Lucifer

“Ik kom voor meneer Van Engelen.” Met zijn forse gestalte in de deuropening van het verzorgingstehuis verduistert de man een deel van de entreehal. Onder de zilveren drietand op zijn indigo maatkostuum prijkt de spreuk ‘Acta est fabula’. Het spel is afgelopen.
“U bent toch niet de maatschappelijk werker?” zegt de receptioniste schuchter.
De vreemdeling peilt zijn omgeving. “Als u dat wilt, dan ben ik dat. Ik kom uw probleem oplossen.”
“Godzijdank.” Ze begeleidt hem door de gang. “We worden een beetje gek van hem. Hij draait de godganse dag rockmuziek, de hele gang stinkt van de wiet en hij kan de vrouwelijke bewoners niet met rust laten.”
“Laat mij maar met hem praten. Ik los dit op.”
Hij houdt halt voor kamer 01-11 en aarzelt als hij ziet dat de laatste ‘1’ door het ontbreken van een schroefje ondersteboven is getuimeld. “Engelengetallen. Leuk geprobeerd.”
Kort nadat hij de kamer heeft betreden beginnen alle deuren in de gang in hun sponning te trillen. Helwit licht priemt door de kieren en het sleutelgat van kamer 01-11. De wietlucht in de gang wordt verdrongen door de geur van zwavel; onweer is in het kielzog van de vreemdeling meegelift.
Als de man weer op de gang staat is alles stil. Rook trekt op. Met angst in hun vaalgrijze ogen staren bewoners de man in indigo na als hij naar de uitgang beent.
“Bent u al klaar met hem?” zegt de receptioniste hoopvol.
“Dat kan je wel zeggen. Avé.” De man steekt zijn hand in de lucht; in de handpalm prijkt een verse brandplek met de contouren van een crucifix.

Advertentie

Iets nieuws

“Waarmee kan ik u van dienst zijn?” Nog net niet handenwrijvend loopt de autoverkoper op zijn potentiële klant toe.
De man speurt de showroom af. “Ik wil een auto die mijn buurman niet heeft.”
“Dat wil iedereen. Kan ik u interesseren in een SUV?”
“Nee, dat is zooo tweeduizend. Mijn halve straat heeft al zo’n ding.”
“Aha, meneer zoekt een bijzonder autootje. Een supercar, dan?”
De klant wuift het voorstel achteloos weg. “Die heeft Timmermans van nummer 28 al.”
“Hypercar?”
“Smits, van nummer 12. Een blauwe.”
Even is het stil.
“Dan blijft er nog maar één auto over: de Venom.”
“Venom?”
In de hoek van de showroom staat een ruimteschip op wielen te pronken. “De Venom Tempus Vortex ER is uitgerust met een Einstein-Rosenbruggenerator en kan…”
“Een watte?”
“Een wormgatgenerator. Deze vouwt het ruimtetijdcontinuüm terug in zichzelf en stelt u in staat om op uw werk te arriveren voordat u van huis bent vertrokken.”
“Die wil ik.”
“Maar… er is wel een wachtlijst. Deze optie wordt namelijk over drie jaar pas uitgevonden.”

Diersoort

(met dank aan Marion Reeuwijk-Remmerswaal)

Honderd jaar geleden bevolkten anderhalf miljard mensen de aarde. Nu drommen maar liefst bijna acht miljard mensen samen op deze wereld. Toch zijn er plaatsen op onze planeet waar geen mens ooit is geweest, wildernissen die onondekte geheimen huisvesten.
En af en toe geeft Moeder Aarde een van die geheimen prijs…

Mijn zwager kende mijn fascinatie voor het ongewone en had me overgehaald om in zijn dierenwinkel in Ommoord naar ‘iets nieuws’ te komen kijken. Hij had mijn nieuwsgierigheid gewekt, al verwachtte ik nauwelijks meer te zien dan een uitzonderlijke leguanensoort.
“Weet je dat er nog geregeld nieuwe diersoorten worden ontdekt?” zei hij op erudiete toon, terwijl hij me meenam naar achteren. “Deze is hier in de haven gevonden, aan boord van een vrachtschip uit Guatemala.”
In de schaars verlichte ruimte – “Hij wordt agressief van veel licht” – bogen we ons over een groot terrarium. Een scherpe, zure lucht vulde mijn neus. Wat tussen de decoratieve stukken boomschors en houtkrullen verscholen zat, was iets dat ik nog niet eerder in een dierentuin, natuurdocumentaire of zelfs horrorfilm had gezien. Flarden licht die in de ruimte doordrongen boden me slechts ten dele zicht op de speling van Moeder Natuur; de geheimzinnigheid waarmee mijn zwager mij probeerde op te zadelen was een feit.
Het was zo groot als een marter, maar gespierder. Het grootste deel van het lichaam was bedekt met iets dat het midden hield tussen schubben en veren, met hier en daar een stuk chitinepantser, als van een schaaldier. Toen mijn ogen begonnen te wennen aan het bijna-donker zag ik hoe een paar kille, gitzwarte kraalogen me aanstaarden.
Plotseling haalde het fel naar me uit; het wilde me bijten. Normaal gesproken zou ik dit hebben afgedaan als een instinctieve reflex uit zelfverdediging of misschien zelfs territoriumdrift, maar dit voelde als een gerichte aanval, een daad van intense haat.
“’Hij wordt agressief van veel licht’?” reageerde ik verbaasd. “Laat dan alsjeblieft het licht uit.”
“Een venijnig kreng, hè?” Mijn zwager legde een zwaar rooster op het terrarium. Zijn fascinatie grensde aan het ongezonde.
“Wat is het voor iets?” dacht ik hardop.
“Volgens de scheepsbemanning noemt de plaatselijke bevolking het ‘Pequeño Diablo’, kleine duivel.”
“Hoezo? Bestaat er geen Spaans woord voor ‘venijnig kreng’?”
“Wees blij dat ie niet groter is.”
“Ik moet er niet aan denken.” Ik zakte door mijn knieën in een morbide hoop het beest beter te kunnen bekijken. Zelfs met een halve centimeter dik glas ertussen beangstigde het me. Het monster volgde mijn blik, alsof er intelligentie achter die donkere ogen zat. Het ontblootte zijn scherpe, groengele tanden als in een grimas. Het bespotte me.
Als ik niet beter wist zou ik denken dat het ergens anders vandaan kwam. Dit was geen schepping van Moeder Natuur, het was een fout in de evolutie. Het was geconcentreerd kwaad.
Ik zag het niet aankomen: toen ik me oprichtte kromde het zijn rug, stootte een hoog krijsend geluid uit en schoot een stekel onder zijn rugpantser vandaan, die, niet gehinderd door het grofmazige rooster, in mijn onderarm bleef hangen.
“Hij houdt van je,” zei mijn zwager.
“Ja, lach jij maar.” Ik trok de stekel uit mijn arm. “Straks heb ik hondsdolheid, of een of andere onbekende tropische ziekte.”
“Ja hoor,” schampte hij. “Waarom niet een virus dat de halve westerse wereld uitroeit?”
Met zijn laconieke opmerkingen kon mijn zwager dingen relativeren als geen ander. Maar hij had gelijk: mijn reactie was simpelweg het gevolg van een traumatische gebeurtenis.
“Ik heb morgen toch een afspraak met de dokter,” bond ik in. “Ik vraag hem wel om een tetanusprik.”

Ik heb vaster geslapen dan ooit tevoren. Ik word wakker met een bonkende hoofdpijn en een gortdroge mond. Op mijn kussen liggen dikke plukken haar; ik voel op mijn hoofd de hiaten. Een brandend, jeukend gevoel kruipt onder mijn huid, ook op plekken waar ik niet bij kan.
Ik stink vreselijk uit mijn mond, erger dan na een avond shoarma met teveel knoflooksaus. De smaak is zo mogelijk nog erger. Ik verslik me ergens bijna in maar hoest het godzijdank meteen weer uit. In mijn hand ligt een tand. Ik verwacht een bloedend gat waar deze zat, maar ik voel een scherpe punt. Maandenlang ergerde ik me aan het zwakke badkamerlicht, maar was te lui om een sterkere lamp te monteren. Nu doet het licht zeer aan mijn ogen, irriteert me mateloos. Een scherpe, zure lucht vult mijn neus.
Er worden nog geregeld nieuwe diersoorten ontdekt, is de laatste bewuste gedachte die door me heen gaat, terwijl het monster in de spiegel me aanstaart.

Generatiekloof

Na een vluchtige kus voor oma ploffen de kleinkinderen op de bank, handen en ogen vergroeid aan hun smartphone.
Tanja heeft de moed al opgegeven en probeert zich te verontschuldigen bij haar oude moeder. “Vroeger moest je ze naar binnen sleuren, nu krijg je ze niet naar buiten. Ze zitten de hele dag online.”
“Online?” Oma doet moeite grip te krijgen op de eenentwintigste eeuw.
Desiree kijkt op van haar smartphone. “Jeweetwel, oma: YouTube, Twitter, Reddit …”
Oma’s betrokkenheid kent geen grenzen. “Wat is dat, lieverd?”
“Nou, je post bijvoorbeeld een subreddit en dan krijg je upvotes of downvotes. En met genoeg upvotes krijg je karma.”
Even is het stil, dan staat oma op. “Wie wil er kippensoep? Zelfgemaakt.”

Tijdreizen BV

Maandenlang heeft weduwe Hasselaer met haar vrouwen de stadsmuren verdedigd tegen Don Frederique en zijn leger Spanjaarden, maar zelfs de aanwezigheid van ons huurlingen kan de val van Haarlem niet voorkomen. En nu zit ik dus verwikkeld in een verloren strijd.

Vorige week nog lag ik bij Kornwerderzand en floten de kogels me om de oren in de Slag om de Afsluitdijk, maar daar hebben we tenminste de Duitsers zurück nach die heimat gestuurd.

Zodra ik terug ben in 3810 laat ik Onderhoud mijn tijdgordel nakijken, of ik vraag overplaatsing aan naar Religie. Da’s minder gevaarlijk.

Sterfbed

“Wat was het mooiste moment van je leven, opa?” vroeg Jonas, terwijl ze om hem heen stonden.
Het uitgemergelde lichaam van de oude man ging bijna verloren in het grote ziekenhuisbed. Met zijn vaalgrijze ogen doorzocht hij bijna een eeuw aan herinneringen en er verscheen een blos op zijn gerimpelde wangen. “Je oma was het mooiste meisje dat ik ooit gezien had,” sprak hij, amper hoorbaar. “Een engel op aarde.” Hij haalde langzaam en diep adem. “We waren voor het eerst samen op vakantie. We stonden op een berg die uitzicht bood over half Frankrijk.”
Op dat moment schoot hij in een onbedaarlijke hoestbui. Een verpleegster snelde te hulp.
“Opa heeft rust nodig, Jonas.” José maakte aanstalten tussen haar zoon en het bed te stappen, om de zuster te helpen. Haar vader te helpen.
De oude man herstelde zich en hief zijn knokige hand. “Het is wel goed.” Hij raspte zijn keel en mijmerde verder. “Margje – je oma – maakte haar blonde, golvende haar los en kwam voor me staan. Ik verdronk in haar blauwe ogen. ‘Met jou wil ik heel oud worden, Albert,’ zei ze. Vanaf dat moment was ik de gelukkigste man van de wereld.”
De stilte in de ziekenhuiskamer was voelbaar.
“En nu mag ik weer naar haar toe.”

Karma

(met dank aan Anna-Martine Banga)

De wrat op mijn neus jeukt; er is storm op komst. Minstens Code Oranje. En dat betekent forse hoofdpijn voor een heks van de Vijfde Heuvel van Mort. Maar wat zou ik voor heks zijn als ik daar zelf geen probaat middel tegen kon brouwen? Met vleermuisoog, paddengif en nog iets. Wat, verklap ik niet. Ik ben een sprookjesfiguur en dus moet het geheimzinnig blijven. Ik heb het ook niet verzonnen.
Een van de cruciale ingrediënten voor mijn drank is op; ik zal dus nog de deur uit moeten. Ik maak gebruik van de stilte voor de storm, stap op mijn bezem en suis dankzij mijn navigatiekraai behendig door het spreukjesbos.
In het struikgewas bespeur ik een paracetamol; zijn staart is wat ik nodig heb. Ik zet in voor een duikvlucht zoals ik die al vele malen succesvol heb uitgevoerd. Mijn bezem, een geïmpregneerde Nimbus 3000 van driemaal gelaagd waaibomenhout, online gekocht bij het Magic Outdoor Center aan het Braamstruikse Binnenpad, is stormbestendig, maar mijn mantel uit de zomeruitverkoop van de Action is dat niet. Een rukwind duikt eronder en brengt me uit balans, mijn Nimbus boort zich in de dichtstbijzijnde eik en even later hang ik tussen hemel en aarde met een boom tussen mijn benen en een forse hoofdpijn. Klotestorm.

Gandalf

Hard werken maakt hongerig. De schaal met afgekloven botten en onverteerbare vleesrestanten was de stille getuige van een copieuze maaltijd. De wijze grijsaard zette de kelk aan zijn verweerde mond; de godendrank die er naast vloeide, verzachtte de geschroeide huid van zijn bebaarde gelaat. Hij voelde de resten van het eerder genuttigde wildbraad reeds zijn oude darmen passeren.
“You shall not pass!” scandeerde hij met dubbele tong, maar het mocht niet baten. Luid galmend wapperde de holle wind onder zijn mantel vandaan, ricocheerde tussen het houten herbergmeubilair en toeterde door het open venster de vrijheid van Midden Aarde tegemoet.

Poseidons toorn

Opgezweept door de boeg geselden de golven het brugvenster van de ‘Iskander’ en maakten het zicht bijna onmogelijk. Het was midden op de dag, maar de zon was gevlucht voor het geweld dat de weergoden hadden ontketend. In deze hel leek zelfs zwaartekracht geen zeggenschap te hebben. Voordat de Iskander een nieuwe golf in dook, kwam het noodlijdende vrachtschip in zicht, in een felle strijd gewikkeld met de elementen.
“No cure, no pay…” Einar Pettersens gemopper werd overstemd door de bulderende zee, het kraken van het protesterende bergingsschip en de krachttermen van roerganger Jack Harper, die met handen en voeten bezig was de Iskander op koers te houden.
“Als je nog eens wat weet,” schreeuwde Einar hem toe.
“Denk toch eens wat constructiever,” wierp Jack terug. “Als we deze klus klaren zitten we gebeiteld.”
Met moeite slaagde Einar er in zijn lichaam klem te zetten tussen de stalen buitenwand en een tussenschot, zodat hij zijn handen lang genoeg vrij had om de verrekijker aan te leggen. De rest van het brugpersoneel had beduidend meer moeite zich staande te houden en gelijkertijd hun werk te doen. Terwijl de Iskander zich verhief voor een duik in een nieuwe golf en het resterende water van de vorige van het brugvenster droop, kon Einar de naam van het schip lezen: ‘Alva Maria’. Huizenhoge golven met witte schuimkoppen speelden met het majestueuze schip alsof het gewichtloos was. Gelaten keek de Noor toe hoe de laatste bemanningsleden door een kustwachthelikopter van het vrachtschip werden gelicht. “Vergeet het maar, Jack. Ze hebben haar opgegeven.”
“Godverdomme.” Jacks vloek ging bijna verloren in het lawaai. Bijna.
“Dit is de toorn van Poseidon,” brulde Einar. “Of misschien wel van Amphitrite, zijn gade.”
“Lul niet zo stroef, man,” riep Jack. “Wat is nu weer een gade?”
“Zijn vrouw. Die hij dwong tot een huwelijk.”
“Logisch dat ze pissig is.” Jack sjorde onverstoorbaar aan het roer. “Maar waarom reageert dat wijf dat op ons af?”
Onbestuurbaar achtergelaten was de Alva Maria een makkelijke prooi voor de kolkende zee: dood gewicht, verwikkeld in een ongelijke strijd met de godin van de golven. Maar het geweld leek over zijn hoogtepunt heen. Het roofdier had zijn energie opgebruikt aan de jacht en trok zich terug om zijn prooi te verschalken.
Als een laatste stuiptrekking deinde het achtersteven van het vrachtschip omhoog uit de golven, en verdween toen in de diepte. De storm ging liggen, het laatste schuim loste op en luchtbellen werden één met het omringende water. De Alva Maria was niet meer.
De bemanning van de Iskander zweeg, de zee en de wind waren nog in een tweegesprek gewikkeld. Verslagen wachtte de bemanning van het bergingsschip tot de Alva Maria volledig was verdwenen, zoals bezoekers op een begrafenis uit piëteit wachten tot de kist in het graf is afgedaald.
Einar was de eerste die het stilzwijgen verbrak. “We hebben hier niets meer te zoeken. Zet een koers uit, we gaan naar huis.”
“Wacht even!”
Alle blikken waren naar voren gericht. Huizenhoge golven waren gereduceerd tot een speelse deining en het zelfs het zonlicht had weer vrij spel, maar de Alva Maria had de strijd nog niet opgegeven. Het achtersteven rees op en als in een terugspelende film werkte het schip zich omhoog, tot het weer op de golven dreef, zoals een schip op de golven hoort te drijven.
“Krijg nou tieten,” klonk het over de brug. “Wat…”
“Het ziet er naar uit dat Poseidon zijn vrouw terechtgewezen heeft,” zei Jack. “Ik mag die god wel.”
“Hoe dan ook,” zei Einar, “we krijgen een herkansing. Misschien was die ‘no cure, no pay’ toch niet zo’n gek idee.”
Einar was nog niet uitgesproken of de Alva Maria begon weer te zinken. Opnieuw verdween het schip de diepte in, dit keer niet gedwongen door wind of water, maar gedreven door een andere kracht.
Verbouwereerd keek de bemanning van de Iskander toe hoe het tafereel van zinken en herrijzen zich bleef herhalen. Uren verstreken en de verbazing maakte plaats voor irritatie en ongeduld.
William Balder stormde de brug op, gevolgd door een plens zeewater. Hij smeet de stalen deur achter zich dicht. “Als we wachten tot ze echt gezonken is, zijn we hier nog wel even.” Hij haalde een computeruitdraai onder zijn oliejas vandaan en gaf deze aan Jack. “De vrachtlijst van de Alva Maria.”
Jack las de lijst en reikte Einar deze aan. “Vergeet Poseidon en Amphitrite. Ik denk dat Loki hier de hand in heeft.”
“Loki, de god van het onheil. Waarom denk je dat?”
“De Alva Maria kwam uit Taiwan. Ze heeft 300.000 jojo’s aan boord. We zijn hier dus nog wel even.”

Het Groot Dictee

Zaterdag 2 november is het weer zover. Dan zal bij de ware taalliefhebber de avond niet in de echtelijke sponde worden doorgebracht met coïtale of anderszins seksuele escapades, maar zal de chaise longue in het volledig Feng Shui ingerichte woongebeuren het epicentrum zijn van cunnilinguïstische fijnproeverijen. Gewapend met schrijfaccessoires, al dan niet van elektronische aard, zal menig auteur in spe zich opmaken voor dit taalkundig pièce de résistance. Onder het genot van een cafeïnevrije cappuccino met een froufrou of alcoholvrij gerstenat met glutenvrije kaasovaaltjes zal men met samengeknepen derrière de kennis van etymologie, syntaxis en interpunctie kunnen toetsen, terwijl genderneutrale taalcuriositeiten in een mitrailleurtempo de revue passeren.
Zittend voor de breedbeeldflatscreentelevisie kan het hoofd weer worden gebroken over feeërieke Przewalskipaarden, gestreste penseelstaartbuidelmuizen en gekalligrafeerde blankebabybilletjesprivileges. Dus geen trendy social media anglicismen, maar literaire spitsvondigheden die zich niet in jip-en-janneketaal laten vertalen voor de plaatselijke bibliothecaresse.

Ik doe niet mee, ik heb niets met taal.