Het ging toch goed?

“Rij voorzichtig,” is het bezorgde advies dat ik sinds jaar en dag van mijn dierbaren meekrijg als ik aan een autorit begin. Een advies dat ik jarenlang als overbodig wegwuifde, want met een paar honderdduizend kilometer onder mijn wielen was de kans dat ik heelhuids mijn bestemming bereikte ongeveer net zo groot als het niet winnen van de Staatsloterij.

Toen het roze papiertje nog een papiertje was en de voorruit werd ontsierd door het kentekenbewijs deel III waren de enige gevaren op de Nederlandse wegen een enkele rebel en hier en daar een wrak op wielen. Bumperkleven was een onbekend verschijnsel, want er waren zo veel minder bumpers om aan te kleven. Het Nederlandse wegennet telde slechts een handvol flitspalen en als je bij tijd en wijle last had van een verzwaarde rechtervoet kwam je er bij oom agent nog wel eens vanaf met vermanende vinger bij de belofte dat je het niet meer zou doen. De goeie ouwe tijd.

Met moeite ben ik er in geslaagd mijn rebelse rijstijl aan te passen naar het gezapige tempo waar ik mijzelf jarenlang aan ergerde. Uit noodzaak, om de foute-enveloppenbrigade voor te blijven, maar vooral om beter te kunnen anticiperen op het onvoorspelbare rijgedrag van de hedendaagse automobilist. Want de APK-keuring heeft er dan wel voor gezorgd dat er geen levensgevaarlijke auto’s meer op de weg rondrijden, maar heeft niet kunnen voorkomen dat het gevaar zich heeft verplaatst naar de bestuurder.

Voor het echte Zen-gevoel moet men anno nu niet achter het stuur plaatsnemen, vooral niet in het spitsuur. Het rijgedrag van de gemiddelde weggebruiker neigt naar een soort collectieve onverschilligheid; het lijkt alsof heel autorijdend Nederland met succes een afstompcursus heeft gevolgd, een cursus die ik als een van de weinigen heb gemist. Godzijdank.
Omdat ik niet over bovenmenselijke reflexen beschik hou ik bij de hedendaagse verkeersdrukte meer dan voldoende afstand tot mijn voorganger. In gespannen afwachting nader ik elk verkeersknooppunt en gaat mijn rijdersinstinct in DEFCON 3: ik neem verder gas terug, verstevig mijn grip op het stuur, ‘spiegel’ er driftig op los en hoop er het beste van. En als ik gelovig was sloeg ik een kruisje. Ik vertrouw wel op mijn jarenlange rij-ervaring, maar niet meer op de kundigheid van mijn medeweggebruikers.

Terwijl ik zorgvuldig afstand hou, voel ik mij als een toeschouwer op de eerste rij van de Hells Devils Stunt Drivers Show. Gelaten zie ik toe hoe het gevecht om de vierkante meter zich voor mij begint af te spelen. Snelle jongens die de illusie hebben in de spits nog op te kunnen schieten, mensen die het bumperkleven tot kunst hebben verheven en ad hoc beslissingen die onaangekondigd worden uitgevoerd. Een staaltje close racing waar Max Verstappen nog een puntje aan kan zuigen. Tot op zekere hoogte kan ik dit nog als een vorm van amusement zien, hoopt een deel van mij zelfs stiekem op de nodige blikschade. Eigen schuld, dikke bult. Maar tot mijn grote verbazing blijft het wederom bij lichte schade aan mijn zenuwgestel.

Nieuwsgierig naar de deelnemers aan dit diefje-met-verlos blik ik in het voorbijgaan even opzij. Gezien het zojuist uitgehaalde staaltje slipstreamen verwacht ik op zijn minst een dolgedraaide stresskip met bloeddoorlopen ogen en schuim op de mond, maar niets is minder waar. Getuige de stoïcijnse blik lijkt de onschuldig ogende eenheidsworst-bestuurder niet eens te beseffen door welk oog van de naald hij/zij is gekropen. Is dit een onwankelbaar vertrouwen in airbag en kreukelzone, of gewoon stompzinnigheid?
Even voel ik een lichte vorm van jaloezie; wat moet dat een rust geven om niet te beseffen aan welk gevaar je zojuist ternauwernood ontsnapt bent.
Het wordt pas menens als men mij gaat betrekken bij het automobiele landje-pik en ik mijzelf in gedachten in mijn blote kont op een nat wolkje harp zie zitten spelen. Dan stijgt mijn adrenalinepeil tot onaangename hoogten en ga ik in overlevingsmodus. Als men mij in mijn anderhalve ton staal op wielen probeert te negeren kan ik daar niet onverschillig onder blijven. Met licht- en geluidssignalen probeer ik de indringer van mijn aura – meestal tevergeefs – op diens fout te wijzen. Maar zelfs als men de oogkleppen lang genoeg afzet om mij op te merken, zal het zijn om zijn/haar beroerde rijgedrag op mij af te spiegelen.

Mijn halve leven lang is autorijden een van mijn grootste passies geweest, maar daar is weinig van over. Sinds kort voel ik dagelijks wat ik in de voorgaande vier decennia slechts enkele malen heb gevoeld: de angst om niet zonder kleerscheuren thuis te komen. Ik hoop dat mijn medeweggebruikers mij de dag mee laten maken dat ik mijn roze plasticje in de kliko mag donderen, want met het doven van deze passie is al een stukje in mij gestorven.

De verschrikkelijke gevolgen van een op het laatste nippertje genomen afrit, een actie die tegenwoordig eerder regelmaat is dan uitzondering (vanaf 0:55). De dame in kwestie heeft deze actie overigens wonderwel overleefd.

Advertenties