Excursie anno 2057

“Toen ik als jochie van amper twintig hier in de Zoo kwam werken heette het nog dierentuin. Toen hadden we nog echte, wilde dieren. Achter hekken of tralies, anders aten ze de bezoekers op.”
“Echt waar?!” De schoolkinderen hingen aan zijn lippen.
“Mijn dag zag er ook heel anders uit. Kilo’s eten verstouwen. Fruit, vlees, vis. En kilo’s poep.”
“Getver!”
“Met de komst van de androïeren, in 2033, heb ik me laten omscholen van verzorger tot engineer. Ik moest met mijn tijd meegaan of ander werk zoeken. Maar ik mocht wel mijn titel houden: Oppasser.” De man liet zijn blik door het park dwalen, waar exotische dieren en bezoekers door elkaar liepen. “Vroeger waren we hier een kapitaal kwijt aan voer en medicijnen, nu aan stroom en software-upgrades.”
“Mist u het wel eens, de echte dieren?” vroeg de juf.
“Ja. Maar ik ben nu 74 en over twee jaar mag ik dus met pensioen. Dan ga ik op reis naar Afrika en Indië. Op zoek naar bloed, poep, gif en veren. Dat lijkt me geweldig.”

Advertenties

Relatietherapie

(niet geschikt voor jeugdige lezers)

Ze schoof dicht tegen hem aan op de rood leren bank en lachte ondeugend. Ze zag er hot uit, haar rode pumps kleurden perfect bij de driezitter. Hij draaide naar haar toe en legde zijn hand op haar blote dijbeen, tegen haar korte rok aan. Ze opende haar benen en staarde hem aan met een blik vol overgave. Langzaam gleed zijn hand onder haar rok en vond haar behaarde venusheuvel. Haar ademhaling werd zwaarder en toen zijn vingers haar vochtige plekje vonden, voelde hij hoe de opwinding zich ook van hem meester begon te maken.
Ze legde haar hand op de bult in zijn jeans en bracht haar mond bij zijn oor. “Ik wil je. Nu.”
Haastig bevrijdde ze zijn erectie en klom over hem heen. Moeiteloos verdween zijn forse lid in haar warme, hunkerende lijf.
De bank was hun redding. Onverstoorbaar nam hij haar in diverse posities; ze hadden in geen tijden zulke fantastische seks gehad.
Het advies van de relatietherapeut werkte boven verwachting, al kon de filiaalmanager van Seats and Sofas daar weinig begrip voor opbrengen.

Vrijgezel

(een erotisch getint kort verhaal)

Eindelijk had hij weer een date, durfde hij de liefde weer in zijn leven toe te laten. Ze was aantrekkelijk, deelde zijn gevoel voor humor, was avontuurlijk én elegant.
Niets liet hij aan het toeval over: hij had zijn appartement aan een extra opruimbeurt onderworpen en diverse culinaire traktaties in huis gehaald, waarvan de helft onaangeroerd in de koelkast bleef staan.
Voor hij het besefte stonden ze onder de douche. Ze zeepten elkaars lichaam in, een ontdekkingstocht van heet water en schuim, dat zijn weg zocht langs al haar zachte welvingen. Intiem en sensueel, maar niet geil.
De geur van patchoeli-wierook hing nog in het appartement toen ze de badkamer verruilden voor de slaapkamer. Hij was in tijden niet zo ontspannen geweest.
Voor het eerst in drie jaar lag er een naakte vrouw met haar warme lichaam tegen het zijne. Haar hoofd lag op zijn schouder, haar blond krullende haar kriebelde in zijn gezicht. Haar slanke hand streelde zijn borstkas, hij voelde zich op en top man.
Terwijl ze elkaar lieve woordjes toefluisterden dwaalde haar hand over zijn buik en vond zijn halfstijve lid.
En toen hadden ze seks.
“Wat zullen we nu krijgen?!” Verbijsterd richtte hij zich op.
“Sorry,” zei De Schrijver. “Verder ben ik nooit gekomen. Je hebt gewoon pech dat je een personage bent van een verstokte vrijgezel.”

De laatste halte

De ochtendzon schijnt tussen de vitrage door op de ontbijttafel. Zij staart de tuin van het verzorgingstehuis in.
Hij staart naar haar, terwijl hij met onvaste hand zijn beschuitje naar zijn mond brengt. “Ik zal nooit vergeten hoe nerveus ik was toen ik je thuis bracht na ons eerste afspraakje.”
“Wat waren we jong en onzeker,” mijmert ze gelukzalig mee.
“Ik wist niet of ik je ging kussen. Of ik het durfde. Of jij het durfde.” Hij neemt een bescheiden hap van zijn beschuitje.
“Ik zal nooit onze nacht vergeten in die houthakkershut in Zweden. Wat was het daar koud.” Haar blauwgrijze ogen beginnen te glinsteren.
“Maar niet bij de open haard.” Hij glimlacht ondeugend. “Goedkope wijn en kaas van het winkeltje in het dorp met die onuitsprekelijke naam. Maar…” vervolgt hij op fluistertoon, “ik was met de mooiste vrouw van de wereld, naakt, bij het schijnsel van een flakkerende open haard. Een van de mooiste momenten van mijn lange leven.”
Er verschijnt een blos op haar oude wangen.
Tot ver na de koffie halen ze herinneringen op aan hun leven, hun avonturen. De eetzaal is al leeg, het personeel begint tafels af te ruimen.
Ze buigt voorover en legt haar knokige handen op de zijne. “Ik wil in mijn volgende leven ook bij je zijn, Bert.”
“Ik wil in al mijn volgende levens bij je zijn, Anna.”
“Sorry dat ik stoor,” zegt het meisje van de catering, “maar ik moet uw tafel afruimen.”
“Dat geeft niet, schat,” zegt Anna en even later schuifelt ze arm in arm met Bert de eetzaal uit.

De volgende morgen worden Bert en Anna in bed gevonden, in een verstilde omhelzing. Op het nachtkastje liggen, naast een half glas water, twee lege medicijnpotjes en enkele pillen.

Vrienden voor het leven

Ik heb ze zestien jaar niet gezien, Wouter en Chantal. We waren ooit hele goede vrienden, deden alles samen. Maar we groeiden uit elkaar, gingen onze eigen weg. Zonder wrok of haatgevoelens.
Ik ga op Chantals uitnodiging in, omdat ik wil weten hoe het met ze gaat. Ze wonen nog in hetzelfde huis, al is het een en ander aan de inrichting veranderd. We keuvelen over vroeger en de sfeer is ontspannen, vertrouwd. We zijn ouder geworden, maar nauwelijks veranderd. Herinneringen worden aangehaald en zestien jaar verdwijnen als sneeuw voor de zon.
“Hé, gratenkut,” roept Wouter ineens de keuken in. “Breng eens een biertje.”
“Doe het zelf, apenneuker,” echoot Chantal. “Ik ben je zoldersnol niet.”
Een korte scheldkanonnade volgt en ook al proef ik geen agressie, toch kan ik mijn plaatsvervangende schaamte niet onderdrukken.
Wouter staat op. “Ik ga naar buiten, greppeldel. Een sigaretje roken.”
“Doe dat, mislukte kontenbonker.”
“Gaat dat altijd zo tussen jullie?” vraag ik Chantal, als Wouter in de tuin staat.
“Het is niet wat het lijkt, Simon. Wouter heeft kanker.”
“Kut. Is het een hersentumor, dat ie daarom zulke grove taal uitkraamt?”
“Nee, alvleesklierkanker. Binnen twee maanden is ie weg.”
Ik zak onderuit en probeer het te bevatten. “Maar dat schelden?”
Chantal haalt haar schouders op. “Dat is een afleidingsmanoeuvre, een uitlaatklep. Voor ons allebei.”
Op dat moment komt Wouter binnen. Ik zie het in zijn ogen: hij weet dat ik het weet.
Ik verman me en hijs mezelf op uit de bank. “Hé, kankerlijer. Wanneer zijn we van je af?”
Hij komt voor me staan, legt zijn handen op mijn schouders en lacht me ontspannen toe. “Over een paar maanden ben ik wormenvoer, bokkenlul. Dan ben je eindelijk van me af.”
“Moeten we nog zo lang wachten?” lach ik geforceerd het brok in mijn keel weg.
Wouter slaat zijn armen om me heen, drukt me stevig tegen zich aan en fluistert: “Man, wat ben ik blij je weer te zien.”
En terwijl we elkaar minutenlang in stilte omhelzen, weet ik waarom ik hier ben.

Appletje eitje

“En met welk kabeltje verbind ik nu mijn nieuwe iPhone met mijn PC om mijn foto’s te kunnen opslaan?”
“Kabeltje? Dat moet je in de iCloud doen. Is veel makkelijker. Dan kan je bij je muziek, foto’s, documenten, contactpersonen en agenda’s. En je krijgt ook nog een gratis e-mail adres van Apple.”
“Tjonge.”
“Je moet alleen even een account aanmaken, een paar apps vanuit de Apple app-store downloaden, je apparaten synchroniseren en je kan aan de slag. Appletje eitje.”
“Ja, ja.”
Even was het stil, terwijl hij Windows verkenner doorzocht.
“En op welke schijf staan mijn foto’s dan?”

De duvel is oud

Opschieten zat er niet in. De snelheidslimiet was 50, maar de automobilist voor hem nam het zekere voor het onzekere met een gezapige 49 km/u.
Martin keek nog eens goed door de achterruit van de auto en zag een grijs koppie achter het stuur zitten. “Kom, ouwetje,” dacht hij hardop. “Je wandelt niet met je rollator door de gangen van ‘Huize Avondrood, maar nog niet dood’. Ik wil graag thuis zijn voor ik van ouderdom ben gestorven.”
Op zijn racefiets verwachtte hij nog op te kunnen schieten, maar die illusie werd hem ontnomen door een ouder echtpaar dat de volledige breedte van het fietspad nodig had. Nu begreep hij waarom oude mensjes er verstandig aan deden een fietshelm te dragen; als ze nog langzamer reden, zouden ze hun evenwicht verliezen en omvallen.
Een bezoekje aan de buurtsuper voor wat tussendoorboodschappen stelde zijn geduld verder op de proef: het was alsof de zilverharige dame die voor hem bij de kassa stond voor het eerst van haar leven boodschappen deed in een supermarkt. Artikelen op de band leggen, afrekenen met pinpas, vragen over legeflessenbon, klantenkaart en spaarzegels; niets ging probleemloos.
Eenmaal thuisgekomen zou hij de saaiheid van de dag wel verdrijven door een rocknummer op te zetten of een F1-verslag terug te kijken, maar eerst moest hij de stapel post achter de voordeur te lijf. Hij opende de bovenste envelop, haalde de kaart eruit en sloeg deze open. Terwijl hij ‘Gefeliciteerd, ouwe reus!’ las in Theo’s handschrift, piepte een elektronisch ‘When i’m sixty-four’ door de gang.
Een voor een nam hij de verjaardagskaarten door en bij de laatste durfde hij eindelijk de waarheid een beetje tot zich te laten doordringen. Hij keek in de gangspiegel en haalde zelfverzekerd zijn vingers door zijn weelderige grijze haardos. “Ach, wat. Vierenzestig is het nieuwe dertig.”