Weet je nog, ons eerste afspraakje? Je keek me diep in mijn ogen en zei…”
“Trouw met me, baar mijn kinderen en laat me in je armen sterven.”
“En je meende het.“
“Nou en of.”
“Het leven heeft een raar gevoel voor humor.” Met een laatste, nauwelijks hoorbare zucht sloot ze haar ogen.

Oom Roel

Een kerstverhaal, geschreven naar aanleiding van een opdracht in de Facebookgroep ‘Korte Verhalen en Gedichten’: schrijf een verhaal van maximaal 700 woorden, over een kerstdiner en een geheim. Het verhaal liet zich echter niet vangen in 700 woorden.

“Dag, meneer de Gier.”
“Jezus.”
“Bijna goed. Ik ben het, Roel.”
Edwin riep de gang in. “Hé Rian, raadt eens wie er op de stoep staat. Mijn broertje.”
“Hij blijft toch wel eten?” klonk vanuit de keuken. “Ik heb toch weer teveel gemaakt.”
“Je vindt het toch niet erg dat ik op eerste Kerstdag onaangekondigd op je stoep sta?” zei Roel.
“Natuurlijk niet, man. Kom binnen.”
Ze liepen de woonkamer in. “Hé jongens, kijk eens wat ik op de stoep gevonden heb.”
“Oom Roel!” Remco en Fleur sprongen op en verwelkomden hem met een dikke knuffel.

Met zijn zilver-met-paarse versiering schitterde de blauwspar op een prominente plaats in de woonkamer en de geur van zijn groen vermengde zich met het aroma van wildbraad, stoofperen en andere kleurige gerechten die de kersttafel sierden.
De kinderen hingen aan Roels lippen terwijl hij verhaalde over de landen waar hij als freelance journalist geweest was: Ivoorkust, Nicaragua, Jemen.
“Jij komt op plaatsen waar mensen nog nooit van gehoord hebben,” zei Edwin.
“Ach, het brengt brood op de plank,” zei Roel. “En het is beter dan vakken vullen bij de buurtsuper.” Met zijn wijnglas in zijn hand wees hij naar zijn broer. “Maar jij beleeft het mooiste avontuur.”
“Ik?” Verbaasd rechtte Edwin zijn rug.
“Het is helemaal niet zo vanzelfsprekend dat je in één mensenleven je zielsverwant al vindt. Veel mensen nemen genoegen met een zeven, omdat ze een solitair bestaan niet aan kunnen. Maar jullie…” vervolgde hij, terwijl hij van Edwin naar Rianne wees, “zijn star crossed souls. Dat voel ik. En daarom hebben jullie zulke mooie kinderen.” Roel zakte achterover in zijn stoel en gaf de kinderen een gulle knipoog.
“Je gaat toch niet sentimenteel worden, hè?” zei Edwin.
“Ik prijs me gelukkig dat ik even bij je gezin mag horen.” Roel hief zijn glas en nam een slok Merlot.

“Je kan blijven slapen, hoor,”zei Edwin, met de deurknop in zijn hand. “Geen probleem.”
“Nee, ik moet weer weg. ‘Roeland, de razende reporter’, hè?”
“Pas goed op jezelf,” zei Edwin met een vermanende wijsvinger.
Roel gaf een knipoog, maakte een pistoolgebaar met wijsvinger en duim en verdween in de nacht.
Toen de kinderen naar bed waren voegde Rianne zich bij Edwin in de keuken. Hij staarde met een lege blik voor zich uit en zijn armen hingen loom langs zijn lichaam. Zijn telefoon plofte op de grond.
“Wat is er?”
“Ik moet naar het ziekenhuis. Roel is dood.” Hij keek haar ontredderd aan. “Hij is vanmorgen vroeg overleden.”

Rond de receptiebalie hing een sfeer van dagelijkse bedrijvigheid. Niemand leek Edwins aanwezigheid op te merken, op één vrouw na.
“Meneer de Gier?” Ze stak haar hand uit. “Ik ben Alma Janssen. U had mij aan de telefoon.”
“O, ja.” Verdoofd schudde hij haar hand.
Ze nam hem mee naar een klein kantoor. “Wilt u iets drinken? Koffie, of een glas water?”
“Nee. Het gaat wel. Wat is er gebeurd?”
“Uw broer is overleden aan de gevolgen van een onbekend virus dat hij in het buitenland heeft opgedaan.”
“Een virus?“
“Hij heeft geen pijn geleden.”
“Maar hoe kan hij vanochtend zijn overleden?” Edwin begreep hoe absurd het zou klinken als hij haar probeerde uit te leggen wat hij zelf niet eens begreep.
“Ik begrijp uw verwarring. Dat is heel normaal in zo’n situatie. Wilt u hem nog zien?”
“Ja,” hoorde hij zichzelf zeggen.
“Ik heb nog met uw broer gesproken voor hij stierf,” zei Alma, terwijl ze door de ziekenhuisgangen liepen. “Het was heel opmerkelijk. Veel mensen zijn bang voor de dood, vechten ertegen, maar hij niet. Hij vond dat hij een mooi leven had gehad.”
“Ja, dat klinkt wel als mijn broer.”
“Er was maar één ding dat hij heel graag had willen meemaken.”
“Wat was dat?”
“Deel uitmaken van een liefdevol gezin.”
Het mortuarium was een ruimte die was ingericht op functionaliteit: roestvrijstalen tafels en opbergkasten, tegelwerk en afvoergoten voor zaken waar men liever niet aan wilde denken. In het bleekwitte tl-licht stond een ontleedtafel waarop een lichaam onder een laken lag: Roel.
Edwin had dit tafereel gezien in misdaadseries, maar had nooit verwacht er zelf mee geconfronteerd te worden. De geur van formaldehyde prikkelde zijn neus en teisterde zijn maag terwijl hij schoorvoetend naar de tafel liep.
Naast de tafel wachtte een magere man in een groene labjas. Een type dat Roel gekscherend ‘Magere Hein’ zou hebben genoemd.
Edwin voelde zich zo leeg als het omhulsel dat voor hem lag; de essentie van wat zijn broer was, was al verdwenen. Er restte slechts een tevreden, bijna geruststellende glimlach om de bleke lippen. Het is goed zo.

2019

Overvolle parkeerterreinen bij winkels en tuincentra, eindejaarsloterijen beloven prijzen waar de gewone burger zich geen raad mee zou weten en miljoenen euro’s worden de lucht in geschoten in een poging de geesten van de onvrede in onszelf te verdrijven; de laatste maand van het jaar is niet de tijd van reflectie en bezinning die het zou moeten zijn.
Hier zou de bezem wel eens doorheen mogen.

10 december 2018. Vanuit de koudste diepte van de kosmos zijn ze op onze planeet geland. Te klein en onbetekenend om door spionagesatellieten als bedreiging te worden gezien. Met tussenpozen van uren, dagen; een druppel op de gloeiende tijdschaal van het universum.
De landingsplaatsen liggen rond de evenaar: dunbevolkte gebieden met een hoge omgevingstemperatuur. In het tropische regenwoud van Sumatra, de Afrikaanse Congo en Corcovado National Park in Costa Rica is de indringer zijn offensief tegen de mens reeds begonnen. Bestand tegen de weerstand van onze atmosfeer en de harde landing, braken hun schalen open toen hun tijd gekomen was.
Om zo lang mogelijk onopgemerkt te blijven overvallen ze plaatselijk groot wild in hun slaap. Beren, gorilla’s of olifanten; zolang er maar in korte tijd veel hongerige monden mee gevoed kunnen worden. Bestuurd door een collectief instinct storten ze zich als piranha’s op hun gastheer en reduceren deze in een mum van tijd tot een kaalgevreten karkas. Geen stukje vlees gaat verloren.
Als interstellaire sprinkhanen hebben ze al vele werelden onvruchtbaar achtergelaten, ze hebben geen boodschap aan ecosystemen of natuurlijk evenwicht. Ze moeten vreten en voortplanten. Resistent geworden tegen alles waarmee het universum ze heeft proberen te remmen zijn ze een onuitroeibare soort geworden. Een onherstelbare fout van Moeder Natuur.
Tegen de tijd dat deze meedogenloze monstermassa de bewoonde wereld bereikt zal ze niet meer te stoppen zijn. Geen wereldleider of terrorist, huisvrouw of ambtenaar zal er aan kunnen ontkomen. Er zal niet mee te onderhandelen zijn, voor deze indringer zijn wij voedsel. Niet meer en niet minder.

Terwijl de Nordmann langzaam zijn naalden begint te verliezen genieten we met een proseccootje in de ene hand en een taaie oliebol in de andere van een spetterend vuurwerk en wensen elkaar veel voorspoed en geluk voor het nieuwe jaar.
Het zal de laatste keer zijn.