Het Groot Dictee

Zaterdag 2 november is het weer zover. Dan zal bij de ware taalliefhebber de avond niet in de echtelijke sponde worden doorgebracht met coïtale of anderszins seksuele escapades, maar zal de chaise longue in het volledig Feng Shui ingerichte woongebeuren het epicentrum zijn van cunnilinguïstische fijnproeverijen. Gewapend met schrijfaccessoires, al dan niet van elektronische aard, zal menig auteur in spe zich opmaken voor dit taalkundig pièce de résistance. Onder het genot van een cafeïnevrije cappuccino met een froufrou of alcoholvrij gerstenat met glutenvrije kaasovaaltjes zal men met samengeknepen derrière de kennis van etymologie, syntaxis en interpunctie kunnen toetsen, terwijl genderneutrale taalcuriositeiten in een mitrailleurtempo de revue passeren.
Zittend voor de breedbeeldflatscreentelevisie kan het hoofd weer worden gebroken over feeërieke Przewalskipaarden, gestreste penseelstaartbuidelmuizen en gekalligrafeerde blankebabybilletjesprivileges. Dus geen trendy social media anglicismen, maar literaire spitsvondigheden die zich niet in jip-en-janneketaal laten vertalen voor de plaatselijke bibliothecaresse.

Ik doe niet mee, ik heb niets met taal.

Theekransje

Sinds ik mezelf schrijver durf te noemen verbaas ik mij geregeld over de ongelijke verdeling van de seksen in Nederland Schrijversland; vrouwen zijn veruit in de meerderheid. Mijn gevoel zegt dat dat een scheef beeld van de werkelijkheid is, al heb ik nog geen bewijs van het tegendeel kunnen vinden. Zijn vrouwelijke concullega’s op een breder vlak bezig met ‘het schrijver zijn’ of zijn mannelijke schrijvers introverter? Ik vermoed het laatste, al zijn de tekenen van de eerste stelling overduidelijk.
Vrouwelijke schrijvers houden zich in kuddes op en de mannelijke soort is een solitair schrijfdier. Op foto’s van workshops of schrijfretraites schitteren mannen door afwezigheid, waardoor ik mij niet aan een theekransjesgevoel kan onttrekken. Want het is vooral errug gezellig, zo’n schrijfclubje. We publiceren een boek of twee, beginnen een uitgeverijtje en geven een workshopje, waarbij we elkaar feliciteren met het auteursschap.
Nu is de gunfactor bij mij in ruime mate aanwezig, maar ik heb mijn twijfels of de lezer hier van profiteert; de energie die in deze festiviteiten wordt gestoken kan in veel gevallen beter worden gebruikt om de kwaliteit van het geschrevene te verbeteren. Want dat is de kern van schrijven. Toch?

Slecht schrijfwerk inspireert

Als je schrijver wilt worden doe je er goed aan veel te lezen. Tot zover klopt de stelling. Er wordt echter niet bij gezegd dat je werk van goede schrijvers moet lezen. Ik leer namelijk meer van slechte schrijvers: waarom is dit zo slecht om te lezen, wat klopt niet aan dit verhaal, welke fouten worden hier gemaakt die ik niet wil maken?
Ik heb afgelopen week fragmenten van twee onlangs gepubliceerde werken onder ogen gekregen waarbij ik me afvroeg of er überhaupt een proeflezer of redacteur aan te pas was gekomen. Nu heb ik weinig recht van spreken om een oordeel mogen te vellen, maar je hoeft geen literatuurprijswinnaar te zijn om een ‘verhaal’ te herkennen dat in strijd is met een half dozijn schrijfregels.
Het lezen van slecht werk motiveert ook. Als ik twijfel over mijn kunnen, hoef ik maar iets te lezen uit prematuur gepubliceerd werk van een concullega en mijn zelfvertrouwen krijgt weer een stimulans: ik kan en wil beter schrijven dat dit. Een schrijver die zichzelf serieus neemt is verplicht het beste uit zichzelf (en uit zijn verhaal) te halen. Al was het maar uit respect voor de lezer. Deze stelt zijn/haar vertrouwen in jou, steekt tijd in het lezen van je verhalen en mag dus niet worden afgescheept met middelmatigheid, omdat jij denkt dat je de eindstreep al hebt gehaald. Op een goede dag zal deze lezer geld neertellen voor iets wat jij geschreven hebt en dan dienen ze voor hun loyaliteit beloond te worden met kwaliteit.
En daarom duurt het bij mij zo lang voordat mijn debuut het daglicht zal zien. Ik ben niet bezig met een sprint, maar met een marathon.

Verstoppertje spelen

Een column.

Ik ben blij met het boerkaverbod. Begrijp me niet verkeerd, ik respecteer zelfs een geloof waarbij vrouwen zich vrijwillig (…) laten onderdrukken, maar de boerka past niet in een vrij en open Nederland.
Verstoppertje spelen is een leuk, onschuldig kinderspel, maar als volwassenen het gaan doen krijg ik jeuk op plaatsen waarvan ik niet wist dat ik ze had. Ik kijk mijn gesprekspartner graag in de ogen en stel mij daarbij kwetsbaar op. Ik stel het dus op prijs als de ander dat beloont met dezelfde openheid. Communiceren is een vertrouwenskwestie. Als iemand zich wenst te verstoppen achter een zonnenbril of erger, zie ik dat als een vorm van wantrouwen en ga ik onvoorspelbaar gedrag vertonen; iemand die ervoor kiest zich voor mij te verstoppen in een allesverhullend gewaad kan ik niet serieus nemen.

Op Facebook bestaat dit ‘boerkagedrag’ al geruime tijd, met name in schrijfkringen. Daar heet dit verschijnsel ‘pseudoniem’. Niets nieuws onder de zon, want ver voor het bestaan van Facebook maakten schrijvers al gebruik van schuilnamen, omdat het – mits met mate toegepast – een functie kan hebben. Een leerkracht op een Christelijke school die in zijn vrije tijd erotische- of gruwelijke moordverhalen schrijft doet dit om begrijpelijke redenen onder een pseudoniem. Ook kan een pseudoniem dienen als uithangbord voor een concept; zoals ‘Suzanne Vermeer’ een produktnaam is voor een schrijverscollectief.
Maar als schrijvers zich te pas en te onpas gaan verstoppen achter een gezichtsloos nepprofiel en zich (zelf in de ‘echte’ wereld) voordoen als een persoon van vlees en bloed, gaat er bij mij iets mis. Als ik niet zeker kan zijn van iemands oprechtheid krijg ik een ‘George Orwell/Big Brothergevoel’ en gaan alarmbellen bij me af.
Om te voorkomen dat ik over een paar jaar tot de ontdekking kom dat de ‘persoon’ die ik in vertrouwen nam niet de persoon blijkt te zijn die ik dacht, schiet ik in de zelfbeschermingsmodus en smoor elke twijfelachtige Facebookvriendschap in de kiem.

Speel naar hartenlust verstoppertje, maar verwacht niet van mij dat ik het spelletje meespeel.

Koppen snellen

Omdat ik om medische redenen geen televisie mag kijken of radio luisteren – ik krijg hevige allergische aanvallen van bagger-tv en stompzinnige commercials –, besluit ik mezelf bij het tijdschriftenvak van de supermarkt op de hoogte te brengen van het heetste nieuws.
Naar Yvon Jaspers hoeft ik niet lang te zoeken; met haar nimmer aflatende boerenzoektocht prijkt ze op de voorkant van vrijwel elk programmablad.
Ook de verdere verengelsing van onze taal kom ik niet onderuit: volgens Wonen moeten we stylen, volgens Saar ‘spenden’ en Glamour heeft het over beautygoeroes, sugar daddy’s en mentale issues. Genoeg voor een taalpurist om jeuk van te krijgen. Nu hoor ik u al zeggen: “Ach, voor je het weet doe jij net zo hard mee.” Ja, ja, make that the cat wise.
Vanwege een artikel over Anniko van Santen, wat mij betreft ’s lands enige no-nonsense televisievrouw, laat ik me verleiden Linda door te bladeren, maar zodra ik lees dat Saskia Noort een vent wil voor gretige seks, krijg ik spontaan een Freek de Jonge moment: “Wat moét ik met die informatie?”.
Kortom: Patricia Paay en Gordon lijken niet uit te roeien, Boer zoekt Vrouw is toch populairder dan De Wereld Draait Door en seks verkoopt. Nog steeds.
Ik ben weer helemaal bij.

Taalnazi

Het taalgebruik van de gemiddelde Nederlander gaat zienderogen achteruit. De enige taalhulp die de jeugd buiten school lijkt te hebben is Google Translate en autocorrectie op tablet of smartphone. Opvoeders bieden hierin ook al weinig soelaas, zij hebben het op school geleerde allang overboord gegooid en laten zich leiden door verkeerde bronnen. Elke semi-analfabeet kan tegenwoordig een blog of socialmediakanaal beginnen en dit volgooien met de meest onvergeeflijke taalfouten. Taalfouten die veel onverschillige lezers voor waar aannemen en klakkeloos kopiëren. Argumenten als ‘iedereen doet het’ of ‘je weet toch wel wat ik bedoel?’ lijken een vrijbrief om er taalkundig op los te kunnen hakken.

taalnazi-batman-robin

Dit verschijnsel levert steeds vaker tenenkrommende fouten op. Een nachtmerrie voor elke taalpurist, ondergetekende inbegrepen. Als een politieagent met zijn bonnenboekje in de aanslag jeuken mijn handen om de dader op de digitale vingers te tikken, maar dat is onbegonnen werk. De verleiding is groot om op elke taalslak zout te leggen, maar ik hou me in. Ik val niet over elke uitglijder waar iedereen – ook ik – zich wel eens schuldig aan maakt, maar kan me wel mateloos ergeren aan fouten die voortvloeien uit onverschilligheid.
Mensen zoals ik noemt men tegenwoordig een taalnazi, een bijnaam waar ik aanvankelijk wat moeite mee had. Want wie wil er nu vergeleken worden met een handlanger van een van de grootste massamoordenaars uit de geschiedenis, alleen omdat je je kritisch bent op correct taalgebruik? Dat is hetzelfde als een vrouw die vrienden verzamelt op Facebook een facebookhoer noemen, of Sinterklaas beschuldigen van pedofilie omdat hij van kinderen houdt.
taalnazi-wakker-liggen

Het is een scheldnaam, bedacht door mensen die niet taalvaardig genoeg zijn om een vriendelijker alternatief te bedenken. Net als de pestkop op school die jou allerlei niet bestaande tekortkomingen toeschrijft om de aandacht van zijn eigen onzekerheid af te leiden.
Omdat ik als taalpurist ongetwijfeld vaker tegen deze kreet aan zal lopen ben ik het, in mijn onverwoestbare optimisme, gaan zien als een geuzennaam: ‘een erenaam die men zichzelf geeft, terwijl deze oorspronkelijk door anderen als scheld- of spotnaam werd gebruikt.’ (bron: Wikipedia).
‘Taalnazi’ is een scheldnaam die ik met trots zal dragen. Omdat ik trots ben op mijn taalvaardigheid en de taak die ik mezelf heb opgelegd als taalhoeder. Ik moet van mezelf namelijk streng zijn en waken voor fouten, wil ik als schrijver serieus genomen worden. Als ik een boek wil uitgeven moet het niet redelijk zijn of adequaat, maar goed, zo goed als ik het schrijven kan.
Dan ben ik maar een taalnazi.
taalnazi-brilsmurf