Mannen blijven mannen

“Het werd tijd dat je weer ging daten. Je staat te lang droog.”
“Bij jou draait het ook maar om één ding, hè?”
“Ja.”
“Seks is zo primair, zo kortstondig. Het is veel mooier als je een verwante geest treft waarmee je de diepte in kan.”
“De diepte in, ja.”
“Dat bedoel ik niet. Neanderthaler.”
“Ik geef het tenminste toe. Die oermens zit nog steeds in ons. Mannen moeten jagen en vrouwen willen veroverd worden. En stiekem willen ze een foute, spannende man, geen pantoffeldiertje.”
“Spreek voor jezelf. Ik wil meer dan lust. Ik wil dat mijn aura verstrengeld raakt met het hare, verdrinken in haar ogen, een samensmelting van zielen.”
“Lul niet zo wollig. Laat het beest in je los. Ga daten.”

“En, hoe was je date? Zijn er aura’s verstrengeld geraakt, zielen samengesmolten? Was het een inspirerende ontmoeting?”
“INspirerend? Ja, dat was het zeker. Ik heb in geen tijden zulke geweldige seks gehad.”


#

Boer Biet

Boer Biet moest met zijn tijd meegaan, wilde hij het hoofd boven water houden. Hij kroop achter zijn kompjoeter, goegelde en kreeg een idee. Hij besloot een barn sale te houden, want retro was helemaal in. Mensen betaalden grof geld voor roestige decoratie-attributen en zijn erf stond vol met roestige decoratie-attributen.
Boer Biet was op dreef; hij liet borden en flyers maken en terwijl zijn idee viral ging, verzon hij een farm yard bootcamp.

Er was één dingetje dat tussen boer Biet en een doorslaand succes stond: hij had geen flauw idee wat het allemaal betekende.

Lucifer

Crucifix
“Ik kom voor meneer Van Engelen.” Met zijn forse gestalte in de deuropening van het verzorgingstehuis verduistert de man een deel van de entreehal. Onder de zilveren drietand op zijn indigo maatkostuum prijkt de spreuk ‘Acta est fabula’. Het spel is afgelopen.
“U bent toch niet de maatschappelijk werker?” zegt de receptioniste schuchter.
De vreemdeling peilt zijn omgeving. “Als u dat wilt, dan ben ik dat. Ik kom uw probleem oplossen.”
“Godzijdank.” Ze begeleidt hem door de gang. “We worden een beetje gek van hem. Hij draait de godganse dag rockmuziek, de hele gang stinkt van de wiet en hij kan de vrouwelijke bewoners niet met rust laten.”
“Laat mij maar met hem praten. Ik los dit op.”
Hij houdt halt voor kamer 01-11 en aarzelt als hij ziet dat de laatste ‘1’ door het ontbreken van een schroefje ondersteboven is getuimeld. “Engelengetallen. Leuk geprobeerd.”
Kort nadat hij de kamer heeft betreden beginnen alle deuren in de gang in hun sponning te trillen. Helwit licht priemt door de kieren en het sleutelgat van kamer 01-11. De wietlucht in de gang wordt verdrongen door de geur van zwavel; onweer is in het kielzog van de vreemdeling meegelift.
Als de man weer op de gang staat is alles stil. Rook trekt op. Met angst in hun vaalgrijze ogen staren bewoners de man in indigo na als hij naar de uitgang beent.
“Bent u al klaar met hem?” zegt de receptioniste hoopvol.
“Dat kan je wel zeggen. Avé.” De man steekt zijn hand in de lucht; in de handpalm prijkt een verse brandplek met de contouren van een crucifix.

Iets nieuws

“Waarmee kan ik u van dienst zijn?” Nog net niet handenwrijvend loopt de autoverkoper op zijn potentiële klant toe.
De man speurt de showroom af. “Ik wil een auto die mijn buurman niet heeft.”
“Dat wil iedereen. Kan ik u interesseren in een SUV?”
“Nee, dat is zooo tweeduizend. Mijn halve straat heeft al zo’n ding.”
“Aha, meneer zoekt een bijzonder autootje. Een supercar, dan?”
De klant wuift het voorstel achteloos weg. “Die heeft Timmermans van nummer 28 al.”
“Hypercar?”
“Smits, van nummer 12. Een blauwe.”
Even is het stil.
“Dan blijft er nog maar één auto over: de Venom.”
“Venom?”
In de hoek van de showroom staat een ruimteschip op wielen te pronken. “De Venom Tempus Vortex ER is uitgerust met een Einstein-Rosenbruggenerator en kan…”
“Een watte?”
“Een wormgatgenerator. Deze vouwt het ruimtetijdcontinuüm terug in zichzelf en stelt u in staat om op uw werk te arriveren voordat u van huis bent vertrokken.”
“Die wil ik.”
“Maar… er is wel een wachtlijst. Deze optie wordt namelijk over drie jaar pas uitgevonden.”

Diersoort

(met dank aan Marion Reeuwijk-Remmerswaal)

Honderd jaar geleden bevolkten 1,5 miljard mensen de aarde. Nu drommen maar liefst 6 miljard mensen samen op deze wereld. Toch zijn er plaatsen op onze planeet waar geen mens ooit is geweest, wildernissen die onondekte geheimen huisvesten.
En af en toe geeft Moeder Aarde een van die geheimen prijs…

Mijn zwager kende mijn fascinatie voor het ongewone en had me overgehaald om in zijn dierenwinkel in Ommoord naar ‘iets nieuws’ te komen kijken. Hij had mijn nieuwsgierigheid gewekt, al verwachtte ik nauwelijks meer te zien dan een uitzonderlijke leguanensoort.
“Weet je dat er nog geregeld nieuwe diersoorten worden ontdekt?” zei hij op erudiete toon, terwijl hij me meenam naar achteren. “Deze is hier in de haven gevonden, aan boord van een vrachtschip uit Guatemala.”
In de schaarsverlichte ruimte – “Hij wordt agressief van veel licht” – bogen we ons over een groot terrarium. Een scherpe, zure lucht vulde mijn neus. Wat tussen de decoratieve stukken boomschors en houtkrullen verscholen zat, was iets dat ik nog niet eerder in een dierentuin, natuurdocumentaire of zelfs horrorfilm had gezien. Flarden licht die in de ruimte doordrongen boden me slechts ten dele zicht op de speling van Moeder Natuur; de geheimzinnigheid waarmee mijn zwager mij probeerde op te zadelen was een feit.
Het was zo groot als een marter, maar gespierder. Het grootste deel van het lichaam was bedekt met iets dat het midden hield tussen schubben en veren, met hier en daar een stuk chitinepantser, als van een schaaldier. Toen mijn ogen begonnen te wennen aan het bijna-donker zag ik hoe een paar kille, gitzwarte kraalogen me aanstaarden.
Plotseling haalde het fel naar me uit; het wilde me bijten. Normaal gesproken zou ik dit hebben afgedaan als een instinctieve reflex uit zelfverdediging of misschien zelfs territoriumdrift, maar dit voelde als een gerichte aanval, een daad van aggressie, van intense haat.
“’Hij wordt agressief van veel licht’?” reageerde ik verbaasd. “Laat dan alsjeblieft het licht uit.”
“Een venijnig kreng, hè?” Mijn zwager legde een zwaar rooster op het terrarium. Zijn fascinatie grensde aan het ongezonde.
“Wat is het voor iets?” dacht ik hardop.
“Volgens de scheepsbemanning noemt de plaatselijke bevolking het ‘Pequeño Diablo’, kleine duivel.”
“Hoezo?” zei ik. “Bestaat er geen Spaans woord voor ‘venijnig kreng’?”
“Wees blij dat ie niet groter is.”
“Ik moet er niet aan denken.” Ik zakte door mijn knieën in de hoop het beest beter te kunnen bekijken. Zelfs met een halve centimeter dik glas ertussen beangstigde het me. Het monster volgde mijn blik, alsof er intelligentie achter die donkere ogen zat. Het ontblootte zijn scherpe, groengele tanden als in een grimas. Het bespotte me.
Als ik niet beter wist zou ik denken dat het ergens anders vandaan kwam. Dit was geen schepping van Moeder Natuur, het was een fout in de evolutie. Het was geconcentreerd kwaad.
Ik zag het niet aankomen: toen ik me oprichtte kromde het zijn rug, stootte een hoog krijsend geluid uit en schoot een stekel onder zijn rugpantser vandaan, die, niet gehinderd door het grofmazige rooster, in mijn onderarm bleef hangen.
“Hij houdt van je,” zei mijn zwager.
“Ja, lach jij maar.” Ik trok de stekel uit mijn arm. “Straks heb ik hondsdolheid, of een of andere onbekende tropische ziekte.”
“Ja hoor,” schampte hij. “Waarom niet een virus dat de halve westerse wereld uitroeit?”
Met zijn laconieke opmerkingen kon mijn zwager dingen relativeren als geen ander. Hij had gelijk: mijn reactie was het gevolg van een traumatische gebeurtenis.
“Ik heb morgen toch een afspraak met de dokter,” bond ik in. “Ik vraag hem wel om een Tetanusprik.”

Ik heb vaster geslapen dan ooit tevoren. Ik word wakker met een bonkende hoofdpijn en een gortdroge mond. Op mijn kussen liggen dikke plukken haar; ik voel op mijn hoofd de hiaten.
Ik stink vreselijk uit mijn mond, erger dan na een avond shoarma met teveel knoflooksaus. De smaak is zo mogelijk nog erger. Ik verslik me ergens bijna in maar hoest het godzijdank meteen weer uit. In mijn hand ligt een tand. Ik verwacht een bloedend gat waar deze zat, maar er begint zich al een nieuwe tand te vormen; ik voel de scherpe punt. Maandenlang ergerde ik me aan het zwakke badkamerlicht, maar was te lui om een sterkere lamp te monteren. Nu doet het licht zeer aan mijn ogen, irriteert me mateloos. Een scherpe, zure lucht vult mijn neus.
Er worden nog geregeld nieuwe diersoorten ontdekt, is de laatste bewuste gedachte die door me heen gaat, terwijl het monster in de spiegel me aanstaart.

Generatiekloof

Na een vluchtige kus voor oma ploffen de kleinkinderen op de bank, handen en ogen vergroeid aan hun smartphone.
Tanja heeft de moed al opgegeven en probeert zich te verontschuldigen bij haar oude moeder. “Vroeger moest je ze naar binnen sleuren, nu krijg je ze niet naar buiten. Ze zitten de hele dag online.”
“Online?” Oma doet moeite grip te krijgen op de eenentwintigste eeuw.
Desiree kijkt op van haar smartphone. “Jeweetwel, oma: YouTube, Twitter, Reddit …”
Oma’s betrokkenheid kent geen grenzen. “Wat is dat, lieverd?”
“Nou, je post bijvoorbeeld een subreddit en dan krijg je upvotes of downvotes. En met genoeg upvotes krijg je karma.”
Even is het stil, dan staat oma op. “Wie wil er kippensoep? Zelfgemaakt.”

#

Reïncarnatie – hond

Het leven is goed. Ik krijg op tijd mijn natje en mijn droogje en kan een paar keer per dag in elk gewenst perk schijten en elke lantaarnpaal, brievenbus of kliko onderpissen. En niemand protesteert als ik de teef van de buren bespring wanneer het mij uitkomt.
In ruil daarvoor moet ik mij af en toe laten knuffelen door een eenzaam oud wijf met een prikkelbaard, dat uit haar bek stinkt. Ach, ‘Illud est quod est’, zei ik vroeger altijd; het is wat het is…
Ik hoop niet dat ik ooit terugkom als oud wijf.

#

De pen is machtiger dan het zwaard

Schrijven is communiceren. Als je de taal goed beheerst is dat niet alleen een pre bij het vertellen van verhalen, het kan ook van pas komen in het dagelijkse leven. Bij een conflict met een werkgever of instantie, bijvoorbeeld.
De taal is een machtige wapenbroeder. Taalvaardigheid stelt je in staat je argumenten zo te formuleren dat miscommunicatie zo goed als uitgesloten is. Jouw relaas kan maar op één manier worden geïnterpreteerd: de juiste. De tegenpartij zal jouw verhaal niet kunnen verdraaien of anders uitleggen dan jij het bedoelt. Je ontneemt de ander dus de munitie om in de tegenaanval te gaan.
En als je dan, net als bij verhalen schrijven, je ego opzij kunt schuiven zodat je emoties niet de overhand nemen en je bij de kern van de zaak kunt blijven, is de helft van het conflict al gewonnen.
Goed schrijven geeft niet alleen creatieve voldoening, het is ook nog eens verdraaid nuttig.

#

Werelddagmoe

Ik word een beetje moe van al die werelddagen. De internationale dag van de Patagonische dakhaas, de internationale dag van de linksdraaiende Bulgaarse yoghurt, ik houd het allemaal niet meer bij. Was er vroeger ook een internationale dag van de mahoniehouten salontafel? Nee, hè?
Nu veren onmiddellijk hele volksstammen op van hun stoel. “Ja, maar op de Internationale Vrouwendag wordt er extra aandacht besteed aan de strijdbaarheid en het gevoel van solidariteit van vrouwen overal ter wereld.”
Dat is mooi, maar betekent dat dat ik morgen mijn vrouw weer mag slaan? Ik raak er alleen maar van in de war: waarom niet elke dag respect voor de rechten van de vrouw? Of de man. Of het kind. Of…
Ik stem voor Wereldmensendierendingendag, zoals Klein Orkest in de jaren ’80 al voorstelde. Ze waren hun tijd ver vooruit; dit is de enige themadag die we zouden moeten vieren. En dan elke dag, dan kunnen we die werelddagenkalender ook weggooien.

#

Tijdreizen BV

Maandenlang heeft weduwe Hasselaer met haar vrouwen de stadsmuren verdedigd tegen Don Frederik en zijn leger Spanjaarden, maar zelfs de aanwezigheid van ons huurlingen kan de val van Haarlem niet voorkomen. En nu zit ik dus verwikkeld in een verloren strijd.

Vorige week nog lag ik bij Kornwerderzand en floten de kogels me om de oren in de Slag om de Afsluitdijk, maar daar hebben we tenminste de Duitsers zurück nach die heimat gestuurd.

Zodra ik terug ben in 3810 laat ik Onderhoud mijn tijdgordel nakijken, of ik vraag overplaatsing aan naar Religie. Da’s minder gevaarlijk.