Deurtje

In mijn hart zit een deurtje
en dat deurtje is heel klein
wie het weet te vinden
moet dus heel bijzonder zijn

als je de juiste sleutel hebt
en door het kleine deurtje past
ben je niet alleen welkom
je bent mijn eregast

ben je eenmaal binnen
doe dan voorzichtig aan
want anderen die hier waren
zijn flink tekeer gegaan

en besluit je zelfs te blijven
loop rond met fluwelen tred
zo niet, dan ben je de laatste
die ik liefdevol buiten zet

wil je toch mijn hart verlaten
doe het dan rustig aan
beloof me dat je op de terugweg
niet te hard met het deurtje zal slaan
 

Paul Bastiaansen

Advertenties

Heleen

Toen ik er kwam wonen, viel Heleen me meteen op. En niet zozeer vanwege haar uiterlijk, al was ze met haar blonde pagekapsel, atletische gestalte en gezonde teint een aantrekkelijke vrouw.
De woongroep was een verzameling zonderlinge figuren, waar zij niet tussen paste. De meeste bewoners waren Greenpeace-aanhangers die reden in Berlingootjes en twintig jaar oude Volvo’s en er een uitgesproken maatschappijkritische mening op na hielden. Heleen was opvallend onopvallend aanwezig in de woongroep. Ze observeerde de wereld om zich heen en oordeelde nooit.
De voorstanders van complottheorieën daarentegen – en die waren hier genoeg – waren al gauw tot de conclusie gekomen dat Heleen door overheidsinstanties in de woongroep moest zijn geplaatst om subversieve elementen op te sporen.
Mijn vermoedens waren minder achterdochtig van aard: omdat ik haar eens betrapte op het maken van aantekeningen terwijl ze hevig discussiërende bewoners observeerde, hield ik haar voor een stiekeme journalist, die materiaal verzamelde voor een baanbrekend artikel in Psychologie Magazine.

Tijdens een gezamenlijke maaltijd in de gemeenschapsruimte daalde het verlichtingsniveau tot de helft, om even later op normale sterkte verder te branden.
Bertram keek niet eens op van zijn bord. “Dat krijg je als…,” sprak hij nauwelijks hoorbaar.
“Dat krijg je als de commerciële sector zeggenschap krijgt over nutsbedrijven,” zei Karin luid. “Onbetrouwbare energielevering.”
Bertram haalde laconiek zijn schouders naar me op. “We hebben ook regelmatig spanningspieken waardoor apparaten doorbranden. Dat heeft ons al twee koffiezetapparaten en een broodrooster gekost.”
“Hoe komt dat?”
“Wat Karin zegt. Onbetrouwbare energielevering.”
Plotseling klonk een scherpe knal en vaag glasgerinkel uit de gang. Ik voelde de echo van klap in mijn onderbuik. Nieuwsgierig verzamelden de bewoners zich bij Heleen’s kamer, de bron van het geluid. Ik zag een blauwgroen schijnsel onder haar deur wegtrekken.
“Heleen?” riep ik tegen de deur. “Is alles goed?”
Het bleef stil.
Ik aarzelde geen moment en zette mijn schouder tegen de deur.
Heleen’s appartementje was leeg, het raam vertoonde een groot, ovaal gat. Behoedzaam liep ik erheen; dit was geen gewoon gat. Op de grond lagen glasscherven, maar van een vaas. De rand van het gat was niet versplinterd, maar glad, gesmolten. Ondanks dat het net gebeurd moest zijn gaf het glas geen warmte af.
Ik keek naar buiten. Alles leek normaal. Auto’s reden door de straat, mensen liepen op het trottoir.
“Heleen?” verhief ik mijn stem, al verwachtte ik geen antwoord.
Op de gang verzamelden zich meer mensen.
“Ze is ontvoerd door buitenaardsen,” concludeerde Karin.
“Jij kijkt teveel films,” merkte Bertram op.
“En jij steekt je kop in het zand.”
Anderen mengden zich in de discussie en de gemoederen raakten verhit, maar ik liet het niet tot me doordringen. Plotseling begreep ik Heleen. Haar observerend vermogen, haar waarnemingen, haar integriteit.
“Nee,” zei ik hardop. “Ik weet het.”
Onmiddellijk stopte het gekibbel.
“Heleen is terug naar huis.”

Virtual Reality

“Het was zó cool. Mijn hart ging tekeer als een jokko toen ik voetje voor voetje naar het randje liep. Het angstzweet brak me uit toen ik de diepte in keek. Ik voelde de aders van mijn slapen kloppen. En de adrenalinekick die ik kreeg toen ik naar beneden flikkerde, ook al duurde het maar een paar seconden, daar kan geen bungeejump tegenop.”
Ik kijk toe hoe de verpleegster zijn gips controleert en zijn monitor bijstelt. “Jammer dat je VR–bril nog niet aan stond, hè?”

Katinka

Een voorzichtig zonnetje verdrijft de ochtendkou. De kermis in de stad is nog niet op gang, het carillon doet zijn best de sfeer in de winkelstraat op gang te brengen. Ik zit bij een tafeltje aan mijn cappuccino en gun een brutale duif kruimels van mijn homp appeltaart. Het leven is goed.
Ik hoor hakken en draai mijn hoofd. De gelijkenis en het leeftijdsverschil zijn duidelijk: dit zijn moeder en dochter. Dochter loopt op laarsjes met verhoogde hak, moeder niet. Dochter doet moeite onverschillig te kijken, moeder niet. Dochter kijkt me voorbij, moeder niet.
Ik zing in mijn hoofd. “Hakjes tik tak op de stoep. Korte rok, met nauwe coupe. En haar blik verraadt geen nee of ja, daarom zingen alle jongens haar verlangend na: kleine kokette Katinka…”
Moeder kijkt om, ik vang nogmaals haar blik.
Ze is niet klein, niet koket, maar even is zij mijn Katinka.

Klaar

Met verzamelde moed en kracht duwde hij de punt van het gekartelde vleesmes tussen zijn ribben. De pijn die zijn borstkas vulde, stond niet in verhouding tot het overweldigende gevoel van opluchting dat hij weldra van alles verlost zou zijn. Verlost van een hoofd vol onrust, van een liefdeloos leven, van een lijf dat nooit had of was bemind.
Vastberaden dreef hij het mes in zijn verdorde hart, een hart waarin hij nooit een vrouw had toegelaten, een hart dat geen ware liefde had gekend.
Hij zeeg ineen op de stoel en met een laatste krachtsinspanning trok hij het mes uit de wond, zodat zijn bloed vrij kon stromen. Als een ultieme aderlating nam het bloed al zijn ellende en liefdeloosheid mee. Eindelijk was hij gelukkig.