Koppen snellen

Omdat ik om medische redenen geen televisie mag kijken of radio luisteren – ik krijg hevige allergische aanvallen van bagger-tv en stompzinnige commercials –, besluit ik mezelf bij het tijdschriftenvak van de supermarkt op de hoogte te brengen van het heetste nieuws.
Naar Yvon Jaspers hoeft ik niet lang te zoeken; met haar nimmer aflatende boerenzoektocht prijkt ze op de voorkant van vrijwel elk programmablad.
Ook de verdere verengelsing van onze taal kom ik niet onderuit: volgens Wonen moeten we stylen, volgens Saar ‘spenden’ en Glamour heeft het over beautygoeroes, sugar daddy’s en mentale issues. Genoeg voor een taalpurist om jeuk van te krijgen. Nu hoor ik u al zeggen: “Ach, voor je het weet doe jij net zo hard mee.” Ja, ja, make that the cat wise.
Vanwege een artikel over Anniko van Santen, wat mij betreft ’s lands enige no-nonsense televisievrouw, laat ik me verleiden Linda door te bladeren, maar zodra ik lees dat Saskia Noort een vent wil voor gretige seks, krijg ik spontaan een Freek de Jonge moment: “Wat moét ik met die informatie?”.
Kortom: Patricia Paay en Gordon lijken niet uit te roeien, Boer zoekt Vrouw is toch populairder dan De Wereld Draait Door en seks verkoopt. Nog steeds.
Ik ben weer helemaal bij.

Advertenties

Taalnazi

Het taalgebruik van de gemiddelde Nederlander gaat zienderogen achteruit. De enige taalhulp die de jeugd buiten school lijkt te hebben is Google Translate en autocorrectie op tablet of smartphone. Opvoeders bieden hierin ook al weinig soelaas, zij hebben het op school geleerde allang overboord gegooid en laten zich leiden door verkeerde bronnen. Elke semi-analfabeet kan tegenwoordig een blog of socialmediakanaal beginnen en dit volgooien met de meest onvergeeflijke taalfouten. Taalfouten die veel onverschillige lezers voor waar aannemen en klakkeloos kopiëren. Argumenten als ‘iedereen doet het’ of ‘je weet toch wel wat ik bedoel?’ lijken een vrijbrief om er taalkundig op los te kunnen hakken.

taalnazi-batman-robin

Dit verschijnsel levert steeds vaker tenenkrommende fouten op. Een nachtmerrie voor elke taalpurist, ondergetekende inbegrepen. Als een politieagent met zijn bonnenboekje in de aanslag jeuken mijn handen om de dader op de digitale vingers te tikken, maar dat is onbegonnen werk. De verleiding is groot om op elke taalslak zout te leggen, maar ik hou me in. Ik val niet over elke uitglijder waar iedereen – ook ik – zich wel eens schuldig aan maakt, maar kan me wel mateloos ergeren aan fouten die voortvloeien uit onverschilligheid.
Mensen zoals ik noemt men tegenwoordig een taalnazi, een bijnaam waar ik aanvankelijk wat moeite mee had. Want wie wil er nu vergeleken worden met een handlanger van een van de grootste massamoordenaars uit de geschiedenis, alleen omdat je je kritisch bent op correct taalgebruik? Dat is hetzelfde als een vrouw die vrienden verzamelt op Facebook een facebookhoer noemen, of Sinterklaas beschuldigen van pedofilie omdat hij van kinderen houdt.
taalnazi-wakker-liggen

Het is een scheldnaam, bedacht door mensen die niet taalvaardig genoeg zijn om een vriendelijker alternatief te bedenken. Net als de pestkop op school die jou allerlei niet bestaande tekortkomingen toeschrijft om de aandacht van zijn eigen onzekerheid af te leiden.
Omdat ik als taalpurist ongetwijfeld vaker tegen deze kreet aan zal lopen ben ik het, in mijn onverwoestbare optimisme, gaan zien als een geuzennaam: ‘een erenaam die men zichzelf geeft, terwijl deze oorspronkelijk door anderen als scheld- of spotnaam werd gebruikt.’ (bron: Wikipedia).
‘Taalnazi’ is een scheldnaam die ik met trots zal dragen. Omdat ik trots ben op mijn taalvaardigheid en de taak die ik mezelf heb opgelegd als taalhoeder. Ik moet van mezelf namelijk streng zijn en waken voor fouten, wil ik als schrijver serieus genomen worden. Als ik een boek wil uitgeven moet het niet redelijk zijn of adequaat, maar goed, zo goed als ik het schrijven kan.
Dan ben ik maar een taalnazi.
taalnazi-brilsmurf

Momentopname

Het is hoogzomer, al doet het weer regelmatig anders vermoeden. Het is de zondag na zwarte zaterdag en half Nederland is onderweg naar de camping in Zuid-Frankrijk. Bij mij in de straat is het nog nooit zo stil geweest. Ook de naaste buren zijn weg, inclusief kinderen en hond. Mijn ex – we wonen nog onder één dak – is met de kinderen een week naar een camping in eigen land.
Ik kan me niet herinneren wanneer ik voor het laatst zo van de stilte heb genoten, zelfs niet in de tijd voor mijn mislukte huwelijk, toen ik nog vrijgezel was.
Het is begin augustus en eindelijk brandt de zomerzon zoals ie zou moeten branden, maar ik zit in de schaduwrijke luwte van mijn huis bij een uiterst aangename temperatuur van vierentwintig graden. Ik ben dol op muziek, maar besluit dat de radio dit moment van rust niet mag verstoren. Onder het genot van een goedkope wijn van de buurtsuper en wat tortilla chips kijk ik af en toe op van mijn favoriete roman om te genieten van de geurige, met bijen bevolkte lavendelstruiken. Even terug van de besneeuwde vlakte van Isla Desolación, in mijn zonnige, Noord-Hollandse tuin.

IJsgrens

Over een paar maanden zal deze royale tuin en dit huis voor mij verleden tijd zijn en zal ik mijn huiselijke geluk op heel wat minder vierkante meters moeten zien te vinden. Ik plunder wat rijpe bramen uit mijn tuin nu het nog kan; die verdwijnen zo meteen in de yoghurt.
Het is namiddag, maar ik heb geen idee van de exacte tijd. Dat maakt niet uit, want voor het eerst in jaren hoef ik met niemand anders rekening te houden dan mezelf. Als ik pas om half acht met mijn bord op de bank zit, is dat ook prima.

Voordat ik terug ga naar het eiland voor de zuidkust van Chili, op zoek naar Palmer Lloyd’s meteoriet, besef ik de mogelijkheden van mijn nieuwe leven: al zal het even wennen zijn om mijn kinderen niet dagelijks te zien, toch zullen de solitaire avonden op mijn balkonnetje(?) ergens goed voor zijn: ik zal geen excuus meer hebben om mijn boek niet eindelijk te voltooien.

Nooit klaar

Het lijkt steeds vaker voor te komen: op een rit van A naar B volg ik gedwee de aanwijzingen van Vlaamse Lucy op en neem nietsvermoedend de bocht. Stop. Een wegafzetting wegens werkzaamheden. Hier ook al. Ik was me er niet van bewust dat het plaveisel hier alweer versleten was of het straatmeubilair aan vervanging toe. Maar misschien moest de verantwoordelijke gemeenteambtenaar zijn toegewezen budget opmaken omdat hij anders volgend jaar minder budget toegewezen zou krijgen.

Doeners

Ik denk eerder dat het de menselijke drang tot bouwen is. Mensen zijn Doeners. Net als de bouwvakkertjes uit de jaren tachtig poppenserie ‘De Freggels’ moeten we altijd ergens mee bezig zijn, om het bezig zijn. ‘Ledigheid is des duivels oorkussen’ zeiden onze grootouders, bang dat we uit verveling kattenkwaad zouden gaan uithalen. Het wordt ons met de paplepel ingegoten door Bob de Bouwer en Klus de kabouter en fabrikanten van powertools spelen hier handig op in door speelgoedversies van hun producten op de markt te brengen. Klantenwerving onder het kluskroost, met als motto ‘jong geleerd is oud gedaan’. Alles voor het Hornbach-gevoel (wat dat ook mag zijn). De Nederlandse televisie heeft een continu aanbod van huis-, tuin- en keukenverbouwprogramma’s en volgens de reclamefolders op de mat lijden bouwmarkten chronisch aan ‘spectaculaire klusweken’.

Zelfs als het niets te maken had met inkomen of sociale wetten zouden we werkelozen waarschijnlijk eerder zien als luilakken dan bofkonten. Daarom is het des te vreemder dat spreuken over een leven zonder werk populairder zijn dan kreten als ‘arbeid adelt’. Zo wacht ik stiekem nog steeds op de dag dat mijn werkgever zal zeggen: “Het werk is op, we zijn klaar. Ga lekker naar huis, je bent vrij.”
Kan ik eindelijk al die achterstallige klusjes afmaken.

#waardientdathekjenueigenlijkvoor

Toen de uitvinders van de PTT – het woord ‘telecomprovider’ was nog niet nodig want er bestond er maar één – het nieuwe druktoetstelefoontoestel ontwierpen, zaten ze met een uitdaging van esthetische aard: met tien cijfertoetsen kregen ze het druktoetsenklavier van het toestel niet Feng Shui.
“Dan voegen we toch gewoon twee toetsen toe?” bedachten de zieners van het staatsbedrijf toen. “Die noemen we sterretje en hekje en tegen de tijd dat het internet en de smartphone zijn uitgevonden hebben we er wel een toepassing voor bedacht.”

Hashtag on old phone

Onderweg naar vandaag deden genoemde toetsen nog een blauwe maandag dienst achter een enkele bedrijfstelefooncentrale, maar in het sociale mediatijdperk is met name het hekje pas echt uit de digitale kast gekomen. En hoe.

Ik krijg al virtuele kriebels als ik één hekje in een Facebookbericht zie en bij drie of meer haak ik meteen af. Het is gemakzuchtig en dus niet sociaal om je cybervrienden af te schepen met een soort wetenschappelijke formule. Ergo: dit hoort niet op een sociaal medium thuis. Ik praat niet graag in symbolen of afkortingen, reden waarom twee pogingen tot Twitter bij mij op niets zijn uitgelopen.
De toegevoegde waarde op Facebook die voorstanders van de hesjtek zullen aandragen is twijfelachtig; vaak bieden gehekte woorden toegang tot een soort subcategorie met hooguit twee of drie berichten, van dezelfde aanstichter. Het hekje is dus niet anders dan een digitaal spraakgebrek.

Hashtag cartoon

Watjes

Omdat ik uit een warm nest kom en een stabiele, onbezorgde jeugd heb gehad heb ik een stevig fundament. Het gebouw dat Ikke heet staat al zo lang overeind dat de elementen er weinig vat meer op hebben. In tegenstelling tot veel gebouwen van latere datum, die bij het kleinste briesje al schudden op hun grondvesten.
Arie Boomsma zou mij niet over de streep kunnen trekken met een aangepraat trauma: “Hoeveel van jullie hebben hun gum wel eens op de grond laten vallen?” Natuurlijk, ook ik ben gepest op school en ik herinner het me als de dag van gisteren, maar ik heb het afgesloten. Net als andere negatieve momenten in mijn leven heb ik het achter me gelaten. Anders zat ik nu als publiek vermaak te janken bij Patty Brard, John Williams of een van de andere commerciële sentimentgoeroes omdat ik niet klussen kan, mijn financiën vreselijk uit de klauw heb laten lopen of de buren tegen me in het harnas heb gejaagd.

Wattenbolletjes
We zijn watjes aan het worden. Ons land dreigt ten prooi te vallen aan het LOI-syndroom: we denken dat we steeds slimmer worden.
Elk schaafwondje en elke bult moet psychologisch worden geanalyseerd om ‘het een plekje te kunnen geven’. Als gevolg van deze vestzakpsychologie begint de mensheid te lijden aan een soort collectief gebrek aan zelfvertrouwen. Het bewijs hiervan zijn de talentenshows die als paddenstoelen uit de grond schieten. Drie rijen dik staan onze kinderen te popelen om voor een ‘deskundige’ jury de wereld en zichzelf te bewijzen dat ze ’best wel iets kunnen’. De winnaars hebben hun 15 minuten roem (aldus Andy Warhol), maar verdwijnen al gauw achter de verliezers aan in de vergetelheid. En een enkeling zien we bij Wendy van Dijk terug in een poging van zijn/haar obesitas af te komen.

Pleister op knie

Misschien kunnen we in onze hang naar alles wat ‘retro’ is ook hier leren van het verleden:
even slikken, pleister op de wonde en verder met je leven…