Oom Held

Toen ik klein was, was oom Bert mijn held. Hij was nooit chagrijnig, altijd in voor een grapje. We waren kameraden in zotheid. Hij wist me altijd op te vrolijken, hoe rot ik me ook voelde.
Toen ik ouder werd, begon zijn voetstuk af te brokkelen. Ik begon me zelfs te ergeren aan zijn onverwoestbaar humoristische inslag. Niemand kon helemaal zonder zorgen zijn zoals oom Bert de wereld dat deed geloven. Ik begon zijn permanent kolderieke houding te zien als een façade waarachter hij zich verschool; hij durfde nooit zichzelf te zijn. Ik voelde me bedrogen omdat hij anderen – maar vooral mij – altijd buitengesloten had gehouden van zijn ware ik.
Na zijn dood vertelde mijn moeder de waarheid. Hoe haar broer als jochie in de oorlog door Duitsers was aangerand en hoe hij dit had weggestopt; vanaf dat moment was humor zijn wapen tegen het kwaad geworden. Hoe hij weigerde te scheiden van tante Trees, ondanks dat ze hem jarenlang kleineerde, geestelijk mishandelde. En zelfs aan het eind van zijn leven weigerde hij zijn levenslicht te laten dimmen door de kanker die hem te pakken had gekregen.
“Hij genoot zichtbaar van jullie momenten samen,” zei mijn moeder. “Dat was een van de dingen die hem op de been hielden.”

Mijn geloof in oom Bert is in ere hersteld. Zijn voetstuk is groter, mooier en onverwoestbaarder dan ooit tevoren.

Advertenties

Koppen snellen

Omdat ik om medische redenen geen televisie mag kijken of radio luisteren – ik krijg hevige allergische aanvallen van bagger-tv en stompzinnige commercials –, besluit ik mezelf bij het tijdschriftenvak van de supermarkt op de hoogte te brengen van het heetste nieuws.
Naar Yvon Jaspers hoeft ik niet lang te zoeken; met haar nimmer aflatende boerenzoektocht prijkt ze op de voorkant van vrijwel elk programmablad.
Ook de verdere verengelsing van onze taal kom ik niet onderuit: volgens Wonen moeten we stylen, volgens Saar ‘spenden’ en Glamour heeft het over beautygoeroes, sugar daddy’s en mentale issues. Genoeg voor een taalpurist om jeuk van te krijgen. Nu hoor ik u al zeggen: “Ach, voor je het weet doe jij net zo hard mee.” Ja, ja, make that the cat wise.
Vanwege een artikel over Anniko van Santen, wat mij betreft ’s lands enige no-nonsense televisievrouw, laat ik me verleiden Linda door te bladeren, maar zodra ik lees dat Saskia Noort een vent wil voor gretige seks, krijg ik spontaan een Freek de Jonge moment: “Wat moét ik met die informatie?”.
Kortom: Patricia Paay en Gordon lijken niet uit te roeien, Boer zoekt Vrouw is toch populairder dan De Wereld Draait Door en seks verkoopt. Nog steeds.
Ik ben weer helemaal bij.

Onderonsje

Het is een zwoele zomeravond. Ik moet naar bed omdat ik morgen weer moet voldoen aan de verplichtingen van een werkgever, maar ik maak deze aardse zaken even ondergeschikt aan het kosmische; ik mág van mezelf de heldere sterrenhemel waar het universum mij vanavond op trakteert niet aan me voorbij laten gaan.
Ik neem plaats in een ligstoel, staar naar het firmament en voel me nietig. Ik dwing mezelf het aardse even te vergeten en probeer mijn persoontje een plaatsje te geven in de weidsheid van de kosmos, maar dat is meer dan een simpele aardbewoner bevatten kan.
Plotseling zie ik hoe twee lichtjes zich losmaken van de rest. Ze bewegen zich anders dan de hemellichamen die onverstoorbaar op hun plek blijven staan glinsteren: doelbewust, volgens een patroon, met plotselinge koersveranderingen, maar los van elkaar. Daar komt snel verandering in. Na een korte, kosmische balletuitvoering lijken de lichtjes zich aan elkaar te koppelen en bewegen perfect synchroon met een vaste tussenafstand sierlijk door het nachtelijk zwerk. Hier moet een vorm van intelligentie achter zitten. Dit is niet willekeurig, geen natuurlijk fenomeen of gezichtsbedrog.
Dan stoppen beide lichtjes recht boven me, gaat een van hen even uit en weer aan, en verdwijnen ze met een duizelingwekkende snelheid uit het zicht. Dit was onmiskenbaar een ‘close encounter of the first kind’. Een knipoog vanuit de ruimte.

Veilig

Ik verlang naar het einde van de dag. Naar het moment dat ik alles van me af kan laten glijden. Alle verantwoordelijkheden en verplichtingen, alle negativiteit van de grote boze buitenwereld, alle knellende kleding.
Ik glijd tussen katoen en synthetica, boetseer het nepdons naar de contouren van mijn lichaam en begraaf mijn hoofd in mijn kussen. Mijn oren suizen nog even na van de dag, maar dan is het stil in de slaapkamer, stil in huis, stil in de wereld buiten.
Voordat mijn cocon mijn lichaamswarmte heeft overgenomen neem ik een foetushouding aan en begint mijn hoofd zich te vullen met aangename, inspirerende gedachten.
Het liefste zou ik dit vredige gevoel zo lang mogelijk vasthouden, maar Morpheus’ lokkende armen zijn onweerstaanbaar.
Morgen maar weer eens proberen.

De val

Hij droomde er vroeger wel eens van: vallen. Het gruwelijke besef dat je leven binnen enkele momenten onherroepelijk ten einde zal zijn. Dat laatste moment dat zich in een tergende slow-motion lijkt te voltrekken. Alsof je nog even respijt krijgt om je zonden te overdenken, voor je op pijnlijke wijze uit het leven word weggerukt.
Het is niet langer een droom. Terwijl hij achterwaarts de diepte in tuimelt, besluit hij in een fractie van een seconde dat hij zich niet wil laten overmannen door angst voor de dood. Dat zou pas een verspilling van kostbare tijd zijn. En dus wendt hij al zijn positieve energie aan om het beste uit dit slotakkoord te halen. Zijn tocht naar het onvermijdelijke is immers de ultieme wens van velen: het bevrijdende gevoel van vliegen als een vogel. Als een adelaar zweven op de thermiek tussen de bergen, al is het maar voor even. Maar ook het einde van de val vreest hij niet, dit zal snel en pijnloos zijn. En het is geen einde, maar een voortijdige overstap naar een volgend leven, een nieuw avontuur. En hij is er klaar voor.

Toeval

Het is druk bij de slager van het Limburgse dorp, waarvan de naam meer letters bevat dan aantal bewoners; er staan wel twee klanten in de winkel.
De ene klant staart de andere aan. “Ken ik u ergens van?”
“Nee, ik kom niet uit de buurt. Ik kom uit Exhomra.”
“Exhomra, de hoofdstad van Givah, de vierde planeet in het Vega-stelsel?”
“Zei ik dat? Ik bedoelde natuurlijk Exmorra. In Friesland.”
Het koperen deurbelletje klinkt, een derde vrouw komt binnen.
“Nee hoor. Ik hoorde u duidelijk Exhomra zeggen.”
De derde klant verstijft. “Exhomra? De hoofdstad van Givah, de vierde planeet in het Vega-stelsel?”

Flits!

“Sodeju! Wat was dat?”
“Daar was ik al bang voor. Je kunt niet ongestraft bij volle maan tussen hunebedden door lopen.”
“Waar zijn we?”
“Zo te zien… Stonehenge.”
“In Zuid-Engeland?”
“Weet jij nog een ander?”
“Wauw.”
“De vraag is: hoe komen we terug?”
“Wel eens van Google Maps gehoord?”
Het is even stil.
“Dat bestaat nog niet.”
“Hoe bedoel je, ‘nog niet’?”
“Er is geen toegangsweg naar hier. Er is zelfs nog geen weg. Nog geen tweehonderd meter verderop zou de A303 moeten lopen, de Amesbury Bypass. Maar die ligt er niet. Nog niet.”
“Je bedoelt dat we niet alleen een sprong op de kaart hebben gemaakt, maar ook in de tijd?”
“En er is nog een probleem.”
“Ja, het is koud. Verdomde koud. Filosofeer jij ons hieruit, dan kijk ik intussen wel op mijn telefoon hoe we naar huis kunnen. Hé, waar is mijn telefoon? Waar zijn mijn kleren!?”
“Dat bedoel ik.”