Limbo

Ik lig uitgeteld op bed, na een lange, enerverende werkweek. Mijn ogen voelen zwaar, ik wil het hele weekend slapen.
Dan voel ik haar hand langs mijn been. Het matras zakt in onder haar gewicht als ze op de rand van het bed gaat zitten. Ze legt haar hand op mijn borst en buigt over me heen. Ik voel de warmte van haar gezicht en ruik haar parfum als ze niemendalletjes in mijn oor fluistert. Mijn hart maakt een vreugdesprongetje. De energie die ze uitstraalt verkwikt, mijn vermoeidheid maakt plaats voor verlangen. Ik voel weer dat ik leef. Ik sla mijn armen om haar heen, ze rolt over me naar de lege plek. Ik begraaf mijn gezicht in haar haar.

Ik word wakker naast een onbeslapen plek. Ik pak mijn telefoon: het is zaterdagmiddag, vier uur. Ik hijs me in mijn kamerjas en slippers en zit even later met mijn koffie en croissant aan de eettafel, zoals ik al duizend keer deed.
Haar urn staat al acht jaar op dezelfde plek en ik mis haar nog elke dag, maar ik ben doodongelukkig omdat ze mij niet los kan laten.

Advertenties

Theekransje

Sinds ik mezelf schrijver durf te noemen verbaas ik mij geregeld over de ongelijke verdeling van de seksen in Nederland Schrijversland; vrouwen zijn veruit in de meerderheid. Mijn gevoel zegt dat dat een scheef beeld van de werkelijkheid is, al heb ik nog geen bewijs van het tegendeel kunnen vinden. Zijn vrouwelijke concullega’s op een breder vlak bezig met ‘het schrijver zijn’ of zijn mannelijke schrijvers introverter? Ik vermoed het laatste, al zijn de tekenen van de eerste stelling overduidelijk.
Vrouwelijke schrijvers houden zich in kuddes op en de mannelijke soort is een solitair schrijfdier. Op foto’s van workshops of schrijfretraites schitteren mannen door afwezigheid, waardoor ik mij niet aan een theekransjesgevoel kan onttrekken. Want het is vooral errug gezellig, zo’n schrijfclubje. We publiceren een boek of twee, beginnen een uitgeverijtje en geven een workshopje, waarbij we elkaar feliciteren met het auteursschap.
Nu is de gunfactor bij mij in ruime mate aanwezig, maar ik heb mijn twijfels of de lezer hier van profiteert; de energie die in deze festiviteiten wordt gestoken kan in veel gevallen beter worden gebruikt om de kwaliteit van het geschrevene te verbeteren. Want dat is de kern van schrijven. Toch?

Slecht schrijfwerk inspireert

Als je schrijver wilt worden doe je er goed aan veel te lezen. Tot zover klopt de stelling. Er wordt echter niet bij gezegd dat je werk van goede schrijvers moet lezen. Ik leer namelijk meer van slechte schrijvers: waarom is dit zo slecht om te lezen, wat klopt niet aan dit verhaal, welke fouten worden hier gemaakt die ik niet wil maken?
Ik heb afgelopen week fragmenten van twee onlangs gepubliceerde werken onder ogen gekregen waarbij ik me afvroeg of er überhaupt een proeflezer of redacteur aan te pas was gekomen. Nu heb ik weinig recht van spreken om een oordeel mogen te vellen, maar je hoeft geen literatuurprijswinnaar te zijn om een ‘verhaal’ te herkennen dat in strijd is met een half dozijn schrijfregels.
Het lezen van slecht werk motiveert ook. Als ik twijfel over mijn kunnen, hoef ik maar iets te lezen uit prematuur gepubliceerd werk van een concullega en mijn zelfvertrouwen krijgt weer een stimulans: ik kan en wil beter schrijven dat dit. Een schrijver die zichzelf serieus neemt is verplicht het beste uit zichzelf (en uit zijn verhaal) te halen. Al was het maar uit respect voor de lezer. Deze stelt zijn/haar vertrouwen in jou, steekt tijd in het lezen van je verhalen en mag dus niet worden afgescheept met middelmatigheid, omdat jij denkt dat je de eindstreep al hebt gehaald. Op een goede dag zal deze lezer geld neertellen voor iets wat jij geschreven hebt en dan dienen ze voor hun loyaliteit beloond te worden met kwaliteit.
En daarom duurt het bij mij zo lang voordat mijn debuut het daglicht zal zien. Ik ben niet bezig met een sprint, maar met een marathon.

Remedie

goede raad en troost genoeg
voor hen met een gebroken hart
lijmen, eelt en littekens sterken
en maken dat het verhardt

maar wat te doen bij schade
van een ander echelon
vertrapt, bespeeld en gekneusd
en niemand die dat verzachten kon

er is maar één ding dat mij rest
om mijn gehavend hart te sparen
tijd heelt alle wonden
al kost mij dat vele jaren

De techniek staat (er) voor niets

Mijn plaatselijke supermarkt heeft een muntgeldautomaat bij de kassa: aan de bovenkant gaat muntgeld erin en aan de onderkant komt het eruit. Omdat ik altijd met plastic betaal heb ik nooit langer dan vijf seconden stilgestaan bij de functie – of het nut – van deze contraptie. Is dit nu een geldtelmachine, een muntjesreiniger of is het klinkende munt brakende ding een poging van de supermarktketen om in dit dorp op zondag leven in de brouwerij te brengen?
Ondanks dat er nog zelden harde valuta door mijn handen gaat, is mijn portemonnee als gevolg van een wonderbaarlijke muntvermenigvuldiging gezwollen tot onpraktische proporties.
Eenmaal bij de kassa krijg ik een epifanie: zou dit apparaat mij de verlossing kunnen brengen waarnaar ik zo naarstig op zoek ben? Mag ik eindelijk begrijpen waarom deze schepping op aarde is gezet? Hoopvol en opgelucht neem ik bij het afrekenen van mijn boodschappen afscheid van het kleingeld dat zo lang mijn kontzak heeft geteisterd. Het leven heeft weer zin. Mijn portemonnee is dunner, past weer achterin mijn strakke jeans. Zou technologie dan toch ons leven aangenamer kunnen maken?
Als ik het eindbedrag wil pinnen, klinkt het RATEL, RATEL–DE–RATEL. Als een grote, smalende grimas presenteert het bakje van de automaat mij het muntgeld waarvan ik dacht te zijn verlost. Tot op de stuiver. Lekker puh.

Ik staar naar de handvol munten; gooi ik onder luid gegodver de nog geen anderhalve euro aan messing en koper zo ver mogelijk de winkel in of stop ik het terug waar het vandaan komt? Gelaten druip ik af met dezelfde bult in mijn achterzak als waar ik mee binnenkwam. Nog steeds weet ik niet waar het apparaat voor dient.
Ik kijk nog even om; ik zou zweren dat het ding zijn tong naar me uitstak.

Verstoppertje spelen

Een column.

Ik ben blij met het boerkaverbod. Begrijp me niet verkeerd, ik respecteer zelfs een geloof waarbij vrouwen zich vrijwillig (…) laten onderdrukken, maar de boerka past niet in een vrij en open Nederland.
Verstoppertje spelen is een leuk, onschuldig kinderspel, maar als volwassenen het gaan doen krijg ik jeuk op plaatsen waarvan ik niet wist dat ik ze had. Ik kijk mijn gesprekspartner graag in de ogen en stel mij daarbij kwetsbaar op. Ik stel het dus op prijs als de ander dat beloont met dezelfde openheid. Communiceren is een vertrouwenskwestie. Als iemand zich wenst te verstoppen achter een zonnenbril of erger, zie ik dat als een vorm van wantrouwen en ga ik onvoorspelbaar gedrag vertonen; iemand die ervoor kiest zich voor mij te verstoppen in een allesverhullend gewaad kan ik niet serieus nemen.

Op Facebook bestaat dit ‘boerkagedrag’ al geruime tijd, met name in schrijfkringen. Daar heet dit verschijnsel ‘pseudoniem’. Niets nieuws onder de zon, want ver voor het bestaan van Facebook maakten schrijvers al gebruik van schuilnamen, omdat het – mits met mate toegepast – een functie kan hebben. Een leerkracht op een Christelijke school die in zijn vrije tijd erotische- of gruwelijke moordverhalen schrijft doet dit om begrijpelijke redenen onder een pseudoniem. Ook kan een pseudoniem dienen als uithangbord voor een concept; zoals ‘Suzanne Vermeer’ een produktnaam is voor een schrijverscollectief.
Maar als schrijvers zich te pas en te onpas gaan verstoppen achter een gezichtsloos nepprofiel en zich (zelf in de ‘echte’ wereld) voordoen als een persoon van vlees en bloed, gaat er bij mij iets mis. Als ik niet zeker kan zijn van iemands oprechtheid krijg ik een ‘George Orwell/Big Brothergevoel’ en gaan alarmbellen bij me af.
Om te voorkomen dat ik over een paar jaar tot de ontdekking kom dat de ‘persoon’ die ik in vertrouwen nam niet de persoon blijkt te zijn die ik dacht, schiet ik in de zelfbeschermingsmodus en smoor elke twijfelachtige Facebookvriendschap in de kiem.

Speel naar hartenlust verstoppertje, maar verwacht niet van mij dat ik het spelletje meespeel.