Fruit op mijn huid

Ik moet van mijn financieel adviseur – dat kleine mannetje in mijn hoofd met zijn hand op mijn knip – meer op de kleintjes letten dus kijk ik bij de buurtsuper geregeld in de aanbiedingenbak. Omdat dit voor mij nieuw terrein is heb ik een fles doucheschuim met een fruitluchtje aangeschaft. Per abuis, want ik hou helemaal niet van zeepproducten vermomd als ooft. Dan raken mijn zintuigen in de war. Als mijn neus een geur ontwaart die mijn hersenen associëren met fruit, krijgen mijn smaakpapillen een impuls die aanzet tot watertanden en gaat mijn maag in de ontvangststand.

Verzorgingsproducten met een fruittintje zijn onnatuurlijk. Er kunnen nog zo veel boomknuffelende, rechtsdraaiende mueslidenkers roepen dat perzik en citroen goed is voor je huid en komkommer een probaat middel tegen rimpels, voor mij blijven het producten voor inwendige consumptie. Ik zie mezelf geen appelmoes op mijn huid smeren of avocado in mijn resterende haar. Ik wil niet ruiken naar een fruitmand als ik op een afspraakje ga, tenzij het mijn bedoeling is de dochter van de groenteboer aan de haak te slaan. En als bier goed zou moeten zijn voor je haar, laat ik dit liever in de kroeg aanbrengen.

Ik vraag me trouwens af of Andrélon’s Kokos Boost nog wonderen kan verrichten voor mijn grijzende melkboerenhondenhaar…

Advertentie

De weg naar de Hemel

Het ging goed met de wereld, er was ruimte voor optimisme: acht banen asfalt moest de toestroom van nieuwe zielen vast en zeker aankunnen. Maar meer asfalt leidde tot meer verkeer, verhitte gemoederen en uiteindelijk agressie.

Nu staan de asfaltmachines langs de onvoltooide toegangsweg weg te roesten. Nieuwe zielen zullen hun plek in de Hemel als vanouds moeten verdienen: door blootsvoets het grindpad te nemen tot de bijna oneindige ivoren wenteltrap. Maar eenmaal boven gekomen zal de portier hen met open armen één voor één verwelkomen, opgelucht dat hem de stress van honderden gelijktijdig binnenstormende zielen bespaard is gebleven.

Potentie

Sinds zijn scheiding voelde hij zich helemaal vrij
zelfs boodschappen doen maakte hem intens blij
Hij kon weer eten wat hij het lekkerst vond
een genot dat Zij altijd in de weg stond

Steevast maakte ze zijn favoriete gerechten
tot onderwerp van verbale gevechten
Het was te duur, te dikmakend of te zoet,
of op een andere manier net niet goed

Pas na het eten van oesters, paling, kreeft en knoflook
was zijn libido weer helemaal op peil, maar ook
na al die aardbeien, asperges, eieren en schorseneren
begreep hij waarom ze klaagde over zijn matig presteren.

Beproeving

“Werkelijk waar,” galmde het tussen het oude hout en de enorme pilaren. Slechts een half dozijn heiligenbeelden en een afbeelding van Het Laatste Avondmaal waren aanwezig als stille getuigen. “Ze had memmen als scheerriemen en een flamoes als een verwaarloosde schotwond, maar ik heb de geweldigste seks van mijn leven gehad. Als ik er aan denk krijg ik weer een tent in mijn broek.”
Achter het rooster dat hen scheidde klonk een verzwaarde ademhaling.
“Alles hebben we gedaan: 69, op zijn hondjes, en zelfs de missionarishouding. Nondeju, die meid heeft me van mijn impotentie genezen.”
Hol gestommel volgde. “V-vijf weesgegroetjes en tien onzevaders,” stamelde de jonge kapelaan. “Ga heen met de vrede van God.”

Het laatste avontuur

“Wassen jullie je handen voor het eten, jongens?” riep Rianne vanuit de keuken, terwijl Edwin de voordeur opentrok.
“Dag meneer de Gier,” zei de man die voor hem stond.
“Jezus.”
“Bijna goed. Ik ben het, Roel.” Hij spreidde theatraal zijn armen.
Edwin riep de gang in. “Hé Rian, raadt eens wie er op de stoep staat. Mijn broertje.”
“Wat leuk!” klonk het vanuit de keuken. “Hij blijft toch wel eten? Ik heb toch weer teveel gemaakt.”
“Je vindt het toch niet erg dat ik op eerste kerstdag onaangekondigd voor je neus sta?” zei Roel.
“Natuurlijk niet, man. Kom binnen.”
Ze liepen de woonkamer in. “Hé jongens, kijk eens wat ik op straat gevonden heb.”
“Oom Roel!” Remco en Fleur sprongen op en verwelkomden hem met een dikke knuffel.

Met zijn zilver-met-paarse versiering schitterde de blauwspar op een prominente plaats in de woonkamer en de geur van zijn groen vermengde zich met het aroma van wildbraad, stoofperen en andere kleurige gerechten die de kersttafel sierden. De kinderen hingen aan Roels lippen terwijl hij verhaalde over de landen waar hij als freelance journalist geweest was: Ivoorkust, Nicaragua, Jemen.
“Jij komt op plaatsen waar sommige mensen nog nooit van gehoord hebben,” zei Edwin.
“Ach, het brengt brood op de plank,” zei Roel. “En het is beter dan vakken vullen bij de buurtsuper.” Met zijn wijnglas in zijn hand wees hij naar zijn broer. “Maar jij beleeft het mooiste avontuur.”
“Ik?” Verbaasd rechtte Edwin zijn rug.
“Het is helemaal niet zo vanzelfsprekend dat je in één mensenleven je zielsverwant vindt. Veel mensen nemen genoegen met minder, omdat ze een solitair bestaan niet aan kunnen. Maar jullie …” vervolgde hij, terwijl hij van Edwin naar Rianne wees, “zijn star crossed souls. Dat voel ik. En daarom hebben jullie zulke mooie kinderen.” Roel zakte achterover in zijn stoel en gaf de kinderen een gulle knipoog.
“Je gaat toch niet sentimenteel worden, hè?” zei Edwin.
“Ik prijs me gelukkig dat ik even bij je gezin mag horen, broer. Dat is het echte kerstgevoel.” Roel hief zijn glas en nam een slok Merlot.

“Je kan blijven slapen, hoor,” zei Edwin. “Geen probleem.”
“Nee, ik wordt dringend ergens verwacht,” zei Roel, met de deurknop in de hand. “’Roeland de razende reporter’, hè?”
“Pas goed op jezelf,” zei Edwin met een vermanende wijsvinger.
Roel trok een vrolijke grimas, maakte een pistoolgebaar met wijsvinger en duim en verdween in de nacht.
Toen de kinderen naar bed waren voegde Rianne zich bij Edwin in de keuken. Die staarde met een lege blik voor zich uit, terwijl zijn armen loom langs zijn lichaam hingen. Zijn telefoon plofte op de grond.
“Wat is er?”
“Ik moet naar het ziekenhuis.” Hij keek haar ontredderd aan. “Er is iets met Roel gebeurd. Iets ergs.”
“Wat dan?”
“Ik …,” Edwin staarde in het niets. “Ik weet het niet.”


Rond de receptiebalie van het Radboudziekenhuis hing een sfeer van dagelijkse bedrijvigheid. Niemand leek Edwin op te merken, op één vrouw na.
“Meneer de Gier?” Ze stak haar hand uit. “Ik ben Alma Janssen. U had mij aan de telefoon.”
“O. Ja.” Verdoofd schudde hij haar hand.
Ze nam hem mee naar een klein kantoor. “Wilt u iets drinken? Koffie, of een glas water?”
“Nee. Het gaat wel. Wat is er gebeurd?”
“Uw broer is overleden aan de gevolgen van een virus dat hij in het buitenland heeft opgedaan.”
“Een virus?“
“Ja. We waren er vroeg genoeg achter om te voorkomen dat het zich verder verspreidde, maar voor uw broer … was het te laat. Hij heeft geen pijn geleden.”
Edwin probeerde de stukjes van de puzzel in zijn hoofd bij elkaar te leggen. “Hoe laat is hij overleden?”
“Gisteren, even na het middaguur.”
“Gisteren? Maar …” Edwin zweeg onmiddellijk toen hij besefte hoe absurd het zou klinken als hij haar probeerde uit te leggen wat hij zelf niet eens begreep.
“Excuses dat we u niet eerder te pakken konden krijgen, maar de papieren in zijn bagage waren een rommeltje, met al die visa en inentingsbewijzen en zo. Gelukkig konden we zijn telefoon ontgrendelen met, eh … nou ja, zijn vingerafdruk. En in zijn telefoon vonden we uw nummer.” Ze keek hem bezwaard aan.
“Dat snap ik.” Edwin keek om zich heen, maar zijn ogen zagen niets. “Hoe kan hij nu gisteren zijn overleden?”
“Ik begrijp uw verwarring. Dat is heel normaal in zo’n situatie. Wilt u hem nog zien?”
“Ja,” hoorde hij zichzelf zeggen.
Alma pleegde een telefoontje met haar collega van het mortuarium. Edwin hoorde haar zeggen dat de man zijn broer moest voorbereiden op hun bezoek, maar hij liet het gesprek niet tot zich doordringen.
“Ik heb nog met uw broer gesproken voor hij stierf,” zei Alma, terwijl ze door de ziekenhuisgangen liepen. “Het was heel opmerkelijk. Veel mensen zijn bang voor de dood, en soms is er zelfs sprake van een echte doodsstrijd. Bij uw broer niet. Hij vond dat hij een mooi leven had gehad.”
“Ja, dat klinkt wel als Roel.”
“Er was maar één ding dat hij leek te hebben gemist in zijn leven.”
“Wat was dat?”
“Hij sprak het niet zo uit, maar volgens mij miste hij het gezinsleven.”
Het mortuarium was een ruimte die was ingericht op functionaliteit: roestvrijstalen tafels en opbergkasten, tegelwerk en afvoergoten voor zaken waar men liever niet aan wilde denken. Het bleekwitte TL-licht, de holle weerklank van elk klein geluidje en de geur van formaldehyde die Edwins neus teisterde maakte de naargeestige sfeer compleet. Zijn maag bereidde zich voor op het ergste.
De man die hen opwachtte leidde hen naar een aangrenzende kamer waar een baar stond, met onder een soort zeil de contouren van een lichaam. De kamer leek op een uitgeklede ziekenhuiskamer, maar vergeleken bij de kille ontleedruimte was er bijna sprake van een aangename sfeer.
Langzaam sloeg de man het dekkleed weg en onthulde Roels ingevallen gezicht. Edwin voelde zich zo leeg als het omhulsel dat voor hem lag; de essentie van wat zijn broer was, was al verdwenen. Er restte slechts een tevreden, bijna geruststellende glimlach om de bleke lippen. Het is goed zo.

Feestverhaal

Met een boodschappenlijstje in de hand duwt de schriele man het winkelwagentje tussen de schappen door, een bijna wanhopige blik achter zijn grote brillenglazen.
De supermarktmanager ziet hem speuren. “Zoekt u iets?”
“Ja, een kerststol.”
“Kijkt u eens.” De man gebaart naar het schap op heuphoogte.
“Nee, dat is een feeststol.”
“Dat is hetzelfde, hoor.”
De klant schuift zijn bril nog eens goed op zijn neus en slaat zijn boodschappenlijstje er op na. “O nee, absoluut niet. Mijn vrouw is altijd heel stellig in dat soort dingen. Vooral rond Kerstmis.”
“Er staat ‘feeststol’ op de verpakking, maar het is gewoon een kerststol,” houdt de manager vol.
“U kent mijn vrouw niet,” zegt de man met een onverstoorbaar strakke blik. “Zij is halfzwaargewicht worstelen geweest, ze had bijna meegedaan aan de Olympische Spelen van 1996. Als ik met het verkeerde thuis kom, stopt ze het in mijn kerstster.”
De manager worstelt met een opkomende lachstuip, maar blijft in zijn rol. “O, maar dit is echt hetzelfde, hoor. Vertrouwt u me maar.”
Aarzelend pakt de man de feeststol en legt deze in zijn winkelwagentje. “Als het niet klopt, stuur ik haar wel langs.”
“Dat is goed, hoor,” zegt de manager op zijn klantvriendelijkst en kijkt de man na. “Waarom loopt u zo moeilijk?”
Met een van pijn vertrokken gezicht voelt de man aan zijn derrière. “Ik kwam laatst met een feestboom thuis.”

Geen kerstverhaal

Ik loop door de buurtsuper. Bij de groenten staat een vrouw van bijna klassieke schoonheid met sluik, donker haar. In haar rieten mand heeft ze een brood en een fles rode wijn.
Een andere vrouw spreekt haar aan. “Hallo, Maria. Hoe is het met je zoon?”
“Hij groeit als kool,” antwoordt Maria.
Ik wil geen luistervink spelen, maar vang flarden op van een doorsnee moeder-tot-moeder-gesprek.
Onwillekeurig volg ik Maria op haar route door de supermarkt; ik moet dezelfde kant op. Ik zie dat ze een blauwe fles bronwater pakt. Geamuseerd associeer ik Maria met water en wijn en doe het af als een grappig toeval.
Bij de kassa staat ze voor me.
“Hoe is het met uw man? “ vraagt de caissière haar.
“Goed. Jozef heeft eindelijk weer werk.”
Nu valt mijn mond bijna open van verbazing. “Wat doet uw man voor werk, als ik vragen mag?”
“Hij is timmerman.” Onverstoorbaar rekent ze haar boodschappen af.
“Dat is mooi,” zeg ik, in een poging mijn verbazing te verbergen. “Er is gelukkig weer vraag naar ambachtslui.”
“Ja, gelukkig wel.” Maria lacht me beleefd toe en doet haar boodschappen na het afrekenen terug in haar mand. De wijnfles glipt uit haar hand en klettert op de tegelvloer. Ze kijkt naar de ravage, naar de wijnvlekken op haar kleren en begint te vloeken als een bootwerker.
Ik ben weer terug op aarde.

Het interview

Ik hoef mijn opdrachtgever niet te smeken dit interview te mogen doen. Gerard Tetteroo, de man die Tetteroo Vastgoed groot heeft gemaakt en zich na zijn ongeval als succesvol schrijver heeft ontpopt, wil voor mij een uitzondering maken.
Dit interview wordt mijn Mount Everest, mijn Broadwaydebuut. Mijn eidetisch geheugen geeft me een voorsprong op andere journalisten: zonder blocnote of memorecorder neemt men je eerder in vertrouwen. En dat brengt me op plaatsen waar mijn concullega’s niet komen.

Als ik via de op een bosweg gelijkende oprijlaan op de achterkant van het landhuis aanrijd, heb ik niet de indruk dat ik me op de Utrechtse Heuvelrug bevind: alles is even vlak als bij mij in de straat. Ik laat mezelf binnen via de zij-ingang en tref Gerard Tetteroo in de enorme, landelijk ingerichte keuken. Hij is een fit ogende, goed geklede bijna-vijftiger, niets aan zijn uiterlijk verraadt de noodzaak zich in een rolstoel te verplaatsen.
“Aha, Thomas Naber, de integere journalist. Als er al zoiets bestaat.”
“Gerard Tetteroo, grootindustrieel en succesvol schrijver,” kaats ik terug.
“Houd het maar op schrijver, dat andere was in mijn vorige leven.” Hij rolt behendig om het kookeiland heen en reikt me zijn pezige hand. “Kon je het makkelijk vinden?”
Een weinig inspirerende openingszin van een man met zijn reputatie, maar ik schud zijn hand en speel het beleefdheidsspelletje mee. “Niet echt. Met name de laatste kilometers was mijn navigatiesysteem het spoor bijster.”
“Mooi zo.” Hij glimlacht tevreden. “Kom verder.” Hij rijdt voor me uit door een gang waar dertien-in-een-dozijn ‘Aangeboden door het personeel’–plaquettes hangen. Het is alsof hij ogen in zijn rug heeft: “Relikwieën uit het verleden. Ik moest die troep ergens laten.”
Even later sta ik midden in de woonkamer. Sinatra klinkt zacht uit de luidsprekers. Vóór mij strekt een groen dal zich kilometers in de verte uit.
“Een mens zou kunnen wennen aan zo’n uitzicht,” zeg ik met gespeelde nuchterheid.
“Een mens kan blasé doen over veel dingen, maar niet over zo’n uitzicht. Het is nederigmakend.”
“Nederigmakend. Dat was het woord waar ik naar zocht.”
“Je weet dat ik niet van journalisten houd, maar jouw werk is anders. Daarom ben je hier. Toch had je hier niet gestaan als ik niet eerst je antecedenten had nagetrokken.” Hij wijst naar de bar. “Doe mij een flinke Glenfiddich met ijs, en neem zelf ook wat lekkers. Ik drink niet graag alleen.”
Ik schenk zijn glas halfvol, graai in de ijsemmer en verwen mezelf ook met de warmende gloed van de zesentwintig jaar oude whisky.
Als ik hem zijn glas aanreik steekt hij van wal. “Toen ik nog directeur was van Tetteroo Vastgoed, genoot ik aanzien van mijn werknemers en zakenrelaties. Maar dat was een bijwerking. Ze bogen als knipmessen omdat ik macht had.”
“Klinkt logisch.” Ik laat me in het leer zakken, nip van het fruitige bouquet en neem het uitzicht in mij op; dit moet een van de mooiste woonlocaties in Nederland zijn.
“We krijgen niet door het leven toebedeeld wat we niet aan kunnen.”
“Hoe bedoel je?”
“Ik zag je wel kijken naar mijn rolstoel.”
“Dat is een normale reactie, toch? Als je peentjeshaar had gehad, had het me ook moeite gekost dat te negeren.”
Hij neemt een slok van zijn whisky alsof het appelsap is en staart met me mee naar buiten. “Dit is mijn nieuwe leven. In mijn vorige leven deed ik waar andere mensen alleen maar van dromen: catamaranzeilen rond Liberty Island, deltavliegen langs de Victoria watervallen, bungeejumpen van de Millau-brug.”
“Mag je daar vanaf springen, dan?” vraag ik me hardop af.
“Als je genoeg geld meebrengt, mag je alles. Het is overigens wel een hele mooie plek om je leven te beëindigen.”
“Maar jij hebt het overleefd.”
“Ja en nee. Mijn oude leven hield daar op.”
‘When I was thirty-five, it was a very good year…’ doorbreekt Frank de dreigende stilte.
“Ik zie het niet als een straf, maar als een teken van boven. Het Universum vond blijkbaar dat ik aan een nieuwe uitdaging toe was.”
“Het universum?”
“Noem het hoe je wilt. God, Allah, De Grote Baas. Iemand besloot dat dit moest gebeuren.”
“Ik wist niet dat je een religieuze inslag had.”
“Het begint te komen.” Hij staart in zijn glas. “Gandhi had gelijk, weet je dat?”
“Gandhi?”
“Je kan iemand ketenen, martelen, kreupelen, zijn lichaam afnemen, maar zijn geest kan je niet opsluiten.”
“Ik geloof dat ik je even niet kan volgen.”
“Als industriemagnaat heb ik veel van de wereld gezien, maar vanuit mijn rolstoel zie ik veel meer. De verbeeldingskracht van een schrijver is namelijk grenzenloos. Als ik dat wil, bezoek ik andere tijden, andere werelden. Andere dimensies.” Hij kijkt me aan en even zie ik de dromer in hem. “Weet je, Thomas. Ze zeggen wel eens ‘the sky is the limit’, maar wie dat zegt, is geen schrijver.”
Dan schiet hij weer in zijn rol. “Bovendien is de beloning voor een schrijver hoger. Ik heb respect van mijn lezers. Ik inspireer ze, meer dan ik mijn personeel ooit heb geïnspireerd.” Hij pauzeert even. “Ik zou bijna zeggen dat die dwarslaesie het beste is dat me is overkomen.”
Ik zie de reden van zijn plotselinge zakelijke houding: de vrouw die binnenkomt begint medicijnen te rangschikken op de dichtstbijzijnde tafel.
“Wilma. Mijn kwelgeest, mijn folteraar. Mijn demon.”
De verpleegster-zonder-uniform vervolgt onverstoorbaar haar taak. “Ja, ik hou ook van jou, lieverd.”
Gerard kijkt me gelaten aan. “Dit is waar mijn avonturen me gebracht hebben: driemaal daags een zetpil. Dus daar is het gat van de deur, meneer de journalist. Maak er een mooi artikel van. Break a leg.”
Ik knipoog. “Nee, bedankt. Ik ben nog niet klaar met dit leven.” Ik begeef me naar de achterdeur en Gerard rijdt een stukje met me mee. Ik stap naar buiten, de deur nog in mijn hand.
“Thomas?”
Ik draai me om.
“Wees geen vreemde. Je weet nu waar ik woon.”

Muze

weet dat ik je zielsgraag vertel
dat je door mijn gedachten dwaalt
je kruipt langzaam onder mijn vel
waardoor mijn barrière hopeloos faalt

mijn hart viert voor altijd feest
als ik je eenmaal ontmoeten mag
want er is bij mij nooit twijfel geweest
over de magie van die eerste samendag

ik ben ver van de spreekwoordelijke ridder
en zelfs als het er nooit van komen zal
ben ik toch de gelukkigste stille aanbidder
wiens hart je, zonder het te weten, heel even stal.

PB.