Sinterklaas anno 2026

Met een speurende blik loopt de vrouw door de speelgoedwinkel.
De verkoper beent op haar af. “Kan ik u ergens mee helpen, mevrouw?”
“Ik hoop van wel. Ik ben op zoek naar een barbiepop en een radiografisch bestuurbare crossauto.”
“Het spijt me, mevrouw. We verkopen alleen nog maar genderneutraal speelgoed.”
“Hè, dat is nu jammer. Mijn zoon wil zó graag een Barbiepop en mijn dochter is gek op crossauto’s.”
“Tja, dan moeten ze maar iets anders vragen aan de schoorsteenveegpiet.”
De vrouw zucht berustend. “Weet u misschien waar ik pijptabak voor mijn man kan kopen?”

Poseidons toorn

Opgezweept door de boeg geselden de golven het brugvenster van de ‘Iskander’ en maakten het zicht bijna onmogelijk. Het was midden op de dag, maar de zon was gevlucht voor het geweld dat de weergoden hadden ontketend. In deze hel leek zelfs zwaartekracht geen zeggenschap te hebben. Voordat de Iskander een nieuwe golf in dook, kwam het noodlijdende vrachtschip in zicht, in een felle strijd gewikkeld met de elementen.
“No cure, no pay…” Einar Pettersens gemopper werd overstemd door de bulderende zee, het kraken van het protesterende bergingsschip en de krachttermen van roerganger Jack Harper, die met handen en voeten bezig was de Iskander op koers te houden.
“Als je nog eens wat weet,” schreeuwde Einar hem toe.
“Denk toch eens wat constructiever,” wierp Jack terug. “Als we deze klus klaren zitten we gebeiteld.”
Met moeite slaagde Einar er in zijn lichaam klem te zetten tussen de stalen buitenwand en een tussenschot, zodat hij zijn handen lang genoeg vrij had om de verrekijker aan te leggen. De rest van het brugpersoneel had beduidend meer moeite zich staande te houden en gelijkertijd hun werk te doen. Terwijl de Iskander zich verhief voor een duik in een nieuwe golf en het resterende water van de vorige van het brugvenster droop, kon Einar de naam van het schip lezen: ‘Alva Maria’. Huizenhoge golven met witte schuimkoppen speelden met het majestueuze schip alsof het gewichtloos was. Gelaten keek de Noor toe hoe de laatste bemanningsleden door een kustwachthelikopter van het vrachtschip werden gelicht. “Vergeet het maar, Jack. Ze hebben haar opgegeven.”
“Godverdomme.” Jacks vloek ging bijna verloren in het lawaai. Bijna.
“Dit is de toorn van Poseidon,” brulde Einar. “Of misschien wel van Amphitrite, zijn gade.”
“Lul niet zo stroef, man,” riep Jack. “Wat is nu weer een gade?”
“Zijn vrouw. Die hij dwong tot een huwelijk.”
“Logisch dat ze pissig is.” Jack sjorde onverstoorbaar aan het roer. “Maar waarom reageert dat wijf dat op ons af?”
Onbestuurbaar achtergelaten was de Alva Maria een makkelijke prooi voor de kolkende zee: dood gewicht, verwikkeld in een ongelijke strijd met de godin van de golven. Maar het geweld leek over zijn hoogtepunt heen. Het roofdier had zijn energie opgebruikt aan de jacht en trok zich terug om zijn prooi te verschalken.
Als een laatste stuiptrekking deinde het achtersteven van het vrachtschip omhoog uit de golven, en verdween toen in de diepte. De storm ging liggen, het laatste schuim loste op en luchtbellen werden één met het omringende water. De Alva Maria was niet meer.
De bemanning van de Iskander zweeg, de zee en de wind waren nog in een tweegesprek gewikkeld. Verslagen wachtte de bemanning van het bergingsschip tot de Alva Maria volledig was verdwenen, zoals bezoekers op een begrafenis uit piëteit wachten tot de kist in het graf is afgedaald.
Einar was de eerste die het stilzwijgen verbrak. “We hebben hier niets meer te zoeken. Zet een koers uit, we gaan naar huis.”
“Wacht even!”
Alle blikken waren naar voren gericht. Huizenhoge golven waren gereduceerd tot een speelse deining en het zelfs het zonlicht had weer vrij spel, maar de Alva Maria had de strijd nog niet opgegeven. Het achtersteven rees op en als in een terugspelende film werkte het schip zich omhoog, tot het weer op de golven dreef, zoals een schip op de golven hoort te drijven.
“Krijg nou tieten,” klonk het over de brug. “Wat…”
“Het ziet er naar uit dat Poseidon zijn vrouw terechtgewezen heeft,” zei Jack. “Ik mag die god wel.”
“Hoe dan ook,” zei Einar, “we krijgen een herkansing. Misschien was die ‘no cure, no pay’ toch niet zo’n gek idee.”
Einar was nog niet uitgesproken of de Alva Maria begon weer te zinken. Opnieuw verdween het schip de diepte in, dit keer niet gedwongen door wind of water, maar gedreven door een andere kracht.
Verbouwereerd keek de bemanning van de Iskander toe hoe het tafereel van zinken en herrijzen zich bleef herhalen. Uren verstreken en de verbazing maakte plaats voor irritatie en ongeduld.
William Balder stormde de brug op, gevolgd door een plens zeewater. Hij smeet de stalen deur achter zich dicht. “Als we wachten tot ze echt gezonken is, zijn we hier nog wel even.” Hij haalde een computeruitdraai onder zijn oliejas vandaan en gaf deze aan Jack. “De vrachtlijst van de Alva Maria.”
Jack las de lijst en reikte Einar deze aan. “Vergeet Poseidon en Amphitrite. Ik denk dat Loki hier de hand in heeft.”
“Loki, de god van het onheil. Waarom denk je dat?”
“De Alva Maria kwam uit Taiwan. Ze heeft 300.000 jojo’s aan boord. We zijn hier dus nog wel even.”

Het Groot Dictee

Zaterdag 2 november is het weer zover. Dan zal bij de ware taalliefhebber de avond niet in de echtelijke sponde worden doorgebracht met coïtale of anderszins seksuele escapades, maar zal de chaise longue in het volledig Feng Shui ingerichte woongebeuren het epicentrum zijn van cunnilinguïstische fijnproeverijen. Gewapend met schrijfaccessoires, al dan niet van elektronische aard, zal menig auteur in spe zich opmaken voor dit taalkundig pièce de résistance. Onder het genot van een cafeïnevrije cappuccino met een froufrou of alcoholvrij gerstenat met glutenvrije kaasovaaltjes zal men met samengeknepen derrière de kennis van etymologie, syntaxis en interpunctie kunnen toetsen, terwijl genderneutrale taalcuriositeiten in een mitrailleurtempo de revue passeren.
Zittend voor de breedbeeldflatscreentelevisie kan het hoofd weer worden gebroken over feeërieke Przewalskipaarden, gestreste penseelstaartbuidelmuizen en gekalligrafeerde blankebabybilletjesprivileges. Dus geen trendy social media anglicismen, maar literaire spitsvondigheden die zich niet in jip-en-janneketaal laten vertalen voor de plaatselijke bibliothecaresse.

Ik doe niet mee, ik heb niets met taal.

Limbo

Ik lig uitgeteld op bed, na een lange, enerverende werkweek. Mijn ogen voelen zwaar, ik wil het hele weekend slapen.
Dan voel ik haar hand langs mijn been. Het matras zakt in onder haar gewicht als ze op de rand van het bed gaat zitten. Ze legt haar hand op mijn borst en buigt over me heen. Ik voel de warmte van haar gezicht en ruik haar parfum als ze niemendalletjes in mijn oor fluistert. Mijn hart maakt een vreugdesprongetje. De energie die ze uitstraalt verkwikt, mijn vermoeidheid maakt plaats voor verlangen. Ik voel weer dat ik leef. Ik sla mijn armen om haar heen, ze rolt over me naar de lege plek. Ik begraaf mijn gezicht in haar haar.

Ik word wakker naast een onbeslapen plek. Ik pak mijn telefoon: het is zaterdagmiddag, vier uur. Ik hijs me in mijn kamerjas en slippers en zit even later met mijn koffie en croissant aan de eettafel, zoals ik al duizend keer deed.
Haar urn staat al acht jaar op dezelfde plek en ik mis haar nog elke dag, maar ik ben doodongelukkig omdat ze mij niet los kan laten.

Theekransje

Sinds ik mezelf schrijver durf te noemen verbaas ik mij geregeld over de ongelijke verdeling van de seksen in Nederland Schrijversland; vrouwen zijn veruit in de meerderheid. Mijn gevoel zegt dat dat een scheef beeld van de werkelijkheid is, al heb ik nog geen bewijs van het tegendeel kunnen vinden. Zijn vrouwelijke concullega’s op een breder vlak bezig met ‘het schrijver zijn’ of zijn mannelijke schrijvers introverter? Ik vermoed het laatste, al zijn de tekenen van de eerste stelling overduidelijk.
Vrouwelijke schrijvers houden zich in kuddes op en de mannelijke soort is een solitair schrijfdier. Op foto’s van workshops of schrijfretraites schitteren mannen door afwezigheid, waardoor ik mij niet aan een theekransjesgevoel kan onttrekken. Want het is vooral errug gezellig, zo’n schrijfclubje. We publiceren een boek of twee, beginnen een uitgeverijtje en geven een workshopje, waarbij we elkaar feliciteren met het auteursschap.
Nu is de gunfactor bij mij in ruime mate aanwezig, maar ik heb mijn twijfels of de lezer hier van profiteert; de energie die in deze festiviteiten wordt gestoken kan in veel gevallen beter worden gebruikt om de kwaliteit van het geschrevene te verbeteren. Want dat is de kern van schrijven. Toch?

Slecht schrijfwerk inspireert

Als je schrijver wilt worden doe je er goed aan veel te lezen. Tot zover klopt de stelling. Er wordt echter niet bij gezegd dat je werk van goede schrijvers moet lezen. Ik leer namelijk meer van slechte schrijvers: waarom is dit zo slecht om te lezen, wat klopt niet aan dit verhaal, welke fouten worden hier gemaakt die ik niet wil maken?
Ik heb afgelopen week fragmenten van twee onlangs gepubliceerde werken onder ogen gekregen waarbij ik me afvroeg of er überhaupt een proeflezer of redacteur aan te pas was gekomen. Nu heb ik weinig recht van spreken om een oordeel mogen te vellen, maar je hoeft geen literatuurprijswinnaar te zijn om een ‘verhaal’ te herkennen dat in strijd is met een half dozijn schrijfregels.
Het lezen van slecht werk motiveert ook. Als ik twijfel over mijn kunnen, hoef ik maar iets te lezen uit prematuur gepubliceerd werk van een concullega en mijn zelfvertrouwen krijgt weer een stimulans: ik kan en wil beter schrijven dat dit. Een schrijver die zichzelf serieus neemt is verplicht het beste uit zichzelf (en uit zijn verhaal) te halen. Al was het maar uit respect voor de lezer. Deze stelt zijn/haar vertrouwen in jou, steekt tijd in het lezen van je verhalen en mag dus niet worden afgescheept met middelmatigheid, omdat jij denkt dat je de eindstreep al hebt gehaald. Op een goede dag zal deze lezer geld neertellen voor iets wat jij geschreven hebt en dan dienen ze voor hun loyaliteit beloond te worden met kwaliteit.
En daarom duurt het bij mij zo lang voordat mijn debuut het daglicht zal zien. Ik ben niet bezig met een sprint, maar met een marathon.