Nooit te oud

“U vindt het niet erg om alleen te zijn hè, meneer ter Wolde?” zegt Wilma, terwijl ze zijn stofzuiger in de kast zet.
“Waarom vraag je dat?” Hendrik kijkt op van zijn spelletje Patience.
“Ik zie u zelden in de huiskamer.”
“Ik ben het grootste deel van mijn leven alleen geweest. Ik ben het gewend.” Hij heft zijn kromme wijsvinger. “Maar ik heb heus wel liefde gehad in mijn leven, hoor. Dat wilde je toch horen?”
“U heeft me door.”
“Ik ken de vrouwen wel een beetje. Ik ben immers getrouwd geweest. En ik hield van haar, al was ze niet de ware. Toch was dat huwelijk nodig.”
“Nodig?” geroutineerd stoft Wilma de beeldjes van het kerststalletje af.
“Anders had ik mijn kinderen niet gehad. Want kinderen geven onvoorwaardelijke liefde.”
“Maar u bent zo’n lieve man, u verdient een liefhebbende vrouw.”
“Alles moet een mens leren. Zelfs liefhebben. Niemand is ergens ineens heel goed in. Ik was nooit goed in liefhebben. En als je ergens niet goed in bent, moet je niet blijven aanmodderen.”
“Wat een onzin. Ieder mens heeft het vermogen om lief te hebben. U gelooft dus ook niet in de ware liefde? De zielsverwant, waarvan je zoveel houdt dat alle tekortkomingen er niet meer toe doen?”
“Ik ben er van overtuigd dat het bestaat, maar heb al lang geleden de conclusie getrokken dat het niet voor iedereen is weggelegd.”
“Is er nooit een bijzonder iemand geweest?”
Hendrik veinst een diep nadenken. “Er was wel iemand die heel dichtbij kwam. Ik ontmoette haar tijdens een groepsvakantie, in Griekenland.”
Ze gaat bij hem aan tafel zitten, stofdoek in de hand. “Wat gebeurde er?”
“Eigenlijk niets bijzonders.” Gelaten haalt hij zijn schouders op. “We waren jong. Onze wegen scheidden zich.”
“Heeft u zich nooit afgevraagd hoe het haar is vergaan?”
“Af en toe duikt ze even op.” Hij legt zijn hand op zijn hart. “Still carrying a torch for her.”
“Pardon?”
“In de Engelse taal kunnen ze sommige dingen zo mooi zeggen.”

Voor het eerst in maanden staat het raam in Hendriks kamer weer open. Geluiden uit de tuin kondigen de lente aan, als Wilma de vaasjes op de schoorsteenmantel afstoft. “We hebben een paar nieuwe bewoners, meneer ter Wolde. Komt u straks naar de huiskamer om kennis te maken?”
“Ach, ik zie ze bij het avondeten wel.”
“Ik dacht wel dat u zoiets zou zeggen, maar ik mag het toch blijven proberen?”
“Ja, hoor. Jij wel.”
Als Hendrik die avond de eetkamer binnenschuifelt, valt het oranjeroze licht van de ondergaande zon over het dak van de zuidvleugel naar binnen. Aan een van de tafels zit een oude vrouw die hij niet zou mogen herkennen. Maar één blik in haar blauwgrijze ogen doet hem zijn rug rechten en zijn longen vullen. Het is alsof zijn hart plotseling wil overstromen van jarenlang ingetoomde liefde. Hij is weer zesentwintig, op Levkas, en zit met haar in een restaurantje in Nidri. De rest van het tafelgezelschap vervaagt in een kakofonie van vakantieplezier als hij dit moment van gelukzaligheid in zijn hart sluit. Hij is met het meisje waar hij van houdt.
Vastberaden loopt Hendrik op de vrouw af en Dinie, een van de dames van het personeel, komt bij hen staan. “Dit is mevrouw …”
“… Veerman,” vult hij haar aan. “Mia Veerman.”
Hij pakt haar hand, wil haar niet meer loslaten. Nooit meer.
“Dag, Hendrik.” Haar stem trilt zacht, maar klinkt vertrouwd, geruststellend.
“Ik …,” hoort Hendrik zichzelf stamelen. “Je lijkt niet erg verbaasd.”
Ze legt haar andere hand op de zijne. “Ze hadden me al verteld dat je hier woont.”
“Maar, dat jij en ik elkaar nog mogen ontmoeten …”
“Dat moet zo zijn, Hendrik.” In haar ogen ziet hij een nimmer vervaagde levenslust, een toekomst en geborgenheid.
Dan valt zijn oog op de reproduktie die al jaren in de eetkamer hangt: het Vrijheidsbeeld. De fakkel. “Ja, dat denk ik ook, Mia.”

Advertenties

Slecht

Winfield Creek ligt er loom bij in de namiddagzon. Tuimelkruid rolt door de hoofdstraat, het stadje is op sterven na dood. Het kraken van Zebediah Jones’ schommelstoel verstoort de regelmaat van de piepende waterpomp. Hij spuugt een fluim pruimtabaksap over het hek van zijn veranda.
Hoeven klossen dof door de hoofdstraat, meer stof waait op.
In de saloon is de opwinding ver te zoeken. One Eyed Pete probeert tevergeefs iets melodieus uit de ontstemde piano te halen. Barman Dan poetst whiskyglazen.
Laarshakken klinken hol op de houten veranda, sporen rinkelen mee op het ritme. De piano zwijgt. Mac Moody, Billy Two Guns en Mad Jack Trullo laten hun speelkaarten zakken. Alle ogen zijn op de entree gericht.
De klapdeuren zwaaien onder protest open, een forse gestalte blokkeert het schamele zonlicht. De vreemdeling stapt verder, gevolgd door een kleine zandstorm.
Barman Dan poetst glazen. “Wat zal het zijn, vreemdeling? We hebben whisky… en whisky.”
Met een bonk belandt de Colt Peacekeeper op de bar; de man in het zwart laat zijn hand op de revolver rusten. “Whisky. Een dubbele.” Zijn gezicht staat op onweer. Hij neemt het hem toegeschoven glas tussen duim en wijsvinger, keilt het goedje in een keer in zijn keelgat en poot het glas terug op de bar. De stilte die volgt is te snijden.
“Kut!”
“Check the gate.” De regie-assistente springt op van haar klapstoeltje, het script dubbelgevouwen in haar hand.
“Niks gate-check,” zegt de regisseur. “Wie riep er ‘cut’?”
“Ik riep ‘kut’,” zegt de man in het zwart. “Wat is dit voor een waardeloos script? Het staat bol van de clichés. Wie schrijft zulke pulp? Daar kan ik toch niet mee werken?”
Na drie pogingen slaagt de acteur erin de dummy in de holster te steken en beent de set af. “Ik ga een latte macchiato drinken in mijn trailer. En laat iemand alsjeblieft die stomme klapdeurtjes smeren.”

Was sich liebt…

Hij staat in de badkamer en krabt aan zijn onderrug. Jeuk is geen onaangenaam gevoel en de verlossende actie van zijn nagels is zo mogelijk nog prettiger.
“Sta je al weer te krabben?” hoort hij haar in gedachten zeggen. “Ga er toch mee naar de dokter.”
“Mens, praat me toch geen ziekte aan,” antwoordt hij steevast.

Dit keer blijft het stil in de badkamer.
Hij mist haar.

*seks niet gewenst

Ik heb een zware werkweek achter de rug. Ik doe mijn t-shirt en sokken uit en ga op bed liggen. Terwijl mijn ogen twijfelen of ze open willen blijven kom jij de slaapkamer binnen. Zonder iets te zeggen kruip je lepeltje-lepeltje tegen me aan en legt je arm over me heen. Onze handen vinden elkaar, vingers strengelen ineen. Ik ruik je, je adem speelt langs mijn oor. Ik hoef je niet te zien, ik voel je.

Levensbehoefte

André stormt binnen, klapt zijn laptop open op tafel en hangt zijn jas over de stoel. Hij ploft neer en trommelt met zijn vingers op het tafelblad. “Kom op…”
“Wat is er met hem?” zegt Frits. “Hij lijkt wel verslaafd of zo.”
Onno denkt na. “Ja, zo zou je het wel kunnen noemen.”
“Is ie gameverslaafd, sociale media, of gewoon computerverslaafd?”
“Eerder Word-verslaafd.”
“Hoe bedoel je?”
“Hij is schrijver. Als hij niet op tijd iets van zich af kan schrijven krijgt hij last van literaire obstipatie.”
“Nou, en? Wat dan nog?”
“Dan ontploft zijn cerebellum creativum.”
“Gatver.”

Het einde van de weg

Ik zit op de achterste rij in de aula. Familieleden en vrienden, verstopt achter hun verdriet, lopen langs zonder mij op te merken. Uit de luidsprekers klinkt ‘Take the long way home’ van Supertramp. Betekent het nummer iets voor me, of herken ik het slechts van de radio? Op de kist staat de obligate portretfoto. Ik herken hem, maar zijn naam wil niet op het puntje van mijn tong landen.
De aula is niet eens halfvol, maar de verslagenheid is groot. Het gemis is tastbaar. Wie op zoveel liefde kan bogen, moet een gelukkig mens zijn en heeft geen onafgemaakte zaken.
Ik ken alle aanwezigen, al ben ik sommige namen vergeten. Ik zie oom Stefan en ik zie de tweeling, Sonja en… Sylvia. Hun onwetendheid is hun zegen.
Ik voel me een buitenstaander omdat ik niet het verdriet kan voelen dat de anderen voelen. Toch moet ik de piëteit opbrengen om deze afscheidsdienst uit te zitten.

Ik schuifel achter de anderen aan over het grindpad. Een schamele herfstzon kleurt het bladerdek in schakeringen van geel, rood en bruin; het is een perfecte dag voor een afscheid. Als er al zoiets bestaat.
Bij het graf prevelt de geestelijke een gebed en na een stilte, slechts doorbroken door vogels die geen besef hebben van verdriet, schuifelen de aanwezigen langs de kist voor een persoonlijk afscheid. Als laatste nemen drie tieners in tranen afscheid van de kist en heel even steekt een intense pijn door mijn hart.
Dan wordt er aan me getrokken. Mijn geheugen klaart op en alles valt op zijn plaats. De kist die langzaam in de grond verdwijnt is mijn afscheid van het aardse bestaan, mijn vertreksignaal. Het is goed zo.

Het interview

Ik hoef mijn opdrachtgever niet te smeken om dit interview te mogen doen. Gerard Tetteroo, de man die Tetteroo Vastgoed groot heeft gemaakt en zich na zijn ongeval als succesvol schrijver heeft ontpopt, wil voor mij een uitzondering maken.
Dit interview wordt mijn Mount Everest, mijn Broadway-debuut. Mijn eidetisch geheugen geeft me een voorsprong op andere journalisten: zonder blocnote of memorecorder neemt men je eerder in vertrouwen. En dat brengt me op plaatsen waar mijn concullega’s niet komen.

Als ik via de als bosweg vermomde oprijlaan op de achterkant van het landhuis aanrijd, heb ik niet de indruk dat ik me op de Utrechtse Heuvelrug bevind: alles is even vlak als bij mij in de straat. Ik laat mezelf binnen via de zij-ingang en tref Gerard Tetteroo in de enorme, landelijk ingerichte keuken. Hij is een fit ogende, goed geklede bijna-vijftiger, niets aan zijn uiterlijk verraadt de noodzaak zich in een rolstoel te verplaatsen.
“Aha, Thomas Naber, de integere journalist. Als er al zoiets bestaat.”
“Gerard Tetteroo, grootindustrieel en succesvol schrijver,” kaats ik terug.
“Houd het maar op schrijver, dat andere was in mijn vorige leven.” Hij rolt behendig om het kookeiland heen en reikt me zijn pezige hand. “Kon je het makkelijk vinden?”.
Een weinig inspirerende openingszin van een man met zijn reputatie, maar ik schud zijn hand en speel het beleefdheidsspelletje mee. “Niet echt. Met name de laatste kilometers was mijn navigatiesysteem het spoor bijster.”
“Mooi zo.” Hij glimlacht tevreden. “Kom verder.” Hij rijdt voor me uit door een gang waar dertien-in-een-dozijn ‘Aangeboden door het personeel’–plaquettes hangen. Het is alsof hij ogen in zijn rug heeft: “Relikwieën uit het verleden. Ik moest die troep ergens laten.”
Even later sta ik midden in de woonkamer. Sinatra klinkt zacht uit de luidsprekers. Vóór mij strekt een groen dal zich kilometers in de verte uit.
“Een mens zou kunnen wennen aan zo’n uitzicht,” zeg ik met gespeelde nuchterheid.
“Een mens kan blasé doen over veel dingen, maar niet over zo’n uitzicht. Het is nederigmakend.”
“Nederigmakend. Dat was het woord waar ik naar zocht.”
“Je weet dat ik niet van journalisten houd, maar jouw werk is anders. Daarom ben je hier. Toch had je hier niet gestaan als ik niet eerst je antecedenten had nagetrokken.” Hij wijst naar de bar. “Doe mij een flinke Glenfiddich met ijs, en neem zelf ook wat lekkers. Ik drink niet graag alleen.”
Ik schenk zijn glas halfvol, graai in de ijsemmer en verwen mezelf ook met de warmende gloed van de 26 jaar oude whisky.
Als ik hem zijn glas aanreik steekt hij van wal. “Toen ik nog directeur was van Tetteroo Vastgoed, genoot ik aanzien van mijn werknemers en zakenrelaties. Maar dat was een bijwerking. Ze bogen als knipmessen omdat ik macht had.”
“Klinkt logisch.” Ik laat me in het leer zakken, nip van het fruitige bouquet en neem het uitzicht in mij op; dit moet een van de mooiste woonlocaties in Nederland zijn.
“We krijgen niet door het leven toebedeeld wat we niet aan kunnen.”
“Hoe bedoel je?”
“Ik zag je wel kijken naar mijn rolstoel.”
“Dat is een normale reactie, toch? Als je peentjeshaar had gehad, had het me ook moeite gekost dat te negeren.”
Hij neemt een slok van zijn whisky alsof het appelsap is en staart met me mee naar buiten. “Dit is mijn nieuwe leven. In mijn vorige leven deed ik waar andere mensen alleen maar van dromen: catamaranzeilen rond Liberty Island, deltavliegen langs de Victoria watervallen, bungeejumpen van de Millau-brug.”
“Mag je daar vanaf springen, dan?” vraag ik me hardop af.
“Als je genoeg geld meebrengt, mag je alles. Het is overigens wel een hele mooie plek om je leven te beëindigen.”
“Maar jij hebt het overleefd.”
“Ja en nee. Mijn oude leven hield daar op.”
When I was thirty-five, it was a very good year…‘ doorbreekt Frank de stilte.
“Ik zie het niet als een straf, maar als een teken van boven. Het Universum vond blijkbaar dat ik aan een nieuwe uitdaging toe was.”
“Het universum?”
“Noem het hoe je wilt. God, Allah, De Grote Baas. Iemand besloot dat dit moest gebeuren.”
“Ik wist niet dat je een religieuze inslag had.”
“Het begint te komen.” Hij staart in zijn glas. “Gandhi had gelijk, weet je dat?”
“Gandhi?”
“Je kan iemand ketenen, martelen, kreupelen, zijn lichaam afnemen, maar zijn geest kan je niet opsluiten.”
“Ik geloof dat ik je even niet kan volgen.”
“Als industriemagnaat heb ik veel van de wereld gezien, maar vanuit mijn rolstoel zie ik veel meer. De verbeeldingskracht van een schrijver is namelijk grenzenloos. Als ik dat wil, bezoek ik andere tijden, andere werelden. Andere dimensies.” Hij kijkt me aan en even zie ik de dromer in hem. “Weet je, Thomas. Ze zeggen wel eens ‘the sky is the limit’, maar wie dat zegt, is geen schrijver.”
Dan schiet hij weer in zijn rol. “Bovendien is de beloning voor een schrijver hoger. Ik heb respect van mijn lezers. Ik inspireer ze, meer dan ik mijn personeel ooit heb geïnspireerd.” Hij pauzeert even. “Ik zou bijna zeggen dat die dwarslaesie het beste is dat me is overkomen.”
Ik zie de reden van zijn plotselinge zakelijke houding: de vrouw die binnenkomt begint medicijnen te rangschikken op de dichtstbijzijnde tafel.
“Wilma. Mijn kwelgeest, mijn folteraar. Mijn demon.”
“Ja, ik hou ook van jou, lieverd.”
Gerard kijkt me gelaten aan. “Dit is waar mijn avonturen me gebracht hebben: drie maal daags een zetpil. Dus daar is het gat van de deur, meneer de journalist. Maak er een mooi artikel van. Break a leg.”
“Nee, bedankt. Ik ben nog niet klaar met dit leven.”
Ik begeef me naar de achterdeur, Gerard rijdt een stukje met me mee. Ik stap naar buiten, de deur nog in mijn hand.
“Thomas?”
Ik draai me om.
“Wees geen vreemde. Je weet nu waar ik woon.”