2019

Overvolle parkeerterreinen bij winkels en tuincentra, eindejaarsloterijen beloven prijzen waar de gewone burger zich geen raad mee zou weten en miljoenen euro’s worden de lucht in geschoten in een poging de geesten van de onvrede in onszelf te verdrijven; de laatste maand van het jaar is niet de tijd van reflectie en bezinning die het zou moeten zijn.
Hier zou de bezem wel eens doorheen mogen.

10 december 2018. Vanuit de koudste diepte van de kosmos zijn ze op onze planeet geland. Te klein en onbetekenend om door spionagesatellieten als bedreiging te worden gezien. Met tussenpozen van uren, dagen; een druppel op de gloeiende tijdschaal van het universum.
De landingsplaatsen liggen rond de evenaar: dunbevolkte gebieden met een hoge omgevingstemperatuur. In het tropische regenwoud van Sumatra, de Afrikaanse Congo en Corcovado National Park in Costa Rica is de indringer zijn offensief tegen de mens reeds begonnen. Bestand tegen de weerstand van onze atmosfeer en de harde landing, braken hun schalen open toen hun tijd gekomen was.
Om zo lang mogelijk onopgemerkt te blijven overvallen ze plaatselijk groot wild in hun slaap. Beren, gorilla’s of olifanten; zolang er maar in korte tijd veel hongerige monden mee gevoed kunnen worden. Bestuurd door een collectief instinct storten ze zich als piranha’s op hun gastheer en reduceren deze in een mum van tijd tot een kaalgevreten karkas. Geen stukje vlees gaat verloren.
Als interstellaire sprinkhanen hebben ze al vele werelden onvruchtbaar achtergelaten, ze hebben geen boodschap aan ecosystemen of natuurlijk evenwicht. Ze moeten vreten en voortplanten. Resistent geworden tegen alles waarmee het universum ze heeft proberen te remmen zijn ze een onuitroeibare soort geworden. Een onherstelbare fout van Moeder Natuur.
Tegen de tijd dat deze meedogenloze monstermassa de bewoonde wereld bereikt zal ze niet meer te stoppen zijn. Geen wereldleider of terrorist, huisvrouw of ambtenaar zal er aan kunnen ontkomen. Er zal niet mee te onderhandelen zijn, voor deze indringer zijn wij voedsel. Niet meer en niet minder.

Terwijl de Nordmann langzaam zijn naalden begint te verliezen genieten we met een proseccootje in de ene hand en een taaie oliebol in de andere van een spetterend vuurwerk en wensen elkaar veel voorspoed en geluk voor het nieuwe jaar.
Het zal de laatste keer zijn.

Advertenties

Reïncarnatie

Ik sta met mijn rug tegen de muur, mijn handen bijeengebonden op mijn rug. Touw snijdt in mijn polsen, maar dat deert me niet. Ik heb hevigere pijnen gekend. De klinkers aan mijn voeten zien rood van geronnen bloed van geëxecuteerden die mij voorgingen. Voor me staan vijf mannen in militair uniform, hun musket in de aanslag.
De vuile, bebloede vodden die aan mijn lijf hangen staan in schril contrast met het imposante kuras dat ik ooit droeg. Mijn leven stond in dienst van de keizer, ik genoot aanzien van al mijn dorpsgenoten en de loyaliteit van mijn mede-samoerai vergezelde mij tot op het slagveld. Discipline was mijn levenswijze, pijn was mijn metgezel.
Zelfs met mijn Wakizashi, mijn bijzwaard, zou ik deze vijf stumpers van het leven kunnen beroven voor ze wisten wat hen overkwam. Maar dat is niet mijn rol in dit leven.
Ik ben vogelvrij verklaard door hen die mij terecht stellen, om als voorbeeld te dienen voor het gepeupel. Ik heb mij gevangen laten nemen opdat mijn kameraden vogelvrij kunnen blijven en hun strijd tegen het onrecht kunnen blijven voeren.
Als piloot in Afrika heb ik in een ander leven volop van mijn vrijheid mogen genieten, dus een paar weken in een vochtige kerker was nauwelijks een beproeving. Ik voel geen angst want ik weet dat de bevrijding nabij is. Als straks het verlossende ‘Feu!’ over de binnenplaats galmt, zal ik dood zijn voor het lawaai van de vuurwapens mijn oren bereikt. En de pijn zal snel plaats maken voor de vertrouwde toestand van gewichtsloosheid, de warmte en gedempte geluiden van de baarmoeder. Ik heb het eerder meegemaakt.
Er is slechts één onzekerheid die me teistert: welke beproevingen moet ik nog doorstaan en hoeveel levens moet ik nog leiden voor ik er klaar voor ben? Klaar voor mijn laatste leven als Cicerone, gids voor anderen.

Vuurwerk

De brand, begonnen in het magazijn aan de achterzijde van het pand, zette de blinde muur van het aangrenzende gebouw in een oranjerode gloed. Oplaaiende vlammen en schaduwen van de bedrijvigheid in de steeg erachter toverden het gebouw om in een psychedelische achtergrondprojectie van een jaren zeventig popgroep.
Staande in de deuropening aan de voorzijde van het pand werd zijn aandacht opgeëist door het schouwspel dat zich binnen afspeelde: langs het plafond dansten kleine vlammen hem in een hypnotiserend ballet enthousiast tegemoet, en dichter bij de grond tuimelden vuurbollen over elkaar heen, op weg naar de zuurstofrijke buitenlucht achter hem. Terwijl het vuur hem begon in te sluiten, de hete lucht aan zijn luchtwegen vrat en zijn ogen brandden van de rook, dwong hij zichzelf nog iets langer van het moment te genieten. Het had hem genoeg moeite gekost dit vurige crescendo te componeren.
Het was een gebruikelijke verzekeringsfraudefik voor een vastgoedbeheerder, al was in dit werk nooit sprake van routine. Een klus die vroeg om maximale schade, met minimale kans op slachtoffers. Hij verstond zijn vak en dus zou ook deze brand op een ongeluk lijken. Hij zou rijkelijk beloond worden van het opgestreken verzekeringsgeld, maar dat was niet zijn drijfveer. Zijn beloning was een zitplaats op de eerste rij van de voorstelling die hijzelf had geregisseerd; een muziekstuk dat alleen voor zijn oren eenmalig werd opgevoerd, een schilderij dat na voltooiing werd vernietigd, zodat geen andere ogen het konden bezoedelen. Hij was de ultieme kunstenaar, en zijn vloek was dat niemand zijn werk ooit op waarde zou schatten.
Plotseling werd hij opgeschrikt uit zijn euforie.
“Verburgt! Sta niet te dromen, man,” brulde zijn commandant. “Pak die spuit en versla dat beest voordat we de hele klerezooi hier op ons kop krijgen.”

Heleen

Toen ik er kwam wonen, viel Heleen me meteen op. En niet zozeer vanwege haar uiterlijk, al was ze met haar blonde pagekapsel, atletische gestalte en gezonde teint een aantrekkelijke vrouw.
De woongroep was een verzameling zonderlinge figuren, waar zij niet tussen paste. De meeste bewoners waren Greenpeace-aanhangers die reden in Berlingootjes en twintig jaar oude Volvo’s en er een uitgesproken maatschappijkritische mening op na hielden. Heleen was opvallend onopvallend aanwezig in de woongroep. Ze observeerde de wereld om zich heen en oordeelde nooit.
De voorstanders van complottheorieën daarentegen – en die waren hier genoeg – waren al gauw tot de conclusie gekomen dat Heleen door overheidsinstanties in de woongroep moest zijn geplaatst om subversieve elementen op te sporen.
Mijn vermoedens waren minder achterdochtig van aard: omdat ik haar eens betrapte op het maken van aantekeningen terwijl ze hevig discussiërende bewoners observeerde, hield ik haar voor een stiekeme journalist, die materiaal verzamelde voor een baanbrekend artikel in Psychologie Magazine.

Tijdens een gezamenlijke maaltijd in de gemeenschapsruimte daalde het verlichtingsniveau tot de helft, om even later op normale sterkte verder te branden.
Bertram keek niet eens op van zijn bord. “Dat krijg je als…,” sprak hij nauwelijks hoorbaar.
“Dat krijg je als de commerciële sector zeggenschap krijgt over nutsbedrijven,” zei Karin luid. “Onbetrouwbare energielevering.”
Bertram haalde laconiek zijn schouders naar me op. “We hebben ook regelmatig spanningspieken waardoor apparaten doorbranden. Dat heeft ons al twee koffiezetapparaten en een broodrooster gekost.”
“Hoe komt dat?”
“Wat Karin zegt. Onbetrouwbare energielevering.”
Plotseling klonk een scherpe knal en vaag glasgerinkel uit de gang. Ik voelde de echo van klap in mijn onderbuik. Nieuwsgierig verzamelden de bewoners zich bij Heleen’s kamer, de bron van het geluid. Ik zag een blauwgroen schijnsel onder haar deur wegtrekken.
“Heleen?” riep ik tegen de deur. “Is alles goed?”
Het bleef stil.
Ik aarzelde geen moment en zette mijn schouder tegen de deur.
Heleen’s appartementje was leeg, het raam vertoonde een groot, ovaal gat. Behoedzaam liep ik erheen; dit was geen gewoon gat. Op de grond lagen glasscherven, maar van een vaas. De rand van het gat was niet versplinterd, maar glad, gesmolten. Ondanks dat het net gebeurd moest zijn gaf het glas geen warmte af.
Ik keek naar buiten. Alles leek normaal. Auto’s reden door de straat, mensen liepen op het trottoir.
“Heleen?” verhief ik mijn stem, al verwachtte ik geen antwoord.
Op de gang verzamelden zich meer mensen.
“Ze is ontvoerd door buitenaardsen,” concludeerde Karin.
“Jij kijkt teveel films,” merkte Bertram op.
“En jij steekt je kop in het zand.”
Anderen mengden zich in de discussie en de gemoederen raakten verhit, maar ik liet het niet tot me doordringen. Plotseling begreep ik Heleen. Haar observerend vermogen, haar waarnemingen, haar integriteit.
“Nee,” zei ik hardop. “Ik weet het.”
Onmiddellijk stopte het gekibbel.
“Heleen is terug naar huis.”

Virtual Reality

“Het was zó cool. Mijn hart ging tekeer als een jokko toen ik voetje voor voetje naar het randje liep. Het angstzweet brak me uit toen ik de diepte in keek. Ik voelde de aders van mijn slapen kloppen. En de adrenalinekick die ik kreeg toen ik naar beneden flikkerde, ook al duurde het maar een paar seconden, daar kan geen bungeejump tegenop.”
Ik kijk toe hoe de verpleegster zijn gips controleert en zijn monitor bijstelt. “Jammer dat je VR–bril nog niet aan stond, hè?”

Katinka

Een voorzichtig zonnetje verdrijft de ochtendkou. De kermis in de stad is nog niet op gang, het carillon doet zijn best de sfeer in de winkelstraat op gang te brengen. Ik zit bij een tafeltje aan mijn cappuccino en gun een brutale duif kruimels van mijn homp appeltaart. Het leven is goed.
Ik hoor hakken en draai mijn hoofd. De gelijkenis en het leeftijdsverschil zijn duidelijk: dit zijn moeder en dochter. Dochter loopt op laarsjes met verhoogde hak, moeder niet. Dochter doet moeite onverschillig te kijken, moeder niet. Dochter kijkt me voorbij, moeder niet.
Ik zing in mijn hoofd. “Hakjes tik tak op de stoep. Korte rok, met nauwe coupe. En haar blik verraadt geen nee of ja, daarom zingen alle jongens haar verlangend na: kleine kokette Katinka…”
Moeder kijkt om, ik vang nogmaals haar blik.
Ze is niet klein, niet koket, maar even is zij mijn Katinka.

Beveiliging 1.0

Bij het horen van ‘mergelgrotten’ denk ik onherroepelijk terug aan mijn jeugd: vakanties in Limburg met de familie, bezoekjes aan okergele, door mensenhanden uitgehouwen ondergrondse ruimtes nabij Valkenburg. Nooit had ik kunnen vermoeden dat deze plek het belangrijkste archief van de Nederlandse overheid huisvestte. En nu mag ik een bezoek brengen aan dit zwaar beveiligde object.

(bron foto: berglopen.bbits.be)

Er is een verrassend eenvoudige, korte procedure aan voorafgegaan, al heeft men vooraf ongetwijfeld mijn volledige digitale doopceel gelicht.
“Waarom hebben jullie mij als schrijver gevraagd om jullie beveiliging te beoordelen en waarom geen kenner van beveiligingssystemen?” wil ik weten.
“Omdat zelfs de beste beveiligingsspecialist beperkt is in zijn gedachtengang. Jij niet. Jij hebt het vermogen om out of the box te denken als geen ander. Jouw fantasie is voor ons van grotere waarde dan de vakkennis een beveiligingsman.”
In het geblindeerde busje, op weg naar de locatie, krijg ik aanvullende instructies. Er is geen gewapende escorte; voor de buitenwereld moet dit bezoek vooral informaliteit, routine en dus saaiheid uitstralen. Na tien minuten hobbelen komt het busje tot stilstand en schuift de zijdeur open. Ik verlaat het voertuig met de man die ik inmiddels ken als Robert en omdat we in het landschap staan, begrijp ik de muskusrattenbeheer-opdruk op het voertuig. Ook is het me duidelijk waarom ik werd geïnstrueerd om in ‘werkkleding’ te komen: een functionaris in maatpak met aktentas bij de ingang van een grot doet vragen rijzen, trekt aandacht.
De ingang is een eenvoudig hek met een ketting en hangslot; elke vorm van technologie is ver te zoeken. Robert sluit het hek achter ons en gaat me voor naar een stalen wenteltrap die ons tien meter lager brengt. “Weet je wat de zwakste plek is in elk beveiligingssysteem?” galmt zijn stem tussen het krijtgesteente. “Automatisering. Computers. Elk systeem dat op het internet is aangesloten is te hacken. Van Amsterdam tot Hong Kong. En dus moet je het op grote schaal beveiligen. Een autonoom, lokaal systeem zoals dit is makkelijker te controleren.” Hij loopt verder, zijn stem sterft weg. “Nou ja, makkelijker…”
“Maar kunnen we nog wel zonder computergestuurde systemen?” vraag ik me hardop af. “Het analoge tijdperk ligt nu toch echt wel achter ons.”
Zijn stilte is veelzeggend, maakt me nieuwsgierig. Hij draait zijn hoofd, kijkt me even aan. “Je zal er van staan te kijken hoever een beetje vindingrijkheid reikt. Low tech is hier het toverwoord.”
“Low tech?” papegaai ik.
“Geduld.”
We komen in een ruimte met aan weerszijden gestapelde plateaus met champignons.
Ik probeer Robert te ontdooien met wat humor. “Een bijverdienste voor de overheid, paddo’s kweken?”
Roberts gezicht glijdt bijna uit en meteen weer in de plooi. “Met een temperatuur van twaalf graden en een hoge vochtigheidsgraad zijn deze grotten uitermate geschikt voor het kweken van champignons. De kwekers huren de ruimte van ons voor een habbekrats en hebben dus geen reden tot klagen. Ze komen hier niet vaak en helpen ons nieuwsgierigen weg te houden zonder te beseffen dat ze dat voor ons doen.”
We volgen enkele gangen en lopen een ruimte in van twintig meter hoog. Ik verwonder me over de schoonheid van de kalkstenen zaal. Het is een inspirerende omgeving voor een schrijver; ik waan me in een scene uit ‘Raiders of the Lost Ark’.
Robert oreert verder. Zijn zakelijke uitleg is ongetwijfeld het resultaat van jarenlang bureaucratisch werk in een overheidscultuur. Hij zwaait met zijn arm in de rondte. “750 kilometer gangen. De kans dat iemand de ingang van ons complex vindt is klein. Zeer klein.”
Ik geef mijn ogen de kost. “Ik zie nog steeds geen camera’s.”
“Opmerkzaam.”
“Tja, je hebt me niet uitgenodigd vanwege mijn mooie blauwe ogen.”
“Camera’s wekken de indruk dat je iets te verbergen hebt.”
Deze gedachtengang wil ik onthouden. Ik kan hem vast nog eens in een verhaal gebruiken.
“Het is een flinke wandel,” merk ik op.
“Het is maar hoe je het bekijkt.” Zijn gezicht ontspant even. “Half Nederland zit elke werkdag twee keer een uur opgesloten in een stuk blik onderweg naar het werk. Hier heb je een wandeling van een half uur in een inspirerende omgeving. En het scheelt je een bezoek aan de sportschool.”
We komen bij een kleine doorgang die is afgesloten met een enkele ketting, waaraan een bordje bungelt: ‘afgesloten wegens instortingsgevaar’.
Robert maakt de ketting los en we staan voor een groot, donker gat. Over dat gat loopt een verroeste loopbrug die zijn beste tijd gehad heeft. Hij bemerkt mijn aarzeling. “Niet alles is wat het lijkt in dit oord.” Zelfverzekerd zet hij zijn eerste stappen op de brug. Deze geeft geen krimp. “Deze brug is gebouwd door decorspecialisten die ook Efteling-attracties hebben ontworpen. En voordat je het vraagt: hij is ergens anders gebouwd en hierheen getransporteerd.”
De brug voelt solide genoeg. Aan de andere kant staan we voor een ijzeren deur. Robert steekt een grote baardsleutel in het oude slot. Low tech is het toverwoord.
Het laatste dat ik op deze plek verwacht is een middelgroot, dertien-in-een-dozijn administratiekantoor. Met behulp van planten, reproducties aan de wanden en een pantry met een zithoek is geprobeerd een aangename werkomgeving te creëren, maar de lichtende panelen aan de wand zijn een mager surrogaat voor de ontbrekende ramen.
“Dit is onze buffer met de buitenwereld,” zegt Robert. “Deze mensen zijn onze firewall.”
Op verzoek van de vrouw bij de balie schrijf ik mij in op de bezoekerslijst en terwijl ik het pasje om mijn hals hang, zie ik de telefoontoestellen op de bureaus. “Dat is vast geen IP-telefonie,” concludeer ik.
Robert volgt mijn blik. “Analoge telefoonlijnen. Vallen nooit uit, zijn niet te hacken en ongevoelig voor virussen. En makkelijk te controleren.” Hij kijkt me samenzwerend aan. “We willen wel enige controle houden over wat in ons deel van de wereld gebeurt.”
Hij loopt naar de spreekpost naast de lift. “En de verbinding met beneden is een autonoom, analoog intercomsysteem.” Hij kondigt onze komst aan.
Ik raak bijna gedesoriënteerd door de duizelingwekkende versnelling van de dalende lift. De rit duurt kort, maar mijn gevoel zegt me dat we ons diep onder de grond bevinden als de liftdeuren opengaan.
“Welkom in ons domein.”
Ik loop naar de sierlijk vormgegeven gietijzeren balustrade en begrijp waarom: ik bevind me op de bovenste van acht verdiepingen, elk vier meter hoog. De galerijen reiken ver de kalkstenen gewelven in. Op elke verdieping zie ik verrijdbare archiefkasten in het gelid staan, met grote, sierlijke handwielen aan de kopkant. Hier en daar bevindt zich een ijzeren wenteltrap die de galerijen met elkaar verbindt. Aan het dak van deze ondergrondse kathedraal hangen enorme, Victoriaanse armaturen, die een bijna sfeervol geelwit licht verspreiden.
In de verte hoor ik muziek. Het klinkt als David Bowie’s ‘Undergound’, maar het kan ook zijn dat deze inspirerende plek mijn verbeelding op hol doet slaan.
Ik ben hier met een reden. Ik zet mijn verbeeldingskracht op een lager pitje en imiteer Robert’s zakelijke houding. “Een papieren archief.”
“Al vanaf het prille begin.”
Terwijl ik verwonderd de verte in staar, voel ik zijn afwachtende blik in mijn richting. “Vraag maar raak.”
“Wat voor brandblussysteem gebruiken jullie hier? Vast geen sprinklerinstallatie.”
“En alles nat laten worden, zeker.” Hij wijst naar vreemd ogende sproeikoppen. “Het gebruik van Halon als blusgas is flink teruggedrongen, omdat het de ozonlaag aantast, maar wij mogen het nog tot 2040 blijven gebruiken. Daarna…”
“…hebben jullie een probleem.”
“Al was het maar omdat er tegen die tijd geen technicus meer te vinden is die een dergelijke installatie kan onderhouden.” Hij recht zijn rug en vervolgt zijn uitleg. “De enige echt geavanceerde installatie die we hier hebben is een bewaakt klimaatsysteem dat de luchtvochtigheid en temperatuur reguleert.”
“Het lijkt erop dat jullie niets aan het toeval hebben overgelaten.”
“Je gaat me toch niet vertellen dat we onze beveiliging voor niets in gevaar hebben gebracht door jou hier binnen te laten?”
Ik hef een bezwerende vinger. “Dat is precies wat jullie over het hoofd hebben gezien,” concludeer ik, met tegenzin. “Wat nu als ík dit uit laat lekken?”
“Dan moeten we je natuurlijk vermoorden.” Robert vertrekt geen spier en even twijfel ik of me zorgen moet maken of dat ik getuige ben van een uitzonderlijk gevoel voor humor.
Dan schiet Robert in de lach en slaat amicaal zijn arm om me heen. “Je begrijpt het niet, hé? Dat is het mooiste van alles: wie gelooft nu zoiets van een schrijver van fantasieverhalen?”